Pé Hawinkels, Ankie Peypers, Hristo Smirnenski, Elizabeth Gaskell, Miguel de Unamuno

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.

Haydngedichten I
(Menuet uit de 94e Symfonie)

Hier dansen zij; misschien zijn het boeren
of matrones als kastelen. Ze glimlachen wellicht,
maar het is net zo goed mogelijk dat ze huilen,
of elkaar doodgemoedereerd vermoorden.
Wie zal dat uitmaken? Bij Bruegel kun je ze zien,
maar ik wed, dat, als je de pijn van honderd avonden doorstaat,
een rivier leegdrinkt en bergen als watjes in je oren steekt,
je ze dan ook zèlf kunt zien dansen,
alsof jouw leven op het spel staat,
en zonder stem kunt horen zingen… – was de dood maar zo!

 

Grijze mist en schaduwen van dingen

Grijze mist en schaduwen van dingen;
witte vuile druppels hingen
stil in de grauwe vieze lucht.
Over het trottoir, geel en vuil
van afgevallen bladeren,
kwam gewoon een meisje aangestapt
gewoontjes, bleek, haar jas was bruin.

Over de straat met bruine vegen
kwam, met een man erin, aangereden
een heel klein autootje van blik
door de miezerige regen.
Het meisje keek, en eventjes
werd haar bleek gezicht
door een lachje verlicht.
Zij was éen moment een engel
heel vertederd en heel teer.

De vent keek niet.
Toen lachte ze niet meer.
Grijze mist en schaduwen van dingen,
witte vuile droppels vielen
op de grijze vuile stenen neer.

 

schaatsen

we zien aan onze linkerhand
haasjes met wollige achterwerkjes rondwippen
en omdat het winter is het bos bestaan
uit vuilpoezen, bonestaken en bezemstelen
door de kleumende boodschap der twijgen vereend

de zon staat tranend in de nevel een opkomende
neiging tot niezen te dwingen
in represailles op de ijsvlakte te sublimeren

ik schop verongelijkte schoonheidskoninginnen
en eksters in hun paasbeste nozempakjes
het dorre knettergras in, waar vuilnis er voor uitkomt
en gescheurd nylon en sprokkelhout op hun beurt wachten
en in mijn lichaam zo zacht als een bokshandschoen
schaats ik als kwam ik voor de televisie

mijn gezonde vriendjes huldigen mijn sprongen
en ik word onwel als ik aan mogelijke beloningen denk
maar met de jaren wordt mijn honorarium
moeilijker denkbaa


Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

 

De Nederlandse dichteres Ankie Peypers werd geboren op 29 september 1928 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ankie Peypers op dit blog.

Verhaal

Ook was er een fontein. En zomerbloemen
verklapten toch elkaar, wie deze nacht
het voorrecht had, haar lieveling te noemen
en wie haar ’s morgens bloemen had gebracht.

Of de fontein verbood, dat zij zo praatten,
zij babbelden en lachten om zijn dreigen
want onderwereld noch verdelging baten
om bonte bloemenmonden te doen zwijgen.

Gepijnigd hoorde het fonteinbeeld aan
dat zij hem caro mio noemde en de lippen bood.
De bloemen zeiden: ‘Zie haar voeten gaan,’
en ‘zagen jullie hoe het kleed strak om haar heupen sloot?’

Toen voer een siddering door de draineringsbuizen.
De bloemen keken op naar de fontein.
Hij slingerde zijn stralen rond in machtig suizen
en had een man, een graaf, een koning kunnen zijn.

‘Sinds zij in mijn schoot hals en borsten waste,’
riep de fontein wijd over marmersteen
en bloemen uit, ‘sinds ik haar naakt verraste,
is zij van mij, la cara mia, en van mij alleen.’

De bloemen zwegen en de stilte beefde.
Toen lachte zacht een stem en in het licht der maan
zag men een schaduw en een beeld dat leefde,
de schone en haar vriend, een huis ingaan. –

Met al zijn kracht nam de fontein zich op en bracht
zichzelf ten hemel en ontdaan van eer en rust
vloog hij als een versteende reuzenvogel door de nacht.

Omstreeks de dageraad wierp hij zichzelf te pletter op de Franse kust.

