Truman Capote, Hendrik Marsman, Willem G. van Maanen, Wilfried de Jong, Elie Wiesel, Henk Spaan

De Amerikaanse schrijver Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Zie ook alle tags voor Truman Capote op dit blog.

Uit: Parting Of The Way (The Early Stories of Truman Capote)

“Yes, it does, I’ve got it all figured out. The train fare will cost me five bucks, and I want to get a new suit for about three bucks, then I want to git Ma somethin’ pretty for about a dollar or so; and I figure my food will cost a buck. I want to git lookin’ decent. Ma an’ them don’t know I been bummin’ around the country for the last two years; they think I’m a traveling salesman — that’s what I wrote them; they think I’m just coming home now to stay a while afore I start out on a little trip somewhere.”
“I ought to take that money off you — I’m mighty hungry — I might take that piece of change.”
Tim stood up, defiant. His weak, frail body was a joke compared to the bulging muscles of Jake. Jake looked at him and laughed. He leaned back against a tree and roared.
“Ain’t you a pretty somethin’? I’d jes’ twist that mess of bones you call yourself. Jes’ break every bone in your body, only you been pretty good for me — stealin’ stuff for me an’ the likes of that — so I’ll let you keep your pin money.” He laughed again. Tim looked at him suspiciously and sat back down on a rock.
Jake took two tin plates from a sack, put three strips of the rancid bacon on his plate and one on Tim’s. Tim looked at him.
“Where is my other piece? There were four strips. You’re supposed to get two an’ me two. Where is my other piece?” he demanded.
Jake looked at him. “I thought you said that you didn’t want any of this rancid meat.” Putting his hands on his hips he said the last eight words in a high, sarcastic, feminine voice.
Tim remembered, he had said that, but he was hungry, hungry and cold.
“I don’t care. I want my other piece. I’m hungry. I could eat just about anything. Come on, Jake, gimme my other piece.”
Jake laughed and stuck all the three pieces in his mouth.
Not another word was spoken. Tim went sulkily over in a corner, and, reaching out from where he was sitting, he gathered pine twigs, neatly laying them along the ground. Finally, when this job was finished, he could stand the strained silence no longer.”

 
Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist. Zie ook alle tags voor Hendrik Marsman op dit blog.

Dies irae

Neergedwongen in de lage zeden
van een sombren godvergeten tijd
gaan wij schichtig om tussen de beesten
dien wij langzaam zijn ten prooi bereid.

Zie, ons leven in de zwarte kuilen
onder roet en regen van den nacht,
is nog slechts de echo van hun huilen
dat het uur van zijn voldoening wacht.

Éne horde, schijnbaar in twee kampen,
opgejaagd en weer belust op bloed,
hunkrend naar de pijn van sterke rampen,
en het leven van den geest verbloedt.

O, de woede, machtloos tot de tanden
bloot te staan aan dit grauw vagevuur!
Wanneer zal dit Babel dan verbranden
van de schachten tot het zwart azuur?

Wanneer zal de horizon weer lichten
met dien smallen gloorstreep onzer hoop?
Zij behoeft geen grootse vergezichten
om zich op te richten uit den dood;

laat één ster, een onaanzienlijk teken
flonkren boven de rampzaligheid
en opnieuw geloven wij in streken
voorbij ’t moeras van dezen lagen tijd.

 

De bruid

Ik dacht dat ik geboren was voor verdriet

en nu ben ik opeens een lied
aan ’t worden, fluisterend door het ijle morgenriet.
Nu smelt ik weg en voel mij openstromen
naar alle verten van den horizon,
maar ik weet niet
meer waar mijn loop begon.

De schaduwen van blinkend witte wolken
bespelen mij en overzeilen mij;
en scholen zilvren vissen bevolken
mijne diepte en bliksemend voel ik ze mij
doorschichten en mijne wateren alom doorkruisen
en in mijn lissen vluchten

zij zijn mijn kind’ren en mijn liefste dromen

ik ben nu volgegoten met geluk.
De tranen die ik schreide en de zuchten
zie ik vervluchtigen tot regenbogen
die van mijn ogen springen naar de zon.

Waar zijn de bergen van den horizon?

Ik zie ze niet

 
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)
Cover van een bundel met Engelse vertalingen uit 2015

 

De Nederlandse schrijver Willem Gustaaf (Willem G.) van Maanen werd geboren in Kampen op 30 september 1920. Zie ook alle tags voor Willem G. van Maanen op dit blog.

