Old Martinmas Eve (Ivor Gurney)

Bij Sint Maarten

 

 
St. Martinus deelt zijn mantel, schilderij in de Kathedraal van Sint-Gatianus in Tours

 

Old Martinmas Eve

The moon, one tree, one star.
Still meadows far,
Enwreathed and scarfed by phantom lines of white.
November’s night
Of all her nights, I thought, and turned to see
Again that moon and star-supporting tree.
If some most quiet tune had spoken then;
Some silver thread of sound; a core within
That sea-deep silentness, I had not known
Ever such joy in peace, but sound was none —
Nor should be till birds roused to find the dawn.

 


Ivor Gurney (28 augustus 1890 – 26 december 1937)
De kathedraal van Gloucester, de geboorteplaats van Ivor Gurney

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e november ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Hans Magnus Enzensberger, Mircea Dinescu, Carlos Fuentes, Nilgün Yerli, Luigi Malerba, William Matthews

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

Creditur

Schon das schiere Nichts
hat es in sich.
Bauchschmerzen
für Metaphysiker.
Die Null zu erfinden
war kein Zuckerlecken.

Als dann auch noch
irgendein Inder
auf die Idee kam, etwas
könne weniger sein als nichts,
streikten die Griechen.

Auch den Gottesgelehrten
war nicht wohl dabei.
Blendwerk, hieß es,
eine Versuchung des Teufels.

Das sollen natürliche Zahlen sein,
riefen die Zweifler,
minus eins, minus eine Milliarde?

Nur wer Geld hatte,
und das waren die wenigsten,
der hatte keine Angst:

Schulden, Abschreibungen,
doppelte Buchführung.
Die Welt wurde abgezinst.
Die Arithmetik – ein Füllhorn.

Wir haben alle Kredit,
sagten die Banker.
Eine Sache des Glaubens.

Seitdem wird immer größer,
was weniger ist als nichts.

 

Die Instrumente

Augenschere, Marknagel, Blasensprenger –
man hört es nicht gerne.
Selbst die Chirurgen hüten sich,
uns den Hohlmeißel vorzuführen,
das wäre zu hart, den Uteruslöffel,
das wäre nicht höflich, die Hirnspatel
und den Leberhaken. Erst, wenn es weh tut,
in der Notaufnahme, vertrauen wir uns
mit geschlossenen Augen der Penisklemme,
dem Blutschöpfer an. Ja, dann!
Gebenedeit, heißt es, jetzt auf einmal,
seid ihr, Vulvaspreizer und Knochenraspel,
unsre einzige Hoffnung,
kurz vor der letzten Ölung.

 

Vrije tijd

Grasmaaier, zondag,
die de seconden maait
en het gras.

Er groeit gras
over het dode gras
dat over de doden is gegroeid.

Wie dat horen kon!

De maaier dreunt,
overstemt
het schreiende gras.

De vrije tijd vreet zich vet.
Wij bijten geduldig
in het frisse gras.

 

Vertaald door René Smeets


Hans Magnus Enzensberger (Kaufbeuren, 11 november 1929)

 

De Roemeense dichter en schrijver Mircea Dinescu werd geboren op 11 november 1950 in Slobozia. Zie ook alle tags voor Mircea Dinescu op dit blog.

The barbarians’ return

In the evening
when the Barbarians return from the West mounted on concepts,
sent as emissaries of huge salami factories,
don’t ask about their horses,
put out the fire
stuff your mouth with embers
fill your memory with ashes
and head for the Himalayas with your trumpet
cultivate avalanches
change your sex, name or Linnaean kingdom
mingle with a gaggle of geese
go honk-honk and seize
the moment – be an Eskimo
when the green ice-nerve in Antarctica
slowly relaxes
propose to the plump lascivious seal
lick honey from the federal administrator’s fingers
or simply stand meekly and listen to
the howl of the crude oil of the locomotive
giving birth in the middle of the field without a midwife
to a procession of tiny luminous creatures.