 

Taal

Ik ken de woorden alleen van horen zeggen.
Zij zijn mij verwant als de neven in Finland
die brede schouders hebben, kalme ogen,
waarin geruisloos bomen groeien, sleden rijden.

Ik denk aan hen in brieven vol rivieren,
wit hout stroomafwaarts, vol van sneeuw en liefde.
Omdat zij eenzaam zijn en onbereikbaar
als woorden.

 
Ankie Peypers (29 september 1928 – 24 oktober 2008)

 

De Bulgaarse dichter en schrijver Hristo Smirnenski werd geboren op 29 september 1898 in Kilkis, Macedonië. Zie ook alle tags voor Hristo Smirnenski op dit blog.

Uit: Le conte de l’escalier

“— Qui es-tu ? lui demanda le Diable.
— Je suis un fils du peuple et tous les miséreux sont mes frères. Oh ! Comme ce monde est injuste et combien malheureux sont les hommes !
L’adolescent, le front haut, serrait les poings. Il se tenait devant l’escalier, un escalier très haut, en marbre blanc strié de rose. Son regard se perdait dans le lointain où déferlaient, comme les vagues troubles d’une rivière en crue, les foules grises de la misère.
Soudain elles s’agitèrent, bouillonnèrent, levant une forêt de bras décharnés et noirs. Un tonnerre d’indignation et des cris de fureur firent trembler l’air, puis l’écho s’éteint lentement, solennellement comme de lointains coups de canon.
Les foules grossissaient, avançaient dans des nuages de poussière jaune, des silhouettes isolées s’en détachaient. Un vieillard approchait, courbé en deux, le regard rivé au sol comme s’il cherchait sa jeunesse perdue. Pendue à ses basques, une fillette aux pieds nus regardait l’escalier de ses yeux humbles et doux, comme des bleuets. Elle regardait en souriant.
Ils étaient suivis par des figures sèches, grises, déguenillées qui chantaient en chœur un vieux refrain, comme un chant funèbre. Quelqu’un poussait un sifflement strident, un autre, les mains dans les poches, riait d’une voix forte, éraillée, ses yeux brûlaient d’un regard dément.
— Je suis un fils du peuple et tous les miséreux sont mes frères. Oh ! Comme ce monde est injuste et combien malheureux sont les hommes ! Eh ! vous, là-haut, vous…
Le jeune homme, le front levé, tenait ses poings serrés et menaçants.
— Vous haïssez ceux qui sont là-haut ? lui demanda le Diable, en se penchant d’un air perfide vers le jeune homme.
— Oh ! Je me vengerai de ces ducs et de ces princes. Mes frères ont le visage pâle comme les sables, leurs gémissements sont plus lugubres que le vent glacé de l’hiver ! Ils seront cruellement vengés ! Vois leur souffrance, écoute leur plainte ! Je les vengerai ! Laisse-moi passer !

 
Hristo Smirnenski (29 september 1898 – 18 juni 1923)
Kilkis

 

De Britse schrijfster Elizabeth Gaskell werd geboren op 29 september 1810 in Londen. Zie ook alle tags voor Eilzabeth Gaskel op dit blog.

Uit: Wives and Daughters

“It was before the passing of the Reform Bill, but a good deal of liberal talk took place occasionally between two or three of the more enlightened freeholders living in Hollingford; and there was a great Tory family in the county who, from time to time, came forward and contested the election with the rival Whig family of Cumnor. One would have thought that the above-mentioned liberal-talking inhabitants would have, at least, admitted the possibility of their voting for the Hely- Harrison, and thus trying to vindicate their independence But no such thing. ‘The earl’ was lord of the manor, and owner of much of the land on which Hollingford was built; he and his household were fed, and doctored, and, to a certain measure, clothed by the good people of the town; their fathers’ grandfathers had always voted for the eldest son of Cumnor Towers, and following in the ancestral track every man-jack in the place gave his vote to the liege lord, totally irrespective of such chimeras as political opinion.
This was no unusual instance of the influence of the great landowners over humbler neighbours in those days before railways, and it was well for a place where the powerful family, who thus overshadowed it, were of so respectable a character as the Cumnors. They expected to be submitted to, and obeyed; the simple worship of the townspeople was accepted by the earl and countess as a right; and they would have stood still in amazement, and with a horrid memory of the French sansculottes who were the bugbears of their youth, had any inhabitant of Hollingford ventured to set his will or opinions in opposition to those of the earl. But, yielded all that obeisance, they did a good deal for the town, and were generally condescending, and often thoughtful and kind in their treatment of their vassals. Lord Cumnor was a forbearing landlord; putting his steward a little on one side sometimes, and taking the reins into his own hands now and then, much to the annoyance of the agent, who was, in fact, too rich and independent to care greatly for preserving a post where his decisions might any day be overturned by my lord’s taking a fancy to go ‘pottering’ (as the agent irreverently expressed it in the sanctuary of his own home), which, being interpreted, meant that occasionally the earl asked his own questions of his own tenants, and used his own eyes and ears in the management of the smaller details of his property. But his tenants liked my lord all the better for this habit of his. Lord Cumnor had certainly a little time for gossip, which he contrived to combine with the failing of personal intervention between the old land-steward and the tenantry.”

