Herbst (Theodor Storm)

Bij het begin van de herfst

 

 
Spirit Of Autumn door George Inness, 1891

 

Herbst

Schon ins Land der Pyramiden
Flohn die Störche übers Meer;
Schwalbenflug ist längst geschieden,
Auch die Lerche singt nicht mehr.

Seufzend in geheimer Klage
Streift der Wind das letzte Grün;
Und die süßen Sommertage,
Ach, sie sind dahin, dahin!

Nebel hat den Wald verschlungen,
Der dein stillstes Glück gesehn;
Ganz in Duft und Dämmerungen
Will die schöne Welt vergehn.

Nur noch einmal bricht die Sonne
Unaufhaltsam durch den Duft,
Und ein Strahl der alten Wonne
Rieselt über Tal und Kluft.

Und es leuchten Wald und Heide,
Dass man sicher glauben mag,
Hinter allem Winterleide
Lieg’ ein ferner Frühlingstag.

 

 
Theodor Storm (14 september 1817 – 4 juli 1888)
Husum, de geboorteplaats van Theodor Storm

 

Zie voor de schrijvers van de 23e september ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Inge Boulonois, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Ellen Warmond, Olga Kirsch, Mary Coleridge

De Nederlandse dichteres en schilderes Inge Boulonois werd geboren in Alkmaar op 23 september 1945. Zie ook alle tags voor Inge Boulonois op dit blog.

Ode aan de kastanje

Oktober. Dagen zijn mistgrijs gekleed
en wilde kastanjes vallen maar raak.
Hun boom een kerel, zijn dos vol
groene stekelbollen. Als dobbelstenen
rollen ze weg, hun hoop gericht op boomhoog.

Onweerstaanbare pralines,
rap door kleine handen opgeraapt,
binnen als schat verloren gelegd –
dood in minder dan een winter.

Herfsttijd kreupelt weken door.
De zon bindt in, het loof gloeit na
totdat het oud en bruin wordt afgelegd,
de boom bloot naar zijn wortels keert
om zo kou te weerstaan.

Alsof het niets is, schept de kastanjeboom
na wintertijd als eerste nieuw blad. Lentekanjer –

 

Zoals het meestal wordt

Of misschien ook niet:
hij baart geen opzien meer in huis,
noch ik. Een zin kromp in.

Het harde bed blijft vierkant staan
net als de nieuwe oude tafel.
Bezetten we de overkant van ik
of ik en blazen nog wat zeepbellen.

Ik luister naar het raam of kijk
me buiten weg, volg aandacht
die steeds kruimels van het blad schuift.
Een opgewekte vogel pikt
soms in mijn ribbenkast.

We blijven zitten waar men zat.
Omdat. De suiker roert zich
gillend door de koffie –

 

Hooimaand

‘t Is niet te harden zonder parasol
Al kost gezeul met gieters mij steeds uren
Mijn gras blijft geler dan bij alle buren
Catalpa’s houden herfstgloed in hun bol

Maar ’t ergste vind ik nog die enge look
Van mannenbenen in een korte broek

 
Inge Boulonois (Alkmaar, 23 september 1945)

 

De Italiaanse schrijver, vertaler, en literatuurwetenschapper Antonio Tabucchi werd op 23 september 1943 geboren in Pisa. Zie ook alle tags voor Antonio Tabucchi op dit blog.

Uit: For Isabel (Vertaald door Elizabeth Harris)