 

Nature’s democracy

In March dustbins explode
splattering the neorealist darkness
with flame-red cats.
The town boils below their greedy phosphorus
a kiss smelling saccharine like brimstone,
pregnant women might suddenly flow into the room
but for the heavy sandbags
grumbling in front of the TV
blowing into the eternal soup.
Swarms of butterflies slip under girls’ skirts
and my hand falls heavy with pollen.
A tiny thermoelectric generator installed in fools’ mouths
now reaches full productivity
(poor and lazy, I’m not the least afraid).
A child pisses on the church steeple
and God welcomes the warm jet
like a rheumatic heel that needs soothing.
A rotten potato tossed on the empty plot of ground
shows its little green penis
like a sign of nature’s democracy.


Mircea Dinescu (Slobozia, 11 november 1950)

 

De Mexicaanse dichter en schrijver Carlos Fuentes Macías werd geboren op 11 november 1928 in Panama-Stad. Carlos Fuentes overleed op de 15e mei van dit jaar. Zie ook alle tags voor Carlos Fuentes op dit blog.

Uit: The Years with Laura Diaz

“I got up early to take care of my business before the film team set up in front of Diego’s murals. It was 6 a.m. in the month of February. I expected darkness. I was ready for it. But its duration sapped my energy.
“If you want to do some shopping, if you want to go to a movie, the hotel limo can take you and pick you up,” they told me at the reception desk.
“But the center of town is only two blocks from here,” I answered, both surprised and annoyed.
“Then we can’t take any responsibility.” The receptionist gave me a practiced smile. His face wasn’t memorable.
If the guy only knew that I was going farther, much farther, than the center of town. Though I didn’t know it yet, I was going to reach the heart of this hell of desolation. Walking quickly, I left behind the cluster of skyscrapers arranged like a constellation of mirrors — a new medieval city protected against the attacks of barbarians — and it took me only ten or twelve blocks to get lost in a dark, burned-out wasteland of vacant lots pocked with scabs of garbage.
With each step I took — blindly, because it was still dark, because the only eye I had was my camera, because I was a modern Polyphemus with my right eye glued to the Leica’s viewfinder and my left eye closed, blind, with my left hand extended forward like a police dog, groping, tripping sometimes, other times sinking into something I could smell but not see — I was penetrating into a night that was not only persisting but being reborn. In Detroit, night was born from night.
I let the camera drop onto my chest for an instant, I felt the dull blow over my diaphragm — two diaphragms, mine and the Leica’s — and the sensation was repeated. What surrounded me was not the prolonged night of a winter dawn; it wasn’t, as my imagination would have me believe, a nascent darkness, disturbed companion of the day.
It was permanent darkness, the unexpected darkness of the city, its companion, its faithful mirror. All I had to do was turn right around and see myself in the center of a flat, gray lot, adorned here and there with puddles, fugitive paths traced by fearful feet, naked trees blacker than this landscape after a battle. In the distance, I could see spectral, broken-down Victorian houses with sagging roofs, crumbling chimneys, empty windows, bare porches, dilapidated doors, and, from time to time, the tender and immodest approach of a leafless tree to a grimy skylight. A rocking chair rocked, all by itself, creaking, reminding me, vaguely, of other times barely sensed in memory …”


Carlos Fuentes (11 november 1928 – 15 mei 2012)
Cover Mexicaanse uitgave

 

De Turks-Nederlandse schrijfster Nilgün Yerli werd op 11 november 1969 geboren in Kirsehir,Turkije. Zie ook allle tags voor Nilgün Yerli op dit blog.