 
Elizabeth Gaskell (29 september 1810 – 12 november 1865)
Cover

 

De Spaanse dichter en filosoof Miguel de Unamuno y Jugo werd geboren op 29 september 1864 in Bilbao. Zie ook Miguel de Unamuno y Jugo op dit blog.

Uit: Nevel (Vertaald door Bart Peperkamp)

“En hij bleef staan bij de deur van een huis waar het knappe jonge meisje, dat hem als een magneet leek te hebben meegetrokken achter haar ogen aan, was binnengegaan. En toen gaf Augusto zich er rekenschap van dat hij achter haar aan was komen lopen. De portierster van het huis keek hem met schalkse oogjes aan en die blik bracht Augusto op het idee van wat hem vervolgens te doen stond. «Deze Cerbera, » zei hij bij zichzelf, «verwacht dat ik haar zal vragen naar de naam en de omstandigheden van deze juVrouw die ik heb lopen volgen, en dat is ongetwijfeld hetgeen me nu te doen staat. Iets anders zou betekenen dat ik mijn achtervolging zonder bekroning zou afsluiten, en dat moet niet,
een mens moet zijn werk afmaken. Ik heb een hekel aan dingen die onvolmaakt zijn!» Hij stak zijn hand in zijn zak en daarin vond hij alleen maar een munt van vijf peseta’s. Hij kon die nou bezwaarlijk gaan wisselen; daarmee zou hij tijd verliezen en zijn kans voorbij laten gaan. ‘Zegt u me eens, beste vrouw,’ vroeg hij de portierster om hulp zonder zijn duim en wijsvinger uit zijn zak te halen, ‘kunt u mij hier in vertrouwen en inter nos zeggen hoe deze juVrouw heet die zojuist is binnengekomen?’
‘Dat is helemaal geen geheim en er steekt ook geen kwaad in, mijnheer.’
‘Daarom juist.’
‘Nou, ze heet doña Eugenia Domingo del Arco.’
‘Domingo? Dat moet dan Dominga zijn…’
‘Nee, mijnheer, Domingo; Domingo is haar eerste achternaam, die van haar vader.’
‘Maar als het om een vrouw gaat, dan moet die achternaam toch veranderen in de vrouwelijke vorm, in Dominga. En als dat niet gebeurt, hoe zit het dan met de concordantie?’

 
Miguel de Unamuno (29 september 1864 – 31 december 1936)
Portret door Maurice Fromkes, 1925

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Miguel de Cervantes, Colin Dexter, Ingrid Noll, Akram Assem, Lanza del Vasto

De Spaanse dichter en schrijver Miguel de Cervantes werd geboren op 29 september 1547 in Madrid. Zie ook alle tags voor Miguel de Cervantes op dit blog.

Uit: Don Quichot van La Mancha (Bewerkt door J.J.A. Goeverneur)

“Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, en deed daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft, in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. Don Quichot dacht nu natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had stokvisch bedoeld en kwam met een groot stuk daarvan aansleepen. Dit was slecht gekookt en ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder werd voorgezet.
Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar nochtans weinig aan. Hij viel terstond gretig op de spijzen aan; doch toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn helm geen beet over de lippen zou kunnen krijgen. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van lachen over zijne verlegenheid, maar waren toen toch goedhartig genoeg om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te verleenen. De eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte, terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond stopte.
De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. Maar hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk gezouten visch in niet geringe mate was toegenomen?—De dikke waard wist raad daarvoor. Hij stak hem de dunne pijp van een trechter in den mond en goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk in des armen lijders droge keel neerstroomde. Dat de helft van den wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde de held van zoo groot belang niet tegenover de zoete voldoening, dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered.
Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje op zijne dwarsfluit te blazen. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij zich in een beroemd ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend, dat de stokvisch forellen en ’t beschimmelde brood pasteitjes waren, en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. Door die zekerheid en misschien zoo wat half door den hem ingepompten wijn geraakte hij dan ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat hij nog niet tot ridder was geslagen, bijna ’t eenige, dat hem kwelde”