Uit: Heb lief en zie niet om

“Buiten nam het geweld van de oorlog toe, ik verliet het bed waarin Sarah zich van me had afgewend en liep naar de voorkamer. In een portiek aan de overkant hadden zich twee soldaten van eigen bodem verscholen, het geweer op mijn voordeur gericht. Ze zagen er zo manhaftig uit dat ik niet twijfelde aan de executie van wie mijn huis door die deur zou verlaten. Ik zegende de herroeping van mijn besluit Sarah de verlangde vrijheid te geven. Mijn buurjongen stormde naar buiten, danste voor de soldaten heen en weer om zichzelf en hen te vermaken. Ze volstonden ermee met hun wapen te zwaaien, het maakte niet de vereiste indruk, hij lijfde hen in als deelnemers aan zijn spel. Ik opende het raam op een kier en hoorde hem roepen dat hij niet naar school hoefde omdat het oorlog was en de meester al doodgeschoten. Die kleine domme Sally, voor mijn ogen besloot hij zijn dans en zijn nauwelijks begonnen leven, en op een haar na het mijne. In zijn overmoed greep hij het geweer van een van de soldaten, het schot ging af, de kogel sloeg rakelings langs mijn hoofd door het raam, de andere held, gehoorzamend aan een bevel uit het onbewuste, een voorwaardelijke reflex, leegde een seconde later ook zijn wapen en maakte zijn eerste dode. Ik schreeuwde iets, ijlde de trap af, vloog tussen de met stomheid geslagen menigte naar de plek van het drama, die de daders met achterlating van hun slachtoffer waren ontvlucht. Was hij, stervend, op eigen kracht naar de portiek gekropen of hadden ze hem er nog heen gesleept? Bloed welde uit zijn keel, zijn ogen braken toen ik me over hem heenboog en hem opnam, ik kon geen woord uitbrengen toen ik hem in het buurhuis aan Judith, zijn moeder, overhandigde, en toneel was het niet. Ik wist nooit meer het beeld te zullen kwijtraken van de vrouw die mij aankeek alsof ik de moordenaar was, zwijgend haar kind aannam en haar lippen op zijn bebloede keel drukte, en dat ik nooit meer het geluid zou vergeten van haar kreet toen ze de deur met haar voet had dichtgetrapt en het huis was binnengegaan, een langgerekte, huiveringwekkende klacht die niet uit een menselijke mond kon zijn gekomen, maar rechtstreeks opsteeg uit het dodenrijk.”
Terug in eigen huis merkte ik, voelde ik, dat Sarah was verdwenen. Het bed was leeg, in de openstaande kast miste ik haar koffertje, vluchtkoffertje zoals ze het noemde, op welk noodlot ook voorbereid. Over de inhoud deed ze niet geheimzinnig: haar dierbaarste sieraden, wat kleren en ondergoed, en het manuscript van de vertaling waaraan ze werkte, de nieuwste roman van Hermann Kesten, Die Kinder von Gernika. Ik vond geen afscheidsbrief, ze was in stilte vertrokken, gebruikmakend van de verwarring op straat, of ontsnapt door de achtertuin, een huzarenstukje omdat er geen uitgang was en ze over een schutting met prikkeldraad had moeten klimmen. Nu ja, de liefde geeft vleugels.”


Willem G. van Maanen (30 september 1920 – 17 augustus 2012)

 

De Nederlandse theatermaker, tv-presentator, acteur en schrijver Wilfried de Jong werd geboren in Rotterdam op 30 september 1957. Zie ook alle tags voor Wilfried de Jong op dit blog.