Uit: De garnalenpelster

“Mijn moeder zei: ‘Ik begrijp dat je in de war bent, als we nu in Turkije woonden dan leefde je in één soort geloof en wanneer er maar één is van iets dan is er geen verwarring, maar zodra je kunt vergelijken komt er verwarring en een tijd om te kiezen.’
‘Moet ik dan kiezen voor een geloof?’
‘Kijk, er zijn vele geloven, maar er is maar één God, en dat zorgt er in ieder geval voor dat je niet verward daarover raakt.’
‘Maar als er maar één god is, waarom zijn er dan zoveel geloven?’
‘Er zijn toch ook zoveel soorten mensen.’
‘Ja, en dus?’
‘De kern en het uitgangspunt van bijna alle geloven is reinheid, puurheid, eerlijkheid, behulpzaamheid en dat er een God is. Maar ieder geloof heeft zijn eigen regels. Zo zijn er bij de islam vijf geboden: een bezoek naar Mekka, zekat: hulp aan de armen, vijf maal daags bidden, vasten in de vastenmaand en geloven in een God de almachtige.’
‘Ja, en geen varkensvlees eten, en vrouwen moeten een hoofddoek op, en mannen moeten besneden worden, en vrouwen mogen niks, en geen alcohol drinken, je zegt wel dat er maar vijf geboden zijn maar er zijn honderden andere regels die er nog bijkomen.’
Mijn moeder glimlachte, en als zij glimlachte dan leek dat een zon die scheen op een grauwe dag. […] Zij wist alles in mijn ogen.
‘Luister, je bent nog maar tien jaar. Toen ik zo oud was als jij, had ik deze vragen ook en ik ging naar mijn vader. […] Om te beginnen hoefde ik helemaal geen hoofddoek op als ik dat niet wilde, daar kwam bij, dat het alles met de interpretatie van de koran had te maken.’

 
Nilgün Yerli (Kirsehir, 11 november 1969)
Cover

 

De Italiaanse schrijver Luigi Malerba werd geboren op 11 november 1927 in Berceto. Zie ook alle tags voor Luigi Malerba op dit blog.

Uit: Uit het dagboek van een dromer (Vertaald door F.J.P. Verbrugge)

“Rome, 10-11 januari
Tegen de heuvel is iets ergs gebeurd, een spoorwegongeluk misschien. Midden door dorre takken heen klim ik omhoog, met grote moeite. Er liggen lichamen op de grond, verminkt, verbrand, even beneden de spoorlijn waarop nu in zijn eentje een goederenwagon aan komt rijden die stopt op de plaats van het ongeluk. De wagon lijkt onecht, van karton. Uit de warhoop van verminkte lichamen richten zijn twee gestalten op: een vrouw, in het donker gekleed, mager, jong van lichaam, met een verbrande stomp op de plaats van het hoofd; en zij verwijdert zich samen met een man, eveneens met een hoofd dat veranderd is in een vormeloze klomp kool. Ik identificeer me met de man, ik bèn de man met het verkoolde hoofd, en ik spoor de vrouw aan om naar een plaats niet veraf te gaan waar iets aan de hand is wat ons aangaat. De weg is niet lang, maar zwaar en ongewis door de toestand van de twee, die struikelen over de stenen, elkaar beurtelings op de been houden terwijl ze zigzag voortgaan, en het pad, dat over woest terrein loopt, kwijtraken en weer terugvinden. Tenslotte komen de twee aan (wij komen aan) op een open plek, beschut door dicht en hoog struikgewas. De jonge vrouw zonder hoofd strekt zich uit in het gras, volkomen uitgeput. Ze ademt moeizaam, ze is duidelijk aan het einde van haar krachten. Nu komt er een onheilspellende figuur met een bijl in de hand, een soort groffe, ruige boerenkerel, en zonder een moment te verliezen haalt hij uit en slaat het blad van de bijl diep in de zij van de vrouw. Het probleem van het doden van de vrouw, een daad die niet gesteld had kunnen worden als de vrouw eerder gestorven was, lijkt opgelost. Helaas is het nu míjn beurt. Op dit punt word ik wakker.”


Luigi Malerba (11 november 1927 – 8 mei 2008)

 

De Amerikaanse dichter en essayist William Procter Matthews III werd geboren op 11 november 1942 in Cincinnati, Ohio. Zie ook alle tags voor William Matthews op dit blog.

