Dolce far niente, Hamlin Garland, Crauss, Patrick Marber, William Golding, Ingrid Jonker, Orlando Emanuels, Jean-Claude Carrière, Stefanie Zweig

Dolce far niente

 


Indian Summer door James King Bonnar, z.j.

 

Indian Summer

At last there came
The sudden fall of frost, when Time
Dreaming through russet September days
Suddenly awoke, and lifting his head, strode
Swiftly forward-made one vast desolating sweep
Of his scythe, then, rapt with the glory
That burned under his feet, fell dreaming again.
And the clouds soared and the crickets sang
In the brief heat of noon; the corn,
So green, grew sere and dry-
And in the mist the ploughman’s team
Moved silently, as if in dream-
And it was Indian summer on the plain.

 


Hamlin Garland (14 september 1860 – 4 maart 1940)
West Salem, Wisconsin, de geboorteplaats van Hamlin Garland

 

De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook alle tags voor Crauss op dit blog.

Ach, die Tage

einschreiben verfasst von rand zu badewannenrand
dem postboten wurde es rot wir gaben uns echo ́o namen
und hauchten schillernde blasen die im tragischen ah
platzten. machten grosse buchstaben aus unsrer ekstase:
in flammen die tage zu früh das falsett

gebadet im text wir wollten die dreckränder wieder
die die romane unserer kindheit an uns gelassen

jetzt solln wir das alles von vorn? wir haben uns
eingeschrieben jeder ins herz des anderen und sollen
erneut in die seufzenden gärten die narben zu jäten
unterwasser zu tauchen den herzlavendel
einen schneisenschwan falten aus fehldrucken und

formblättern: beginne zu lesen jene uralten briefe
die riechen wie salz auf der haut mit zwölf jahren roman
an der heizung und grabe mich ein und denke von einem
meerrauschen ans nächste von meer und von weinen
der anfang ist immer fragment. du sollst mich nicht finden

 

WIR WAREN PILOTEN, wir hatten
schokoladenstaub in der nase. nachts,

das war ein zelt in aphrika, ein kriegsgeheul
in strumpfhosenmützen, ein pimmeltanz
um den wohnzimmerschatz. wir suchten schutz
vor scheinwerfern, die unseren blicken folgten.
wir waren piloten, bruchschatten

krachten auf uns herab, nie haben wir wieder
dermaszen gezittert, geküsst und überlebt

 

giant amber pastry
the child’s arms are too short;
the history of the sea, too long,
you can only see it in episodes.
saison onze: sunburnheat,
feverish sandcastlehansa.

 

Vertaald door Mark Kanak

 
Crauss (Siegen, 19 september 1971)
Hier met schrijver en vertaler  Mark Kanak (rechts)

 

De Engelse schrijver, acteur en regisseur Patrick Marber werd geboren op 19 september 1964 in Londen. Zie ook alle tags voor Patrick Marber op dit blog.

Uit: The Red Lion

“Kidd holds his hand out. Yates gives him a key and continues to iron.
Kidd opens the cupboard and takes out his suit. He takes it over to his bag on the bench and hangs the suit on a hook Kidd paces a bit — in thought — then looks out of the window from where he can see the pitch. He stares out.
Silence.

Kidd From up here …
From here …
You’d think it was emerald.
You get down there …
You get down …
It’s just a knackered old meadow.
It’s not true.
Divots. Tufts.
Parsley.
Dandelions.
Can’t play on that.
You can play.
But you can’t play.
Need it thick and short. Need it to skim.

He makes a skimming sound and motions with his hand.
He stares out of the window, shakes his head.

He is sanding the goahnouth. He is sanding the bog he made himself.
Ken. It’s amateur.
Eh?

Yates looks up

‘Hello. Ken, can you help me here? Can you give me a surface?’

 
Patrick Marber (Londen, 19 september 1964)
Scene uit een opvoering in Londen, 2017

 

De Engelse dichter en schrijver Sir William Gerald Golding werd geboren in St. Columb Minor, Newquay, Cornwall, op 19 september 1911. Zie ook alle tags voor William Golding op dit blog.

Uit: The Scorpion God

“Life is a perplexing muddle, Phanocles.” “I shall clean it up.” “Meanwhile you are making it dirtier.” “No slaves, no armies.” “What is wrong with slaves and armies? You might as well say, ‘No eating or drinking or making love’.” For a while again they were silent, listening to the roar of the port and the shouted orders from the trireme. “Ease her down. Handsomely!” “This evening the Emperor is going to try your pressure cooker. The one you made for him.” “He will forget all that when he tries Amphitrite.” Mamillius squinted up at the sun. It was not so bright, but he still fanned himself “Lord Mamillius—has he forgiven us for the improvised cooker?” “I think so.” “Sway back. Take the strain. Walk. One, two. One, two.” “And, after all, without that experiment I should have never known that a safety valve was necessary.” “He said that a mammoth was too much to begin with. Blamed me.” “Still?” Mamillius shook his head. “All the same, he is sorry about the three cooks and the north wing of the villa.” Phanocles nodded, sweating. He frowned at a memory. “Do you think that was what he meant by a ‘Sense if possible of peril’?” The slave who had been firing the furnace climbed to the deck and they watched him idly. He threw a bucket over the side on a rope’s end, hauled up water and tipped it over his naked body. The water flowed along the deck, carrying snakes of coal dust. Again and again he laved the filthy harbour water over himself. Phanocles called to him. “Clean the deck here.” The slave touched his smeared forelock. He drew up another bucketful, then shot it along the deck so that water splashed over their feet. They started up with a shout of annoyance and there came the sound of a rope breaking under strain. Amphitrite ducked under them, sidled and made a loud wooden remark as though she had crunched one of her own timbers with metal teeth. There came a dull thump from the harbour bottom, then a huge cascade of water fell on them from the sky, water full of garbage and mud and oil and tar. Phanocles stumbled forward and Mamillius bowed under the torrent, too shocked even to curse.”