Uit: Kop in de wind

“Als ik omkeerde en afdaalde naar mijn hotel, zou ik anderhalf uur later onder de douche staan en zat ik voor het diner nog met een biertje op het terras. Maar goed, ik had mezelf vandaag een doel gesteld: de top bereiken van l’Homme Mort. Ik liep om het huis heen en zocht naar een tappunt voor wa-ter. De azuurblauwe luiken voor de ramen waren dicht Tegen de buitenmuur stonden keurig bijgehouden bakken met bloeiende tijm en lavendeL Nergens een kraan. Ik deed mijn helm af en hing hem aan het stuur. Voor de deur hingen plastic slierten die moesten verhinderen dat er ongedierte naar binnen vloog. Langzaam duwde ik met mijn hoofd de slierten opzij. bonjour?’ Mijn ogen moesten wennen aan het donker. Het rook weeïg. Naar vochtig beddengoed. Ik deed een paar passen naar binnen. Het huis bestond uit één ruimte. In de hoek stond een eenpersoonsbed met een rom-melig laken erop. In het midden van de ruimte zag ik een ronde metalen terrastafel, met twee plastic stoelen. Tegen een muur was een formica keukenblok geplaatst. Met een kraan, gelukkig. Ik ontwaarde steeds meer details. Aan de linkermuur hing een oude schoolkaart van Frankrijk. Met potlood waren er rou-tes op getekend. Naast de kaart hingen eenvoudige schilderijen van bergtoppen, soms bedolven onder een laag sneeuw, soms in de zon. De muur achter het bed was van boven tot onder gevuld met foto’s van wielrenners. Terwijl mijn knieën op het matras steun-den, keek ik wie het waren. De foto’s waren haastig geknipt en gescheurd uit tijdschriften. Ik herkende het logo van Paris Match. Op de frames van de fietsen en de bezwete gezichten zag je de reflectie van de zon. Het blauw van de luchten was het blauw uit mijn jeugd: helder, stralend. De wand was een ode aan beroemde klimmers. Ik herkende de koppen op de meeste foto’s: Bahamontes, Indurain, Bartab, Pingeon, Hinault, Simpson, Coppi, Zoetemelk, Pantani, Arm-strong, Fuente, Heerera.”

 
Wilfried de Jong (Rotterdam, 30 september 1957)

 

De Joods-Roemeens-Frans-Amerikaanse schrijver Elie Wiesel werd geboren op 30 september 1928 in Sighet (nu Sighetu Marmaţiei), Roemenië. Zie ook alle tags voor Elie Wiesel op dit blog.

Uit: Night

“That is why everywhere in Russia, in the Ukraine, and in Lithuania, the Einsatzgruppen carried out the Final Solution by turning their machine guns on more than a million Jews, men, women, and children, and throwing them into huge mass graves, dug just moments before by the victims themselves. Special units would then disinter the corpses and burn them. Thus, for the first time in history, Jews were not only killed twice but denied burial in a cemetery.
It is obvious that the war which Hitler and his accomplices waged was a war not only against Jewish men, women, and children, but also against Jewish religion, Jewish culture, Jewish tradition, therefore Jewish memory.
CONVINCED THAT THIS PERIOD in history would be judged one day, I knew that I must bear witness. I also knew that, while I had many things to say, I did not have the words to say them.
Painfully aware of my limitations, I watched helplessly as language became an obstacle. It became clear that it would be necessary to invent a new language. But how was one to rehabilitate and transform words betrayed and perverted by the enemy?
Hunger—thirst—fear—transport—selection—fire—chimney: these words all have intrinsic meaning, but in those times, they meant something else. Writing in my mother tongue — at that point close to extinction — I would pause at every sentence, and start over and over again. I would conjure up other verbs, other images, other silent cries. It still was not right. But what exactly was “it”? “It” was something elusive, darkly shrouded for fear of being usurped, profaned. All the dictionary had to offer seemed meager, pale, lifeless. Was there a way to describe the last journey in sealed cattle cars, the last voyage toward the unknown? Or the discovery of a demented and glacial universe where to be inhuman was human, where disciplined, educated men in uniform came to kill, and innocent children and weary old men came to die? Or the countless separations on a single fiery night, the tearing apart of entire families, entire communities? Or, incredibly, the vanishing of a beautiful, well-behaved little Jewish girl with golden hair and a sad smile, murdered with her mother the very night of their arrival?
How was one to speak of them without trembling and a heart broken for all eternity?”

 
Elie Wiesel (30 september 1928 – 2 juli 2016)

 

De Nederlandse (gelegenheids-)dichter, schrijver, (sport)journalist, televisiepresentator en columnist Henk Spaan werd geboren in Heerhugowaard op 30 september 1948. Zie ook alle tags voor Henk Spaan op dit blog.