 
Miguel de Cervantes (29 september 1547 – 23 april 1616)
Ramses Shaffy speelde Don Quichot in de musical De Man van la Mancha, 1993 -1995

 

De Britse schrijver Colin Dexter werd geboren op 29 september 1935 in Stamford, Lincolnshire. Zie ook alle tags voor Colin Dexter op dit blog.

Uit: Death Is Now My Neighbor

“Such stipulations had often amused the present Master. If one judged by the longevity of almost all the Masters appointed during the twentieth century, physical well-being had seldom posed much of a problem; yet mental stability had never been a particularly prominent feature of his immediate predecessor, nor (by all accounts) of his predecessor’s predecessor. And occasionally Sir Clixby wondered what the College would say of himself once he was gone…. With regard to the exclusion of the clergy, he assumed that the Founders (like Edward Gibbon three centuries later) had managed to trace the source of all human wickedness back to the Popes and the Prelates, and had rallied to the cause of anticlericalism…. But it was the possibility of the candidate’s criminality which was the most amusing. Presumably any convictions for murder, rape, sodomy, treason, or similar misdemeanors, were to be discounted if shown to have taken place outside the jurisdiction of His (or Her) Most Glorious Majesty. Very strange. Strangest of all, however, was the absence of any mention in the original Statute of academic pedigree; and, at least theoretically, there could be no bar to a candidate presenting himself with only a Grade E in GCSE Media Studies. Nor was there any stipulation that the successful candidate should be a senior (or, for that matter, a junior) member of the College, and on several occasions “outsiders” had been appointed. Indeed, he himself, Sir Clixby, had been imported into Oxford from “the other place,” and then (chiefly) in recognition of his reputation as a resourceful fund-raiser. On this occasion, however, outsiders seemed out of favor. The College itself could offer at least two candidates, each of whom would be an admirable choice; or so it was thought. In the Senior Common Room the consensus was most decidedly in favor of such “internal” preferment, and the betting had hardened accordingly. By some curious omission no entry had hitherto been granted to either of these ante-post favorites in the pages of Who’s Who. From which one may be forgiven for concluding that the aforesaid work is rather more concerned with the third cousins of secondary aristocrats than with eminent academics.”

 
Colin Dexter (Stamford, 29 september 1935)
Cover DVD met John Thaw als Inspector Morse (1997)

 

De Duitse (detective)schrijfster Ingrid Noll werd geboren op 29 september 1935 in Shanghai. Zie ook alle tags voor Ingrid Noll op dit blog.

Uit: Halali

“Beim letzten Arztbesuch fiel mir wieder auf, wie viel sich doch im Vergleich zu früher geändert hat. Noch vor einigen Jahren lasen die meisten Patienten im Wartezimmer die mehr oder weniger zerfransten Lesemappen oder starrten mit düsteren Gedanken taten- und wortlos vor sich hin. Würde man heute von oben auf sie herniedersehen, könnte man denken, sie würden silberne Löffel putzen, stricken oder häkeln, so versonnen neigen sie sich über einen kleinen Gegenstand, den sie mit flinken Fingern bearbeiten. Dieses Ding nannte ich bisher Handy, doch mittlerweile gibt es offenbar noch Smartphones, Tablets und Gott weiß was sonst. Was die Patienten wohl mit ihren Geräten so treiben, während sie warten? Die letzten Details zu ihren Wehwehchen in Erfahrung bringen oder doch lieber spielen? Ich selbst habe mich früher im Wartezimmer immer gern mit von anderen Leuten begonnenen Kreuzworträtseln abgelenkt. Die Lesemappen gibt es zwar heute noch, doch sie werden {8}nur von uns Alten durchgeblättert, und an die Rätsel hat sich meistens keiner herangewagt. Mir fehlt dann das Vergnügen, es besser als meine Vorgänger zu können.
Genau wie ich lebt auch meine Enkelin Laura allein und zu meinem Glück sogar im selben Hochhaus. Für eine zweiundachtzigjährige Witwe wie mich ist diese kleine Wohnung ideal, für Laura als Single wahrscheinlich ebenso. Wenn sie von der Arbeit heimkommt, schaut sie oft noch bei mir herein. Gelegentlich habe ich uns etwas Bodenständiges gekocht, manchmal bringt sie etwas zum Essen mit. Es ist schön, dass sie mir aufmerksam zuhört, wenn ich von meiner Jugendzeit erzähle, denn uns verbindet so mancherlei. So hat meine Enkelin nicht zuletzt ein ähnliches Arbeitsfeld gewählt wie ich.
Meinen ehemaligen Beruf als Sekretärin gibt es zwar immer noch, aber die Vorzimmerdamen heißen jetzt Assistentin des Geschäftsführers, Off‌ice Managerin oder so ähnlich. Als ich nach der Handelsschule mit der Arbeit begann, war ich unverheiratet, also ein Fräulein.”