“He dug in his pocket and pulled out a bunch of keys. The only ones who come here are Chinese, all of them with birdcages, he said, following a logic that escaped me, they each have a little songbird in a cage and they’ll get their bird to converse with their neighbor’s bird, and this is how it’s done in China, the birdies chatter and make friends, and so their owners also make friends, and they, too, get to talk. He paused and stared at me, looking distressed. But you don’t have a birdcage, he went on, and there’s no one else here with a birdcage, the only ones left in the garden are two old Mahjong players who’ll leave by the smaller gate, what else is there for you to do here now, except run into bats? I need to get into the cave tonight, I insisted, you know, friend, you might say it’s part of my destiny, that destiny the stars steer, you yourself believe in the stars, please let me stay, I’ll leave by the smaller gate, too, let me stay, please, maybe that half-blind poet of the sixteenth century will even help me out tonight, here in this garden that smells of magnolias. The gatekeeper looked at me with something like pity. This garden doesn’t smell of magnolias, he replied, this garden smells of piss, because all the Chinese piss on the trees, they’re too lazy to go to the bathrooms we installed near the fountain, and so this garden stinks of piss. Very well, I agreed, under the light of that star which guides my terrestrial journey, I’ll remain in this garden that stinks of piss; it’s true, I haven’t brought any birds in a cage, but I’m here to follow a destiny which I’ll eventually come to know.
The gatekeeper stepped aside and handed me a small flashlight. This should help, he said, you can leave it at the outside gate when you go. I walked down the path, breathing deeply, waiting for the stink of piss, but nothing stank, a cool breeze had risen and carried the smell of the sea. Beneath a streetlamp, two Chinese were playing Mahjong, I said hello and they nodded in return. One was building superior honors, with a row of four white dragons, the other was working on a set of characters. I thought I could use both dragons and characters that night, and I headed for the cave. I was halfway down the garden path when I heard a whistle behind me from one of the players. You want to watch? he called, we don’t have anyone to watch, and Mahjong needs an audience. I signaled no with my hand and continued on my way; at the cave entrance I turned on the gatekeeper’s flashlight.”


Antonio Tabucchi (23 september 1943 – 25 maart 2012)
 

De Vlaamse schrijver en radio-dj Tom De Cock werd geboren in Rotselaar op 23 september 1983. Hij woont in Borgerhout. Zie ook alle tags voor Tom de Cock op dit blog.

Uit: En toen kwam jij

“Euforisch en doodsbenauwd. En dan nemen we je mee naar huis.
Daar lig je dan, in je gloednieuwe babystoel op de achterbank. Die vanaf dan ook jouw achterbank is.
Onze achterbank. Van jou, van mij, en van papa.
Ja, dat lees je goed, het is beslist: hij mag de papa zijn. Dat was een cadeautje. Zomaar, onderweg in een auto ergens in Argentinië, met de zon op mijn bol en de uitgestrekte Andes als volstrekt ongeïnteresseerde getuige. ‘Jij mag de papa zijn.’
‘Meen je dat?’ En glunderen dat ie deed. ‘En jij dan?’
Goh, ja. Paps, pappie, Tom, Tokke, vake, vader, daddy, da T, Mustafa de Zesde, voor mijn part zelfs mama: couldn’t care less. Zelfs als je me consequent aanspreekt als ‘hé jeannette’ zal ik je op mijn schouders tillen en zo op de meest heroïsche tocht van mijn bestaan de Prioriteitenberg op klimmen.
Radioprogramma’s en boeken en reizen en allerlei gekke projecten aan de voet. Collega’s, kennissen, vrienden en familie bij de boomgrens. Je grootouders en je ooms en tantes zo’n beetje tussen de wolken. En hélemaal op de top, op het plekje met het mooiste uitzicht en de meeste zon, naast je papa: daar kom jij. Niet omdat dat zo hoort, maar omdat jij me gaat leren Wat Belangrijk Is En Wat Niet.
En je hoeft daar niks bijzonders voor te doen. Als ik je maar mag zien rondspetteren in bad, en schaterlachen en boos zijn en met alles spelen behalve met de karrenvracht speelgoed die je zult hebben.
Tekenen op de sofa met de dikste en meest onuitwisbare viltstift die er in huis te vinden is. Het net als we gehaast zijn vrolijk in je broek doen. Onuitstaanbaar hard een meisje zijn, of een jongen, of een beetje van allebei. Vloeken op je huiswerk. Je hart laten opblazen door je eerste grote liefde.”

 
Tom De Cock (Rotselaar, 23 september 1983)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Warmond (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen) werd geboren in Rotterdam op 23 september 1930. Zie ook alle tags voor Ellen Warmond op dit blog.