Uit: Alle dagen voetbal

“Iedereen weet alles van iedereen, het maakt niet uit op welke school ze zitten in het centrum van Amsterdam. Het moet tegelijkertijd geborgenheid bieden en benauwend zijn. Sophie zegt al heel lang dat ze vast en zeker in het buitenland gaat studeren. Dat is altijd een abstractie geweest, maar komt nu met het korter worden van de dagen steeds dichterbij. Behalve met de speeltijd bemoeien Pelle en ik ons drastisch met de tactiek. Het ouderwetse 4-3-3 zetten we om in 4-4-2, met onze beste speelster Maud ‘op tien’. Het werkt. Na rust krijgen we nog maar één goal tegen. Julia mist twee grote kansen. Door het vlaggen verlies ik liters zweet. Het wordt allengs stiller op het sportpark. Alle andere velden zijn al leeg. Boven het dak van het VU-ziekenhuis zakt de zon steeds verder, in tegenstelling tot de ene na de andere traumahelikopter die nijdig zoemend opstijgt, op zoek naar slachtoffers. Wander fluit op tijd af Ik bedank hem expliciet voor zijn komst. Eerder die dag was hij op de begrafenis van Ewouds 27-jarige broer, een manisch-depressieve jongen die zelfmoord heeft gepleegd.

17 september

Ik zie Arsenal in Manchester met 0-1 winnen van United en stuur een felicitatiemailtje naar Arsenal-fanaat Nick Hornby. Hij mailt terug dat telkens wanneer hij zijn vertrouwen in Wenger, Arsenals coach, dreigt te verliezen, deze er snel voor zorgt dat hij zich erg dom voelt. Arsenal speelde goed. Fábregas is met zijn achttien jaar veel beter dan Scholes die over de dertig en fysiek op zijn retour is.
’s Avonds zit ik tijdens een diner naast Henna Draaibaar, de correspondente van de NOS in Suriname. Ik vraag hoe het ervoor staat met het door Clarence Seedorf gebouwde stadion. `Er komt nooit iemand. Het ligt te ver buiten Paramaribo. Ik heb de vader van Clarence daar al twee jaar niet gezien. Kennelijk is de aandacht voor het speeltje alweer verflauwd,’ zegt ze. `Clarence maakte vandaag wel een mooi doelpunt tegen Parma, uit een vrije trap!’ zeg ik.”

 
Henk Spaan (Heerhugowaard, 30 september 1948)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Roemi, Zhang Ailing, Edzard Schaper, Hermann Sudermann, Ferdinand von Saar, Jurek Becker

De Perzische dichter en soefistisch mysticus Jalal ad-Din Rumi (of Roemi) werd geboren op 30 september 1207 in Balkh. Zie ook alle tags voor Roemi op dit blog.

Uit: Masnavi VI

Zoek God in verootmoediging en zelfuitdoving,
want het denken brengt niets dan vormen voort.
En als je nergens troost vindt dan in vorm,
is de vorm die onwillekeurig bij je opkomt de beste.

Stel, het betreft een stad waarheen je je begeeft,
je wordt er in je afhankelijkheid naar toegetrokken
door een vormloos gevoel van verwachting.

Je begeeft je dus eigenlijk naar iets wat geen plaats heeft,
want je ergens op verheugen is iets anders dan tijd en plaats.

Stel, het betreft een vriend naar wie je toe gaat,
je gaat niet naar hem toe om zijn uiterlijke vorm,
maar om van zijn gezelschap te genieten.

Je begeeft je dus,
hoewel je je er niet van bewust bent
dat dit het doel is van je reis,
eigenlijk naar de vormloze wereld.

God wordt dus in werkelijkheid door allen aanbeden,
want bij reizen gaat het altijd om het plezier,
en daarvan is Hij de bron.


Roemi (30 september 1207 – 17 december 1273)
 

De Chinese schrijfster en scenariste Zhang Ailing (ook wel Eileen Chang) werd geboren op 30 september 1920 in Shanghai. Zie ook alle tags voor Zhang Ailing op dit blog.