Ingrid Noll (Shanghai, 29 september 1935)

 

De Afghaanse schrijver en historicus Akram Assem werd geboren op 29 september 1965 in Kabul. Zie ook alle tags voor Akram Assem op dit blog.

Uit: Histoire de la guerre d’Afghanistan

“L’ironie de l’Histoire veut que ce soit le 28 avril 1992 que le gouvernement intérimaire des Moujaheddines afghans soit entré dans Kaboul libérée, c’est-à-dire quatorze ans après le lendemain du jour anniversaire du coup d’État communiste du 27 avril 1978. De la même manière, c’est le 27 décembre 1991 que le drapeau rouge fut descendu du haut du Kremlin pour signifier la fin de l’empire expansionniste que constituait l’URSS, date correspondant précisément à l’intervention soviétique en Afghanistan, le 27 décembre 1979… Ainsi la boucle était bouclée et l’Histoire faisait un clin d’oeil aux Afghans pour leur signifier qu’ils n’étaient pas pour rien dans le dénouement de plus de soixante-dix années d’impérialisme russo-soviétique.
L’intervention de l’Armée rouge dans un État qui n’était pas membre du bloc soviétique et qui, de plus, figurait parmi les pays fondateurs du mouvement des non-alignés, voisin de l’URSS et entretenant, en apparence, de très bonnes relations avec elle, déclencha une crise internationale extrêmement grave et refroidit considérablement une atmosphère diplomatique bipolaire qui avait pourtant commencé à se réchauffer. La compétition entre blocs fut relancée et la course aux armements prit un nouvel essor. Les États-Unis, englués dans l’affaire des otages de leur ambassade à Téhéran, saisirent cette trop belle occasion pour isoler l’URSS sur la scène internationale en fustigeant son attitude « impérialiste » en Afghanistan.
Au lendemain de l’intervention militaire de Moscou, bien peu nombreux étaient les observateurs qui donnaient à la Résistance afghane une chance de réussir à vaincre la superpuissance soviétique ; ils ne lui accordaient généralement que quelques jours, voire quelques mois, à vivre. En mai 1980, moins d’un semestre après le « coup de Kaboul », Pierre Gentelle écrivait, de manière un peu trop définitive, à la fin d’un article consacré à la situation afghane : « L’Afghanistan comme point chaud, c’est sans doute presque du passé : tournons les yeux vers le Pakistan’. » À peine quelques pages plus loin, dans la même revue, un spécialiste reconnu des questions stratégiques, Gérard Chaliand, n’était pas, à l’époque en tout cas, plus optimiste : « D’ici à quelques mois, il est fortement probable que l’URSS aura avec brutalité détruit la capacité offensive de la résistance afghane, quitte à quadrupler le nombre des réfugiés et à décupler celui des victimes. Les troupes soviétiques n’entrent pas dans un territoire pour le quitter sans victoire – même en sauvant la face. Sans doute l’URSS vient-elle de faire passer l’Afghanistan dans son glacis pour longtemps.”


Akram Assem (Kabul, 29 september 1965)
Kaboel

 

De Italiaanse filosoof, dichter, artiest, en geweldloos activist Lanza del Vasto werd geboren in San Vito dei Normanni op 29 september 1901. Zie ook alle tags voor Lanza del Vasto op dit blog.