 
William Golding (19 september 1911 – 19 juni 1993)

 

De Zuidafrikaanse dichteres en schrijfster Ingrid Jonker werd geboren op 19 september 1933 bij Komberley (Noord Kaap). Zie ook alle tags voor Ingrid Jonker op dit blog.

Ik wil geen bezoek meer ontvangen

Ik wil geen bezoek meer ontvangen
niet met kopjes thee boerentroost en vooral niet met brandewijn
ik wil niet horen hoe ze wachten op gevleugelde brieven
ik wil niet horen hoe ze wakker liggen in hun oogkassen terwijl
de ander slaapt weids als de horizon om zijn wenkbrauwen
en wat wil ik weten van hun altijd eendere kwalen
de een zonder eierstokken de ander met leukemie
het kind zonder draaiorgeltje en de oude man
die al vergeten is dat hij doof is
de bestorming van de dood in het stoplicht op groen
de mensen die leven aan zee zoals in de Sahara
de verraders van het leven met het gezicht van de dood en van God

ik wil gewoon alleen zijn op reis met mijn eenzaamheid
als een wandelstok
en geloven dat ik nog uniek ben

 

Pubertijd

Het kind in mij is stil gestorven
verwaarloosd, blind en onbedorven

in een kleine poel traag weggezonken
en ergens in duisternis verzonken

toen jij onwetend als een beest
Je hebt niet met dat grof gebaar
de dood voorspeld of het gevaar

maar als ik slaap zie ik kleine handen
en ’s nachts het wit vuur van je tanden:
Ik ril en één vraag brandt aldoor

Heb jij het kind in mij vermoord…?

 

Vertaald door Gerrit Komrij

 
Ingrid Jonker (19 september 1933 – 19 juli 1965)
Cover

 

De Surinaamse dichter en schrijver Orlando Emanuels werd geboren in Paramaribo op 19 september 1927. Zie ook alle tags voor Orlando Emanuels op dit blog.

Verscheur de briefkaarten… (Fragment)

Verscheur de briefkaarten waarop naakte
bosnegerinnen met onsmakelijke tot op hun navel
bengelende hangborsten staan.
Dit is een verwrongen beeld van mijn land.
Ga naar Mohamed van Saramacca, fotografeer hem
in al zijn glorie naast zijn bedorven fruit en
verdroogde groenten.
Toen hij voor Allah en Recht moest opkomen,
deed hij dat; niet alleen met woorden.
Hij stelde daden.
Hij liet zijn produkten liever verrotten
dan ze op de markt te brengen
en samen met zijn principe te verkopen.
Hij protesteerde!
Dat is het ware gezicht van Suriname.

Stop voor een kwartier het tienergedonder op alle
radiostations en ga in de houding staan!
Zet het volume van de radio wijd open en vertel
aan de wereld dat de vertrapte rietkapper,
de slaaf van Waterloo, die zelf krepeert van honger
en ellende, omdat zijn vervloekte eigenaar
hem al zeven maanden geen loon heeft betaald,
zijn eigen rotzooi vergat en als adhesie voor de
stakende intellectuele bovenlaag zijn hongerstem
liet horen.
Hij koos voor Recht!
Dat God dit onthoude en tegen hem zal glimlachen
op de dag des oordeels!
Jij jeugd, kruip naar hem toe en breng hem
staande een ovatie!

Scheur het filmjournaal aan stukken en gooi het
op de mesthoop!
Eenzijdige voorlichting waarin kleine zwarte
kinderen met buikjes rond van wormziekten
en ondervoeding altijd weer met vlaggetjes zwaaien
naar goden, die hun het brood uit de mond stelen.
Hang in plaats van deze leugen de nieuwe bakra
een fajalobiekrans om zijn witte nek,
smak een bordje naast hem neer:
‘Vriend van Suriname.’
Richt in Gods naam de camera op deze mens,
die principes niet per el en geweten
per kilogram verkoopt!

 
Orlando Emanuels (19 september 1927 – 13 maart 2018)

 

De Franse romanschrijver, regisseur, acteur, toneel- en scenarioschrijver Jean-Claude Carrière werd geboren op 19 september 1931 in Colombières-sur-Orb, Hérault. Zie ook alle tags voorJean-Claude Carrière op dit blog.