Uit: Lust, Caution

“Though it was still daylight, the hot lamp was shining full-beam over the mahjong table. Diamond rings flashed under its glare as their wearers clacked and reshuffled their tiles. The tablecloth, tied down over the table legs, stretched out into a sleek plain of blinding white. The harsh artificial light silhouetted to full advantage the generous curve of Chia-chih’s bosom, and laid bare the elegant lines of her hexagonal face, its beauty somehow accentuated by the imperfectly narrow forehead, by the careless, framing wisps of hair. Her makeup was understated, except for the glossily rouged arcs of her lips. Her hair she had pinned nonchalantly back from her face, then allowed to hang down to her shoulders. Her sleeveless cheongsam of electric blue moire satin reached to the knees, its shallow, rounded collar standing only half an inch tall, in the Western style. A brooch fixed to the collar matched her diamond-studded sapphire button earrings.The two ladies–tai-tais–immediately to her left and right were both wearing black wool capes, each held fast at the neck by a heavy double gold chain that snaked out from beneath the cloak’s turned-down collar. Isolated from the rest of the world by Japanese occupation, Shanghai had elaborated a few native fashions. Thanks to the extravagantly inflated price of gold in the occupied territories, gold chains as thick as these were now fabulously expensive. But somehow, functionally worn in place of a collar button, they managed to avoid the taint of vulgar ostentation, thereby offering their owners the perfect pretext for parading their wealth on excursions about the city. For these excellent reasons, the cape and gold chain had become the favored uniform of the wives of officials serving in Wang Ching-wei’s puppet government. Or perhaps they were following the lead of Chungking, the Chinese Nationalist regime’s wartime capital, where black cloaks were very much in vogue among the elegant ladies of the political glitterati.Yee Tai-tai was chez elle, so she had dispensed with her own cape; but even without it, her figure still seemed to bell outward from her neck, with all the weight the years had put on her. She’d met Chia-chih two years earlier in Hong Kong, after she and her husband had left Chungking–and the Nationalist government–together with Wang Ching-wei.”

 
Zhang Ailing (30 september 1920 – 8 september 1995)
Cover

 

De Duitse schrijver en vertaler Edzard Schaper werd geboren 30 september 1908 in Ostrowo in de provincie Posen. Zie ook alle tags voor Edzard Schaper op dit blog.

Uit: Die Legende vom vierten König

“Als das Jesuskind in Bethlehem geboren werden sollte, erschien der Stern, der seine Geburt anzeigte, nicht nur den weisen Königen im Morgenlande, sondern auch einem König im weiten Rußland. Es war kein großer, mächtiger Herr oder besonders reich oder ausnehmend klug und den Künsten der Magie ergeben. Er war ein kleiner König mit rechtschaffenem Sinn und einem guten, kindlichen Herzen, menschenfreundlich, sehr gutmütig, gesellig und einem Spaß durchaus nicht abgeneigt. Daß einmal ein Stern am Himmel erscheinen und die Herabkunft des Allherrschers über das ganze Erdreich ankündigen würde, und daß der Königssproß, der dann in Rußland herrschte, aufbrechen und dem größeren Herrn als Gefolgsmann huldigen müßte, das wußte unser kleiner König von allen seinen Vätern und Vorvätern her. Die hatten diese Verheißung durch viele Geschlechter bewahrt und jedem ihrer Nachfolger weitergegeben. Er hatte eine Riesenfreude, der kleine König in Rußland, daß der Stern, der das größte Ereignis der Welt ankündigte, gerade zu der Zeit am Himmel erschien, in der er, noch jung an Jahren, am Regieren war, und beschloß, sogleich aufzubrechen. Großes Gefolge wollte er nicht mitnehmen, das lag ihm nicht, und nicht einmal einen von seinen treuesten Knechten, denn es war nichts darüber bekannt, wo der größte Herrscher geboren werden und wie weit seine Reise ihn führen würde. Er wollte sich allein auf die Suche machen. Also ließ er sich sein Lieblingspferd Wanjka satteln – keinen Streithengst oder dergleichen, sondern nur so ein kleines, unverwüstliches russisches Pferdchen: zottig und mit einer Stirnlocke, daß die Augen kaum den Weg erkennen konnten, auf dem sein Herr es lenkte, aber ausdauernd und genügsam, wie man es für eine weite Reise braucht. Aber halt! dachte der kleine König, mit leeren Händen geht man nicht huldigen, zumal es nicht nur einem hohen, sondern dem höchsten Herrn gilt. Er überlegte lange, was er wohl mitnehmen könnte, daß seine Satteltaschen es noch zu fassen vermöchten, was die Güter und den Fleiß seines Landes ins rechte Licht setzen und, vor allem, für den zur Welt gekommenen höchsten Herrn eine geziemende Huldigungsgabe sein würde.”