Nocturne

Jamais n’ai contemplé sans un frisson
De doux étonnement, dans les profondes
Branches que nuit enfle de son haleine,
Les étoiles mêlées parmi les feuilles.

L’humble rosée de leur lumière
Qui tremble et par instants s’évanouit,
Transperce les grands bois noirs par la cime,
Immensités qui paraissent fleurir, —

Fleurs d’arbre non, mais fleurs de l’herbe au vent
Paraissent; — tant ils sont, Seigneur, profonds
Tes abîmes, — pourtant, œil inerme, ces minimes
Étincelles, je les sens, qui sont des mondes.

  

Le cheval blanc et noir

Les jours défunts et leur feuille de ciel
Dans la forêt de l’éternel luisent encor.
J’entends courir dans la forêt de l’éternel
Le cheval blanc et noir des vivants et des morts.

 
Lanza del Vasto (29 september 1901 – 5 januari 1981)

Herinnering aan Hella Haasse

 

Herinnering aan Hella Haasse

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hella Haasse is vandaag precies zeven jaar geleden overleden. Hélène Serafia Haasse werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Hellas Haasse op dit blog .

Uit: Grafschrift en levensteken

“Twee schrijvers die in bijna alle opzichten elkaars tegenvoeters zijn, geven in hun laatste romans, ieder op eigen wijze, een verslag van een totale innerlijke verandering. Bij Cees Nooteboom wordt die uitgedrukt in beelden van sterven en dood (ook in vorig werk van hem, vooral in zijn poëzie, altijd obsederend aanwezig), terwijl de manier waarop A. Koolhaas het thema behandelt veeleer associaties oproept aan een geboorte, of beter gezegd, aan het embryonale stadium dat aan het geboren-worden voorafgaat. In beide romans is sprake van een afscheid-nemen van een onbevredigende staat van zijn, van afrekenen met een vorm van leven die eigenlijk een niet-bestaan is. In De ridder is gestorven1 ligt het accent op het passieve ondergaan van de verandering; de schokken en trillingen waarmee de metamorfose gepaard gaat, worden ervaren als een einde van iets. Van wat? misschien van het onvoltooid, onvolmaakt zijn van de jeugd. Het citaat uit La pornographie van Witold Gombrowicz, dat Nooteboom aan het begin van zijn boek heeft geplaatst, zou iets dergelijks doen vermoeden; deze schrijver heeft zich immers bij uitstek beziggehouden met de onrijpheid als noodzakelijke groei-fase èn als verzet tegen verstarring. In Koolhaas’ roman2 daarentegen activeren die schokken en trillingen (het overdrachtelijk ‘pak slaag’ waar de titel van spreekt) de hoofdpersoon juist tot een begin van innerlijke zelfstandigheid, tot volwassen-worden.
In beide romans is de centrale mannenfiguur in wezen onmachtig tot handelen, tot zelfexpressie, tot werkelijk zijn. Nootebooms overgevoelige intellectueel en litterator, de ‘ridder’ met zijn spleen en kwellende zelfbespiegeling, gaat letterlijk dood aan die onmacht. Koolhaas’ hulpeloze, ongearticuleerde niet-held worstelt zich moeizaam naar ontplooiing, menswording, toe. Men zou geneigd zijn deze laatste, Hein Slotter, een ridder van de droevige figuur te noemen; maar in hem, de door de schrijver nadrukkelijk prozaïsch gehouden ‘kleine’ mens, is de aanleg tot het waarlijk nobele en heldhaftige onmiskenbaar aanwezig, het heeft alleen maar tijd nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Daarom ook gaat voor de lezer het leven van Hein Slotter dóór, nadat de laatste bladzij is omgeslagen: hij heeft een toekomst. Nootebooms André Steenkamp, wiens omzwervingen op Ibiza men haast als een persiflage op een ridderlijke ‘queeste’ zou kunnen beschouwen, is in meer dan één opzicht een displaced person, hij is uit de tijd. En het is juist dit proces van uit de tijd raken, zinloos worden (omdat men nu eenmaal de ongebondenheid, onverantwoordelijkheid, niet voorbij een bepaald punt kan volhouden), dat Nooteboom suggestief als een langzaam sterven verbeeldt.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)