Jong als kinderstemmen

Jong als kinderstemmen
reeds met de tongval van de ouderdom
te kunnen zeggen:
zie achter mij hoeveel ik al tot stof geleefd heb
en hoeveel as zich ophoopt in mijn ogen
en hoeveel stof en as mijn hand daarvan
bevatten kan en samenbalt tot niets.
en toch en desondanks
wachten – onmatig –
– want matigheid is zwakte –
en nieuwe kleren kopen voor de hoop
hoewel de laatste zekerheden naakt gaan
en trachten waar men niet bestond
toch te ontstaan
om het onmogelijk natuurverschijnsel:
zon in de maan
rondlopende weg terug
of het oog in de rug.
omdat geloof ontspringt
uit de zekerheid dat er geen hoop meer is
omdat het hart zich voedt
met wat de hand ontvalt.

 

Avond

Seconden lopen driftig achteruit
de dag is uit de tijd gekanteld

ik word zo stil als een strand
in een winternacht ik word
zo leeg als een uitgebrand
huis het leven staat verder
van mij af dan ik kan vertellen

leg je gezicht in je handen
en probeer je dit voor te stellen.

 
Ellen Warmond (23 september 1930 – 28 juni 2011)

 

De Zuid-Afrikaanse / Israëlische dichteres Olga Kirsch werd geboren in Koppies in de Oranje Vrijstaat op 23 september 1924. Zie ook alle tags voor Olga Kirsch op dit blog.

Aan die verhuisingsmanne

Dra saggies, vriende,
want sierpotte en erdewerk,
keurborde en fyn glas
sluit ’n lewe
met sy drome
en verlangens in;

Dra saggies, mededraers,
want die drag
van veerbed,
tafels, lessenaar
druk teen die bors
se dun skelet;

Dra saggies, regters,
want die oordeel
oor my klein bedryf
lê vasgevang
in prente, boeke
en ’n eie ou gemakstoel;

Dra saggies, gode,
want die hart se porselein
is broos en tot veel seer
en kwesbaarheid geneig:
die kratte van ’n lewe
kan so maklik breek.

 

Something died in me with your departure

Something died in me with your departure;
something ecstatic and joyfully spontaneous,
irresponsible as a spring illusion,
leaked from my being – drop by drop.

Something disappeared … Oh that I could awake
from this heavy trance, and again happiness
experience, overwhelmingly big, or choke and swallow
with sorrow! But I remain cold, untouched.

So I must resign myself, although I’m dull –
numb with longing. Because I await
everything that has eluded me, and so

much that you must replenish, that
will unfold in me like a flower on that joyful day
when you come home from afar.

 

Vertaald door Egonne Roth


Olga Kirsch (23 september 1924 – 5 juni 1997)
Cover

 

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Elizabeth Coleridge werd geboren in Londen op 23 september 1861. Zie ook alle tags voor Mary Colderidge op dit blog.

Unwelcome

We were young, we were merry, we were very very wise,
And the door stood open at our feast,
When there passed us a woman with the West in her eyes,
And a man with his back to the East.

O, still grew the hearts that were beating so fast,
The loudest voice was still.
The jest died away on our lips as thy passed,
And the rays of July struck chill.

The cups of red wine turned pale on the board,
The white bread black as soot.
The hound forgot the hand of her lord,
She fell down at his foot.

Low let me lie, where the dead dog lies,
Ere I sit me down again at a feast,
When there passes a woman with the West in her eyes,
And a man with his back to the East.

 

Marriage

No more alone sleeping, no more alone waking,
Thy dreams divided, thy prayers in twain;
Thy merry sisters tonight forsaking,
Never shall we see, maiden, again.

Never shall we see thee, thine eyes glancing.
Flashing with laughter and wild in glee,
Under the mistletoe kissing and dancing,
Wantonly free.

There shall come a matron walking sedately,
Low-voiced, gentle, wise in reply.
Tell me, O tell me, can I love her greatly?
All for her sake must the maiden die!

 
Mary Coleridge (23 september 1861 – 25 augustus 1907)
The Strand, London door John Atkinson Grimshaw, 1899.

 

Zie voor de schrijvers van de 23e september ook mijn vorige blog van vandsaag.