 
Edzard Schaper (30 september 1908 – 29 januari 1984)

 

De Duitse schrijver Hermann Sudermann werd geboren op 30 september 1857 in Matz, Oost-Pruisen. Zie ook alle tags voor Hermann Sudermann op dit blog.

Uit: Frau Sorge

Frau Sorge, die graue, verschleierte Frau,
Herzliebe Eltern, Ihr kennt sie genau,
Sie ist ja heute vor dreißig Jahren
Mit Euch in die Fremde hinausgefahren,
Da der triefende Novembertag
Schweratmend auf nebliger Heide lag
Und der Wind in den Weidenzweigen
Euch pfiff den Hochzeitsreigen. –

Als Ihr nach langen, bangen Stunden
Im Litauerwalde ein Nest gefunden
Und zagend standet an öder Schwelle,
Da war auch Frau Sorge schon wieder zur Stelle
Und breitete segnend die Arme aus
Und segnete Euch und Euer Haus
Und segnete die, so in den Tiefen
Annoch den Schlaf des Nichtseins schliefen.

Es rann die Zeit. – Die morsche Wiege,
Die jetzt im Dunkel unter der Stiege
Sich freut der langverdienten Rast,
Sah viermal einen neuen Gast.
Dann, wenn die Abendglut verblichen,
Kam aus dem Winkel ein Schatten geschlichen
Und wuchs empor und wankte stumm
Erhobenen Arms um die Wiege herum.

Was Euch Frau Sorge da versprach,
Das Leben hat es allgemach
In Seufzen und Weinen, in Not und Plage,
Im Mühsal trüber Werkeltage,
Im Jammer manch’ durchwachter Nacht
Ach! so getreulich wahrgemacht.
Ihr wurdet derweilen alt und grau.

 
Hermann Sudermann (30 september 1857 – 21 november 1928)
Cover

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand von Saar werd geboren op 30 september 1833 in Wenen. Zie ook alle tags voor ferdinand von Saar op dit blog.

Uit: Der Brauer von Habrovan

“Die Bevölkerung der Ortschaft, woselbst ich so manchen Sommer und Winter zugebracht, wurde eines Tages durch ein außerordentliches Ereignis in die größte Aufregung versetzt. Ein dort ansässiger Schuhmacher hatte sein junges Weib aus – wie es hieß – grundloser Eifersucht ermordet und sich dann, nachdem er eine Zeitlang in den nahen Wäldern umhergeirrt, dem Gerichte gestellt. Wie begreiflich, wurde für das entseelte Opfer allgemein Partei ergriffen. Namentlich die Frauen konnten kein Ende finden, den entmenschten Wüterich zu verdammen, den sie schon jetzt am Galgen baumeln sahen. Sie priesen laut die häuslichen Tugenden, durch die sich die Tote im Leben ausgezeichnet, und schwuren hoch und teuer, daß sie, wenn auch ein wenig gefallsüchtig, doch das treueste Weib gewesen, das jemals auf Erden gewandelt. Aber auch die Männer, die in dieser Hinsicht nur wenig Korpsgeist besitzen, zogen über den Übeltäter los. Sie nannten ihn einen elenden Säufer und hirnverbrannten Narren, seit jeher unwert des schönen Weibes, das er, der ruppige, pechgeschwärzte Kerl, besessen. Und schön war sie, die Schustersfrau, das konnte ich selbst bezeugen. Zwar ihr Gesicht verdiente diese Bezeichnung nicht eigentlich. Denn es war breit, stumpfnasig und überdies stark mit Sommersprossen behaftet. Aber lebhafte schwarze Augen, leicht gekraustes rotbraunes Haar und ein eigentümlich lachender Zug um den frischen Mund verliehen diesem Gesicht um so mehr Reiz, als auch die ganze Gestalt in ihrer biegsamen Schlankheit höchst anziehend war. Zumal in der heißen Jahreszeit, wo sie sich immer möglichst leicht bekleidet sehen ließ. Wenn sie so, außerdem noch hochgeschürzt, blink und blank bis über die Knöchel in dem seichten Wasser des an ihrem Hause vorüberfließenden Baches stand, Geschirr oder Wäsche reinigend, da konnte man nicht umhin, sie wohlgefällig zu betrachten. Sie wußte das auch und vollführte dann, durchaus nicht ohne Absicht, die anmutigsten Bewegungen, so daß mir jetzt die Eifersucht ihres Mannes keineswegs unbegreiflich erschien.
Mein nachbarlicher Freund, Doktor Hulesch, hatte die gerichtliche Obduktion vorzunehmen. Als ich mit ihm später darüber sprach, hob er die ganz besondere Grausamkeit hervor, mit der der Schuster den Mord vollbracht. Denn nach den ersten tödlichen Stößen, die er mit einer Ahle nach dem Herzen seines Weibes geführt, hatte er in unstillbarer Mordgier ringsumher weiter gestochen, und so habe sich fast die ganze Vorderseite der Leiche wie tätowiert ausgenommen.”