The Bear at the Dump

Amidst the too much that we buy and throw
away and the far too much we wrap it in,
the bear found a few items of special
interest—a honeydew rind, a used tampon,
the bone from a leg of lamb. He’d rock back
lightly onto his rear paws and slash
open a plastic bag, and then his nose—
jammed almost with a surfeit of rank
and likely information, for he would pause—
and then his whole dowsing snout would
insinuate itself a little way
inside. By now he’d have hunched his weight
forward slightly, and then he’d snatch it back,
trailed by some tidbit in his teeth. He’d look
around. What a good boy am he.
The guardian of the dump was used
to this and not amused. “He’ll drag that shit
every which damn way,” he grumbled
who’d dozed and scraped a pit to keep that shit
where the town paid to contain it.
The others of us looked and looked. “City
folks like you don’t get to see this often,”
one year-round resident accused me.
Some winter I’ll bring him down to learn
to love a rat working a length of subway
track. “Nope,” I replied. Just then the bear
decamped for the woods with a marl of grease
and slather in his mouth and on his snout,
picking up speed, not cute (nor had he been
cute before, slavering with greed, his weight
all sunk to his seated rump and his nose stuck
up to sift the rich and fetid air, shaped
like a huge, furry pear), but richly
fed on the slow-simmering dump, and gone
into the bug-thick woods and anecdote.

 

Bedtime

Usually I stay up late, my time
alone. Tonight at 9o I can tell
I’m only awake long enough
to put my sons to bed.
When I start to turn off lights
the boys are puzzled. They’re used
to entering sleep by ceding to me
their hum and fizz, the way they give me
50¢ to hold so they can play
without money. I’m their night-light.
I’m the bread baked while they sleep.
And I can scarcely stand up, dry
in the mouth and dizzied
by fatigue. From our rooms
we call back and forth the worn
magic of our passwords and let one
another go. In the morning Sebastian
asks who was the last to fall
asleep and none of us cares or knows.

 
William Matthews (11 november 1942 – 12 november 1997)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e november ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Christina Guirlande, Andreas Reimann, Kurt Vonnegut, Noah Gordon, Louis de Bougainville

De Belgische dichteres en schrijfster Christina Guirlande werd als Godelieve De Beule geboren te Moerzeke bij Dendermonde op 11 november 1938. Zie ook alle tags voor Christina Guirlande op dit blog.

Het geheugen van water

Hier stond ooit een kind bij het veer
in een eerder leven, op deze
eigenste plek. De dijken waren
hoog als bergen, het water
stroom én oceaan. Tussen de oevers
pendelde de veerboot op de Styx.
Je hoefde voor de tocht niet
te betalen, de veerman had
een eindeloos geduld.

Het kind dat nu hier staat heeft
uur na uur de tol vergaard in
hongerwinters, afscheidswoorden,
morgens van tule, huisvrede,
broodkruimels, moederwonden.
Als de veerman komt wordt
de som gemaakt, bestaat haar naam
in het taaie geheugen van water.

 

Verzwegen gedicht I

Hij bracht de geur mee van het hout
dat hij die dag bewerkte, in zijn haar
hier en daar nog spaanders, in zijn ogen
de donkerte van verre wouden.
Hij sprak zo goed als nooit, alleen maar
het noodzakelijkste toen een blik
niet kon volstaan. Wij vreesden
en vereerden hem als God,

bleven in onze kleine woorden steken, hielden
de adem in wanneer hij met vereelte
duim ons voorhoofd merkte voor de nacht.
Wij luisterden gespannen naar de stilte
daar beneden, en sliepen met de glimlach in
bij het gedroomde zingen van hààr stem.

 
Christina Guirlande (Moerzeke, 11 november 1938)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Andreas Reimann werd geboren in Leipzig op 11 november 1946. Zie ook alle tags voor Andrea Reimann op dit blog.

Arche der Dinge

Zu paaren traben nach den kakerlaken
die autos in die arche, cola-dosen
nebst plastik-tüten und silastik-hosen.
Aus kinderzimmern kriechen gummi-kraken
behende auf das deck, recorder beaten,
um einlaß bittend. Spuckende computer
verdrängen noah hackerisch vom ruder.
Das bier büchst aus, die einweg-flaschen mieten
als deponie sich das ge-fährschiff an.
Und treibt aus einer planke auch ein reis:
Ist es gerecht, o herr, daß du uns schonst?
Die gülle steigt. Hebt so nur ab der kahn?
O herr, verzeih mir, daß ich ahnend weiß:
Die sintflut kostet viel. Und ist umsonst.