Leni Saris, Jaroslav Seifert, Theodor Körner, Euripides, Emma Orczy, Daniel Czepko von Reigersfeld

De Nederlandse schrijfster Leni Saris werd geboren in Rotterdam op 23 september 1915. Zie ook alle tags voor Leni Saris op dit blog.

Uit: Geluk reikt ver

“Zij was Teresa Roberta Valerie van Rossum gedoopt en haar vader klaagde gewoonlijk, met een pretglans in zijn ogen, dat het geen zin had, je dochter bij het begin van haar leven een serie fraaie namen te geven, wanneer je haar onmiddellijk daarna ‘Terry’ wilde gaan noemen. De moeder van Teresa Roberta Valerie lachte erom, maar bleef het kleintje hardnekkig Terry noemen. Misschien vond ze al die namen te zwaar en te gewichtig voor het tere donkerogige hoop-je mens. In ieder geval bleef het altijd bij ‘Terry’ en het kleine meisje was een vrolijk en gelukkig kind, vooral toen later Cora, Inger en ten slotte Ronny arriveerden. Het blonde vrolijke jongetje was vanaf het begin de lieveling van de hele familie en soms merkte zijn moeder weleens bezorgd op, dat het kind de kans liep om een verwend klein mormel te worden, maar Ronny had zon zonnig karakter en was de gulheid en zachtheid in persoon, zodat niemand die klachten al te zwaar opnam. Terry had zich altijd echt ‘de oudste’ gevoeld, die, hoe dol ze ook mee kon doen met de wilde spelletjes van de anderen, tenslotte toch de verantwoordelijkheid voor de drie jongere kinderen bleef voelen. „Kom maar bij Terry,” zei ze beschermend, wanneer Ronny een enkele keer verdriet had. „Terry kan je immers altijd helpen!” Mevrouw Van Rossum keek op een zonnige morgen, toen de familie op het punt stond om met vakantie te gaan, naar buiten, omdat ze Ronny hoorde huilen. Cora wilde hem troosten, maar de kleine jon-gen trok zich los. „Ik wil naar Terry… Terry moet me helpen!” brulde hij. Terry, klein en tenger voor haar twaalf jaren, kwam haastig aandra-ven en hurkte bij haar broertje neer. „Stil maar, Ronny, zo erg is het toch niet?” Ze wreef deskundig over een blonde krullenbol, die er gelukkig onbeschadigd uitzag. „De pijn is alweer weg… kijk, daar vliegt ze… hoog in de lucht!” „Ik zie niks!” pruilde het ventje, met zijn handje aan zijn hoofd, maar hij liet zich toch getroost door zijn zusje meetrekken naar de zand-bak. „Het verveelt me nooit om te zien hoe Terry met Ronny optrekt,” zei mevrouw Van Rossum. „Ze doet het zo leuk en vanzelfsprekend, zonder op de bemoeizuchtige kopie van een volwassen mens te lij-ken. Ik denk weleens…”

 
Leni Saris (23 september 1915 – 9 december 1999)
Cover

 

De Tsjechische dichter Jaroslav Seifert werd op 23 september 1901 geboren en groeide op in Praag. Zie ook alle tags voor Jaroslav Seifert op dit blog.

Struggle With The Angel (Fragment)

Sometimes it’s just a tremor of delight,
more often long and bitter pain.
At other times all sighs and tears.
And sometimes even boredom.
That’s the saddest kind.

Some time in the past I saw a rose-red shade.
It stood by the entrance to a house
facing Prague’s railway station,
eternally swathed in smoke.

We used to sit there by the window.
I held her delicate hands
and talked of love.
I’m good at that!
She’s long been dead.
The red lights were winking
down by the track.

As soon as the wind sprang up a little
it blew away the grey veil
and the rails glistened
like the strings of some monstrous piano.
At times you could also hear the whistle of steam
and the puffing of engines
as they carried off people’s wretched longings
from the grimy platforms
to all possible destinations.
Sometimes they also carried away the dead
returning to their homes
and to their cemeteries.

Now I know why it hurts so
to tear hand from hand,
lips from lips,
when the stitches tear
and the guard slams shut
the last carriage door.