 
Ferdinand von Saar (30 september 1833 – 24 juli 1906)
Cover

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in Łódź, in Polen. Zie ook alle tags voor Jurek Becker op dit blog.

Uit: Jakob der Lügner

“Ich höre schon alle sagen, ein Baum, was ist das schon, ein Stamm, Blätter, Wurzeln, Käferchen In der Rinde und eine manierlich ausgebildete Krone, wenn’s hochkommt, na und? Ich höre sie sagen, hast du nichts Besseres, woran du denken kannst, damit sich deine Blicke verklären wie die einer hungrigen Ziege, der man ein schönes fettes Grasbüschel zeigt? Oder meinst du vielleicht einen besonderen Baum, einen ganz bestimmten, der, was weiß ich, womöglich einer Schlacht seinen Namen gegeben hat, etwa der Schlacht an der Zirbelkiefer, meinst du so einen? Oder ist an ihm jemand Besonderer aufgehängt worden? Alles falsch, nicht mal aufgehängt? Na gut, es ist zwar ziemlich geistlos, aber wenn es dir solchen Spaß macht, spielen wir dieses alberne Spiel noch ein bißchen weiter, ganz wie du willst. Meinst du am Ende das leise Geräusch, das die Leute Rauschen nennen, wenn der Wind deinen Baum gefunden hat, wenn er sozusagen vom Blatt spielt? Oder die Anzahl an Nutzmetern Holz, die in so einem Stamm steckt? Oder du meinst den berühmten Schatten, den er wirft? Denn sobald von Schatten die Rede ist, denkt jeder seltsamerweise an Bäume, obgleich Häuser oder Hochöfen weit größere Schatten abgeben. Meinst du den Schatten? Alles falsch, sage ich dann, ihr könnt aufhören zu raten, ihr kommt doch nicht darauf. Ich meine nichts davon, wenn auch der Heizwert nicht zu verachten ist, ich meine ganz einfach einen Baum. Ich habe dafür meine Gründe. Erstens haben Bäume in meinem Leben eine gewisse Rolle gespielt, die möglicherweise von mir überbewertet wird, doch ich empfinde es so. Mit neun Jahren bin ich von einem Baum gefallen, einem Apfelbaum übrigens, und habe mir die linke Hand gebrochen. Alles ist einigermaßen wieder verheilt, doch gibt es ein paar diffizile Bewegungen, die ich seitdem mit den Fingern meiner linken Hand nicht mehr ausführen kann. Ich erwähne das deshalb, well es als beschlossene Sache gegolten hat, daß ich einmal Geiger werden sollte, aber das ist an und für sich ganz unwichtig. Meine Mutter wollte es zuerst, dann wollte es mein Vater auch, und zum Schluß haben wir es alle drei so gewollt. Also kein Geiger. Ein paar Jahre später, ich war wohl schon siebzehn, habe ich das erstemal in meinem Leben mit einem Mädchen gelegen, unter einem Baum.”

 
Jurek Becker (30 september 1937 – 14 maart 1997)
Cover

A Shropshire Lad XLV (A. E. Housman)

 

Bij de 26e zondag door het jaar

 

 
Christus zegent de kinderen door Anthony Van Dyck, 1618-1620

 

A Shropshire Lad

XLV

If it chance your eye offend you,
Pluck it out, lad, and be sound:
‘Twill hurt, but here are salves to friend you,
And many a balsam grows on ground.

And if your hand or foot offend you,
Cut it off, lad, and be whole;
But play the man, stand up and end you,
When your sickness is your soul.