 

Stanzen

Gehe ich beizeiten, werd ich bleiben.
Stirbt durch nähe eine sehnsucht ab,
könnt ich mich durchs beisein nur vertreiben:
nie besitz ich die, die sich ergab.
Also muß ich sparsam mich verschreiben,
mich vergeben so, wie ich vergab:
mit bedacht. Das ganze stück für stück.

weil ich stürme, halt ich mich zurück.
Weil ich donnre, fliehe ich beklommen,
wenn ich höre, daß ich lauter werd.
So versichert auf ein wiederkommen,
bleibe ich vom abschied unversehrt,
schenk mich fort, und werd mir nicht genommen,
unbeschwert, daß ihr euch nicht beschwert:
ach, der rock bedrückt noch stets das hemd.
Nur die nähe macht die nächsten fremd.

 
Andreas Reimann (Leipzig, 11 november 1946)

 

De Amerikaanse schrijver en schilder Kurt Vonnegut werd op 11 november 1922 geboren in Indianapolis. Zie ook alle tags voor Kurt Vonnegut op dit blog.

Uit: Mother Night

“Ancient history.
I am surrounded by ancient history. Though the jail in which I rot is new, some of the stones in it, I’m told, were cut in the time of King Solomon.
And sometimes, when I look out through my cell window at the gay and brassy youth of the infant Republic of Israel, I feel that I and my war crimes are as ancient as Solomon’s old gray stones.
How long ago that war, that Second World War, was! How long ago the crimes in it!
How nearly forgotten it is, even by the Jews–the young Jews, that is.
One of the Jews who guards me here knows nothing about that war. He is not interested. His name is Arnold Marx. He has very red hair. He is only eighteen, which means Arnold was three when Hitler died, and nonexistent when my career as a war criminal began.
He guards me from six in the morning until noon.
Arnold was born in Israel. He has never been outside of Israel.
His mother and father left Germany in the early thirties. His grandfather, he told me, won an Iron Cross in the First World War.
Arnold is studying to be a lawyer. The avocation of Arnold and of his father, a gunsmith, is archaeology. Father and son spend most all their spare time excavating the ruins of Hazor. They do so under the direction of Yigael Yadin, who was Chief of Staff of the Israeli Army during the war with the Arab States.
So be it.
Hazor, Arnold tells me, was a Canaanite city in northern Palestine that existed at least nineteen hundred years before Christ. About fourteen hundred years before Christ, Arnold tells me, an Israelite army captured Hazor, killed all forty thousand inhabitants, and burned it down.
“Solomon rebuilt the city,” said Arnold, “but in 732 B.C. Tiglath-pileser the Third burned it down again.”
“Who?” I said.
“Tiglath-pileser the Third,” said Arnold. “The Assyrian,” he said, giving my memory a nudge.
“Oh,” I said. “That Tiglath-pileser.”
“You act as though you never heard of him,” said Arnold.
“I never have,” I said. I shrugged humbly. “I guess that’s pretty terrible.”
“Well–” said Arnold, giving me a schoolmaster’s frown, “it seems to me he really is somebody everybody ought to know about He was probably the most remarkable man the Assyrians ever produced.”

 
Kurt Vonnegut (11 november 1922 – 11 april 2007)

 

De Amerikaanse schrijver Noah Gordon werd geboren op 11 november 1926 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Noag Gordon op dit blog.