Love’s an eternal struggle with the angel.
From dawn to night.
Without mercy.
The opponent is often stronger.
But woe to him
who doesn’t realize
that his angel has no wings
and will not bless.

 
Jaroslav Seifert ( 23 september 1901 – 10 januari 1986)
In 1981

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Körner  werd geboren op23 september 1791 in Dresden. Zie ook alle tags voor Theodor Körner op dit blog.

Des Feldpredigers Kriegstaten

Ich bin bei englischem Rindfleisch erzogen
Und habe bei englischem Biere studiert.
Der Herr General war mir gewogen;
Drum ward ich zum Feldprediger avanciert.
Denn der Mensch muß etwas versuchen und wagen;
Drum sitz’ ich hier auf dem Bagagewagen.

Bin in Portugal nun Soldatenpastor
Und predige über Ach und Weh
Und warne vor Trunkenheit und Laster,
Die reuige, aber besoffene Armee,
Pfleg’ aufs beste die Kehl’ und den Magen
Und sitze hier auf dem Bagagewagen.

Gestern war eine große Bataille;
Es kam zu einer blutigen Schlacht.
Wir fochten alle en canaille;
Ich hätt’ es kaum als möglich gedacht.
Der Franzose ward aufs Haupt geschlagen,
Und ich saß auf dem Bagagewagen.

Es ward schrecklich viel Blut vergossen
Ich kam in den größten Embarras.
Die Feinde hatten einen Bock geschossen
Und wir, wir schossen Viktoria.
Der gehört zu meinen glorreichsten Tagen;
Und ich saß auf dem Bagagewagen.

Ich sehe schon die Haufen Gedichte,
Die man uns Helden wird billig weihn.
Wir glänzen ewig in der Geschichte
Und ziehn in die Unsterblichkeit ein,
Und von mir auch wird man singen und sagen:
“Ja, der saß auf dem Bagagewagen!”

 
Theodor Körner (23 september 1791 – 26 augustus 1813)
Cover

 

De Griekse schrijver Euripides werd geboren in 480 of 484 voor Christus. Zie ook alle tags voor Euripises op dit blog.

Uit: Medea

KOORr:
Ik hoor de stem, ik hoor de klacht
der rampzalige Colchische.
Weet zij nog niet te berusten; o zeg mij:
´k hoorde hier binnen haar jamm´ren:
´t leed van haar huis verschaft mij geen vreugde:
zij was mij lief geworden.

VOEDSTERr:
Voorbij is alles, verloren haar huis!
D´ een gaat in zijn vorstelijk huwelijk op
en Medea verdwijnt in haar kamer,
voor alles, wat iemand haar zeggen wil doof
en koud voor elke vertroosting.

MEDEA:
O dat het vuur van den hemel mij voer door het hoofd;
wat wacht ik nog van het leven:
ik haat het; o kwam nu de dood mij bevrijden.

KOOR:
Hoort gij, o Zeus, o Aarde en Licht
het klaaglied dier rampzaal´ge vrouw?
Verdwaasde, zal ´t verlangen
naar ongenaakb´re sponde
u drijven naar het eind des levens?
Neen, smeek dat niet.
Stelt uw gemaal
zijn eer in nieuw een verbond,
Zeus zal hem richten;
verteer niet u zelve
van smart om uw bedgenoot.

MEDEA:
O Themis, o Artemis, ziet
wat ik lijd, die met duren eed
mij bond aan dien man, dien vervloekte.
O mocht ik hem zelf en zijn bruid
zien vermalen in ´t puin van zijn huis,
die mij durfde te krenken in recht en eer.
O vader, o stad, die ik schand´lijk ontvlood,
na mijn eigen broeder te hebben gedood.

 

Vertaald door Dr. Chr. Deknatel

 
Euripides (484 v. Chr – 406 v. Chr)
Beeld in het Louvre, Parijs

 

De Hongaarse schrijfster Emmuska Orcy de Orczi, ook wel Baronesse Orczy of Baronesse d’Orczy werd geboren in Tarnaörs op 23 september 1865. Zie ook alle tags voor Emma Orczy op dit blog.