 

 
A. E. Housman (26 maart 1859 – 30 april 1936)
St. John the Baptist Church, Bromsgrove. A. E. Housman werd geboren in Bromsgrove (Fockbury)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e september ook mijn volgende twee blogs van vandaag.

 

W. S. Merwin

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler William Stanley Merwin werd geboren in New York op 30 september 1927. Merwins vader was een presbyteriaanse predikant. Hij groeide op in Union City (New Jersey) en vanaf 1936 in Scranton (Pennsylvania). Na zijn afstuderen aan de Princeton-universiteit in 1952 maakte hij reizen door Frankrijk, Engeland en Spanje. Op Majorca leerde hij de schrijver Robert Graves kennen, aan wiens zoon hij les gaf. Graves riep het enthousiasme voor de Griekse en Romeinse mythologie in hem wakker. Hij trouwde met de vijftien jaar oudere Dido Milroy en het paar vestigde zich in Londen, waar hij met vertaalwerk de kost verdiende en zijn eerste dichtbundel schreef, die hem in 1952 de ‘Yale Series of Younger Poets Award’ opleverde. Zijn eerste bundels stonden nog sterk onder invloed van Robert Graves en Wallace Stevens, maar in de jaren zestig begon hij te experimenteren met de vorm, wat hij theoretisch onderbouwde met essays als “On Open Form”. Hij verwerkte ook thema’s uit zijn eigen leven, bijvoorbeeld in “The Drunk in the Furnace” (1960). Zijn autobiografie “The Miner’s Pale Children” verscheen in 1970. Voor “The Carrier of Ladders” kreeg hij in 1971 zijn eerste Pulitzerprijs. In deze jaren was de Vietnamoorlog een belangrijk thema in zijn werk. In 1968 keerde Merwin terug naar de VS, terwijl zijn vrouw in Europa achterbleef. Hij werd in 1972 opgenomen in de American Academy of Arts and Letters. In de latere decennia van zijn leven woonde hij op Hawaï. Hij scheidde van Dido Milroy en trouwde in 1983 met Paula Dunaway. De natuur werd nu het overheersende thema in zijn poëzie. In 1993 werd hij ook lid van de American Academy of Arts and Sciences. Na “Folding Cliffs: A Narrative” (1998) verschenen in 2006 verdere memoires onder de titel “Summer Doorways”. In 2009 kreeg hij zijn tweede Pulitzerprijs voor poëzie, voor “The Shadow of Sirius”. Sinds 2017 had hij de eretitel van 17e Poet Laureate van de Verenigde Staten.

My Friends

My friends without shields walk on the target

It is late the windows are breaking

My friends without shoes leave
What they love
Grief moves among them as a fire among
Its bells
My friends without clocks turn
On the dial they turn
They part

My friends with names like gloves set out
Bare handed as they have lived
And nobody knows them
It is they that lay the wreaths at the milestones it is their
Cups that are found at the wells
And are then chained up

My friends without feet sit by the wall
Nodding to the lame orchestra
Brotherhood it says on the decorations
My friend without eyes sits in the rain smiling
With a nest of salt in his hand

My friends without fathers or houses hear
Doors opening in the darkness
Whose halls announce

Behold the smoke has come home

My friends and I have in common
The present a wax bell in a wax belfry
This message telling of
Metals this
Hunger for the sake of hunger this owl in the heart
And these hands one
For asking one for applause

My friends with nothing leave it behind
In a box
My friends without keys go out from the jails it is night
They take the same road they miss
Each other they invent the same banner in the dark
They ask their way only of sentries too proud to breathe

At dawn the stars on their flag will vanish

The water will turn up their footprints and the day will rise
Like a monument to my
Friends the forgotten

 

It Is March

It is March and black dust falls out of the books
Soon I will be gone
The tall spirit who lodged here has
Left already
On the avenues the colorless thread lies under
Old prices

When you look back there is always the past
Even when it has vanished
But when you look forward
With your dirty knuckles and the wingless
Bird on your shoulder
What can you write

The bitterness is still rising in the old mines
The fist is coming out of the egg
The thermometers out of the mouths of the corpses

At a certain height
The tails of the kites for a moment are
Covered with footsteps

Whatever I have to do has not yet begun

 


W. S. Merwin (New York, 30 september 1927)