Uit: The Physician

“He nodded.
“She’s taken labor bad. She’s in Egglestan’s stables close by Puddle Dock. You’d best find your father and tell him,” the woman said, and went away.
The boy looked about desperately. “Samuel!” he shouted, but bloody Samuel was off who-knows-where, as usual, and Rob fetched William and Anne Mary from their play. “Take care of the small ones, Willum,” he said. Then he left the house and started to run.
Those who may be depended upon to prattle said Anno Domini 1021, the year of Agnes Cole’s eighth pregnancy, belonged to Satan. It had been marked by calamities to people and monstrosities of nature. The previous autumn the harvest in the fields had been blighted by hard frosts that froze rivers. There were rains such as never before, and with the rapid thaw a high tide ran up the Thames and tore away bridges and homes. Stars fell, streaming light down windy winter skies, and a comet was seen. In February the earth distinctly quaked. Lightning struck the head off a crucifix and men muttered that Christ and his saints slept. It was rumored that for three days a spring had flowed with blood, and travelers reported the Devil appearing in woods and secret places.
Agnes had told her eldest son not to pay heed to the talk. But she had added uneasily that if Rob J. saw or heard anything unusual, he must make the sign of the Cross.
People were placing a heavy burden on God that year, for the crop failure had brought hard times. Nathanael had earned no pay for more than four months and was kept by his wife’s ability to create fine embroideries.
When they were newly wed, she and Nathanael had been sick with love and very confident of their future; it had been his plan to become wealthy as a contractor-builder. But promotion was slow within the carpenters’ guild, at the hands of examination committees who scrutinized test projects as if each piece of work were meant for the King. He had spent six years as Apprentice Carpenter and twice that long as Companion Joiner. By now he should have been an aspirant for Master Carpenter, the professional classification needed to become a contractor. But the process of becoming a Master took energy and prosperous times, and he was too dispirited to try.
Their lives continued to revolve around the trade guild, but now even the London Corporation of Carpenters failed them, for each morning Nathanael reported to the guild house only to learn there were no jobs. With other hopeless men he sought escape in a brew they called pigment: one of the carpenters would produce honey, someone else brought out a few spices, and the Corporation always had a jug of wine at hand.”


Noah Gordon (Worcester, 11 november 1926)

 

De Franse schrijver, ontdekkingsreiziger, wereldreiziger en militair Louis Antoine de Bougainville werd geboren in Parijs op 11 november 1729. Zie ook alle tags voor Louis de Bougainville op dit blog.

Uit: Voyage autour du monde

“On voit que de ces treize voyages autour du monde aucun n’appartient à la nation française, et que six seulement ont été faits avec l’esprit de découverte; savoir, ceux de Magellan, de Drake, de Lemaire, de Roggewin, de Byron et de Wallas; les autres navigateurs, qui n’avaient pour objet que de s’enrichir par les courses sur les Espagnols, ont suivi des routes connues sans étendre la connaissance du globe.
En 1714, un Français, nommé La Barbinais le Gentil, était parti sur un vaisseau particulier, pour aller faire le commerce sur les côtes du Chili et du Pérou. De là, il se rendit en Chine où, après avoir séjourné près d’un an dans divers comptoirs, il s’embarqua sur un autre bâtiment que celui qui l’y avait amené, et revint en Europe, ayant à la vérité fait de sa personne le tour du monde, mais sans qu’on puisse dire que ce soit un voyage autour du monde fait par la nation française.
Parlons maintenant de ceux qui, partant soit d’Europe, soit des côtes occidentales de l’Amérique méridionale, soit des Indes orientales, ont fait des découvertes dans la mer du Sud, sans avoir fait le tour du monde.
Il paraît que c’est un Français, Paulmier de Gonneville, qui a fait les premières en 1503 et 1504; on ignore où sont situées les terres auxquelles il a abordé, et dont il a ramené un habitant, que le gouvernement n’a point renvoyé dans sa patrie, mais auquel Gonneville, se croyant alors personnellement engagé envers lui, a fait épouser son héritière.
Alfonse de Salazar, Espagnol, découvrit en 1525 l’île Saint-Barthélemy, à quatorze degrés de latitude nord, et environ cent cinquante-huit degrés de longitude à l’est de Paris.
Alvar de Saavedra, parti d’un port du Mexique en 1526, découvrit, entre le neuvième et le onzième parallèle nord, un amas d’îles qu’il nomma les îles des Rois, à peu près par la même longitude que l’île Saint-Barthélemy; il se rendit ensuite aux Philippines et aux Moluques; et, en revenant au Mexique, il eut le premier connaissance des îles ou terres nommées Nouvelle-Guinée et Terres des Papous. Il découvrit encore par douze degrés nord, environ à quatre-vingts lieues dans l’est des îles des Rois, une suite d’îles basses, nommées les îles des Barbus.”