Uit: The Scarlet Pimpernel

“The sun was sinking low down in the west. Bibot prepared himself to close the gates.
“EN AVANT The carts,” he said.
Some dozen covered carts were drawn up in a row, ready to leave town, in order to fetch the produce from the country close by, for market the next morning. They were mostly well known to Bibot, as they went through his gate twice every day on their way to and from the town. He spoke to one or two of their drivers–mostly women–and was at great pains to examine the inside of the carts.
“You never know,” he would say, “and I’m not going to be caught like that fool Grospierre.”
The women who drove the carts usually spent their day on the Place de la Greve, beneath the platform of the guillotine, knitting and gossiping, whilst they watched the rows of tumbrils arriving with the victims the Reign of Terror claimed every day. It was great fun to see the aristos arriving for the reception of Madame la Guillotine, and the places close by the platform were very much sought after. Bibot, during the day, had been on duty on the Place. He recognized most of the old hats, “tricotteuses,” as they were called, who sat there and knitted, whilst head after head fell beneath the knife, and they themselves got quite bespattered with the blood of those cursed aristos.
“He! la mere!” said Bibot to one of these horrible hags, “what have you got there?”
He had seen her earlier in the day, with her knitting and the whip of her cart close beside her. Now she had fastened a row of curly locks to the whip handle, all colours, from gold to silver, fair to dark, and she stroked them with her huge, bony fingers as she laughed at Bibot.
“I made friends with Madame Guillotine’s lover,” she said with a coarse laugh, “he cut these off for me from the heads as they rolled down. He has promised me some more to-morrow, but I don’t know if I shall be at my usual place.”

 
Emma Orczy (23 september 1865 – 12 november 1947)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Daniel Czepko von Reigersfeld werd op 23 september 1605 in Koischwitz (Pools: Koskowice) geboren. Zie ook alle tags voor Daniel Czepko von Reigersfeld op dit blog.

Ohne Gott nirgend Ruh
An den Ruh suchenden

Ist wohl, so lang’ ein Mensch der Welt noch ist ergeben,
In allem, was er thut, im Tod und auch im Leben,
Er schläffet oder wacht, in Wollust oder Pein,
Er hoffet oder wünscht Ruh anzutreffen? Nein.
Jedoch begehret er nicht einen Tritt zu schreiten,
Er sieht sich keinmal umb, wendt sich zu keiner Seiten,
Kein Eßen stillet ihn, kein Auge macht er zu,
Streckt keine Hand nicht aus, sucht er nicht drinnen Ruh.[28]
Ruh schreyt ein iedes Ding. Ruh ist ein Ziel der Sachen,
Und was das gröste, Got wil selbst zur Ruh sich machen.
Ja sprichst du, welcher ist, der Gott erforschen kan?
O Mensch, du triffst ihn ja in allen Dingen an.
Ich sehe, du wilt fort, bleib wilt du Ruh ergründen,
In dir ist Gott allein, in Gott ist Sie zu finden.

 
Daniel Czepko von Reigersfeld (23 september 1605 – 8 september 1660)
Cover

Thank God for little children (Frances Harper)

Bij de 25e zondag door het jaar

 

 
Christus en de kinderen door Carl Bloch, ca. 1870

 

Thank God for little children

Thank God for little children,
Bright flowers by earth’s wayside,
The dancing, joyous lifeboats
Upon life’s stormy tide.

Thank God for little children;
When our skies are cold and gray,
They come as sunshine to our hearts,
And charm our cares away.

I almost think the angels,
Who tend life’s garden fair,
Drop down the sweet wild blossoms
That bloom around us here.

It seems a breath of heaven
Round many a cradle lies,
And every little baby
Brings a message from the skies.

Dear mothers, guard these jewels.
As sacred offerings meet,
A wealth of household treasures
To lay at Jesus’ feet.

 

 
Frances Harper (24 september 1825 – 25 februari 1911)
De Saint Francis Xavier Catholic Church in Baltimore, de geboorteplaats van Frances Harper

 

Zie voor de schrijvers van de 23e septmber ook mijn twee volgende blogs van vandaag.