Louis de Bougainville (11 november 1729 – 20 augustus 1811)

Het penningske der weduwe (P. A. de Génestet)

Bij de 32e zondag door het jaar

 

 
The Widow’s Mite door William Teulon Blandford Fletcher, 1890

 

Het penningske der weduwe
Markus XII 41- 44

Al wanklend kwam zij aangetreden,
De zwakke vrouw, wier minnend hart
Nog bloedde van de versche smart;
Want, ach, het was zoo kort geleden
Sinds haar een trouwe gade ontviel,
De vreugd eens der gebogen ziel.
Met wien ze, ootmoedig en tevreden,
Het zuur verdiend maar daaglijksch brood,
Gekruid door lofzang en gebeden,
In vroomheid, liefde en vreê genoot.

En nu? die staf en steun in ’t leven,
Haar alles was haar zijde ontroofd,
Haar was alleen de zorg gebleven –
En biddend boog de vrome ’t hoofd.
Want zwijgend in Zijn welbehagen,
Die kracht geeft om Zijn last te dragen,
Bleef haar, te midden van dien rouw,
Een burg, een tent van schaûwrijk lover,
Een schat, een heilig erfdeel over
’t Was Isrels God, Jehovah’s trouw.

O wèl haar, –wie Uw liefde sterkte,
Gij Man der weduw, vriendlijk God!
Die wondren in haar ziele werkte
Bij al den weedom van haar lot.
Tot U rees in Uw tempelhoven,
Haar nooddruft brengende U ter eer,
Het loflied van haar ziel naar boven:
„Hoe lieflijk is Uw woning, Heer!”
Want zij was één dier warmbezielden,
Dier heugen uit den ouden stam,
Die voor hun God Jehova knielden!
In ’t heilgeloof van Abraham!

Ook nu had ze in den heilgen tempel
Weer troost gezocht, bij ’t koestrend licht
Van ’s Heeren lieflijk aangezicht;
Slechts bij ’t verlaten van Zijn drempel
Bleef nog een dierbre liefdeplicht: –
En zie, met neergeslagen oogen,
Beschaamd, verlegen, ’t hoofd gebogen
Voor Hem, die al haar nooden wist,
Wierp ze alles, wat haar restte in ’t leven,
– Verzuchtende of zij meer kon geven!
Haar penningske in Zijn offerkist.

Geen Farizeeuw of Schriftgeleerde,
Die luid Jehovah’s naam vereende,
Wien onder ’t breedgezoomde kleed
Een hart sloeg, deelende in haar leed.
Te nietig was ze in ’t oog dier grooten,
Die de armen uit Gods hemel sloten
Geen, die een vniendljk woord haar schonk,
Geen blik, die tot haar nederzonk….
Maar ’t penningske was niet verloren!
Wat kleen en arm was en veracht
In de oogen van een dwaas geslacht,
Dat kleene heeft zich God verkoren.
En Die ’t getuigde, vrouw, is dáár!
Hij rijst in ’t midden van de schaar,
Uw offer heeft genaê verkregen!
Zijn stem, o zaalge, klinkt u tegen,
En ’t woord is eeuwig, trouw en waar;

„Voorwaar, Ik zeg u, de enkle penning
Van deze weduwvrouw geldt meer,
In ’t heilig oog van d’ Opperheer,
Bij wien geen maat is of miskenning.
Dan ’t geen heel de offerkist bevat,
O rijken, van uw trotschen schat!
Den overvloed is veel gebleven,
Maar deze heeft, in God verblijd,
Haar laatste nooddruft Hem gewijd….”

En de englen hebben ’t opgeschreven
In ’t heilig Boek van ’t eeuwig leven,
Ga, vrouw, u wacht een heerlijk loon:
„Dien penning hebt gij Mij gegeven,”
Verklaart Gods eenig groote Zoon.

 


P. A. de Génestet (21 november 1829 – 2 juli 1861)
De Génestetkerk in Delft, waar de dichter als dominee werkte

 

Zie voor de schrijvers van de 11e november ook mijn volgende twee blogs van vandaag.