Uit: Le Mahabharata

« GANESHA. Ne te l’ai-je pas déjà dit ?
ENFANT. Pourquoi tu as une tête d’éléphant ?
GANESHA. Tu ne le sais pas ?
ENFANT. Non.
GANESHA. Si je dois aussi raconter ma vie, nous n’aurons jamais fini.
ENFANT. Je t’en prie.
GANESHA. Soit. Je suis le fils de Parvati, l’épouse de Shiva.
ENFANT. L’épouse du grand dieu Shiva ?
GANESHA. Lui-même. Mais Shiva n’est pas mon père. Ma mère m’a créé toute seule.
ENFANT. Comment elle a fait ?
GANESHA. C’est assez compliqué. Il faut une terre spéciale, du safran, de la rosée. Bref, j’étais à ma naissance un superbe garçon, à peu près de ton âge, et ma mère me dit un jour de garder la porte de la maison, de ne laisser entrer personne, car elle désirait prendre un bain. Alors Shiva survint. Il voulut entrer dans la maison, dans sa maison, et moi je lui barrai le passage. Shiva ne me connaissait pas – je venais de naître –, il me dit : Je t’ordonne de me laisser entrer ! Écarte-toi ! Je suis ici chez moi ! Et moi je lui répondis : Ma mère m’a demandé de ne laisser entrer personne, personne n’entrera ! Shiva, furieux, convoqua ses troupes féroces, il leur commanda de me déloger, mais je les dispersai, je les écrasai, j’éclatais d’une force surnaturelle ! Même les hordes de démons échouaient à forcer le passage. Je défendais ma mère. Shiva ne put me vaincre que par ruse. Il se glissa derrière moi et subitement me coupa la tête. Alors ma mère, possédée de fureur, menaça de détruire toutes les forces du ciel. Shiva, vite, pour l’apaiser, ordonna de me fixer la tête de la première créature à s’avancer sur le chemin. C’était un éléphant. Voilà, je suis maintenant Ganesha, celui qui calme les querelles.

Il prend place soigneusement et dit à Vyasa :

GANESHA. Je suis prêt, tu peux commencer, mais je te préviens : ma main ne peut pas s’arrêter pendant que j’écris. Tu dois dicter sans une hésitation, sans un arrêt.”

 
Jean-Claude Carrière (Colombières-sur-Orb, 19 september 1931)
Scene uit een uitvoering in Avignon, 1985

 

De Duitse schrijfster Stefanie Zweig werd geboren in Leobschütz, Oberschlesien, op 19 september 1938. Zie ook alle tags voor Stefanie Zweig op dit blog.

Uit: Ein Mund voll Erde

„Tatsächlich war nur einigen wenigen Buhlern um die Gunst des Fotografen der Erfolg vergönnt. Ohne vom Recht am eigenen Bild zu wissen, verlangten die Beglückten dennoch ihre Fotos bei der ersten Besichtigung, trugen fortan die Dokumente, die von Ausdauer und Ruhm zeugten, ständig bei sich und zeigten sie mit dem Besitzerstolz von Siegern, die nach Jahren des Kampfes mit unerwartet wertvoller Kriegsbeute heimkehren. Unwiederholbare Freude einer Minderheit, dieses verlockende Spiel! Die unglückliche Mehrheit ging zum Kummer aller Beteiligten leer aus. Der weiße Zauberer mit der Kamera lebte nämlich, was den Männern, Frauen und Kindern von Ol’ Joro Orok freilich nicht auffallen konnte, in miserablen wirtschaftlichen Verhältnissen. Er brauchte seinen gesamten Verdienst für das Schulgeld seiner Tochter und wäre nie auf die Idee gekommen, auch nur einen Shilling für einen Film auszugeben.
Durch die Lebensumstände der Emigration wurde folglich der Fotoapparat ebenso rasch zweckentfremdet wie der übrige Teil des aus Deutschland mitgebrachten Hausrats. In den zehn afrikanischen Jahren meiner Familie diente die Kamera abwechselnd als Briefbeschwerer, als der Beweis, dass man bessere Tage erlebt hatte und wieder solche erhoffte, und als Stuhl für einen elternlosen kleinen Pavian.
Zu der Zeit, da die in »Ein Mund voll Erde« erzählte Liebesgeschichte zwischen dem Mädchen Vivian und dem Jungen Jogona spielt, stand der Apparat auf dem Fensterbrett im größten Raum des Hauses. Dort konnte ihn jeder sehen, kein noch so geschickter Dieb ihn aber wegtragen, ohne dass man ihn seinerseits gesehen hätte. Nicht nur ich folgte dem väterlichen Vorbild und sprach von der »Leica«.
Das vokalreiche Wort mundete besonders gut in der Suahelisprache. Sobald die Rede vom Reiz der Bilder war, ließen sich die beiden fröhlichen Silben so oft wiederholen, wie dem Erzählenden geboten schien, ohne dass die Kehle Schaden nahm.
Die Leica war Anfang der dreißiger Jahre gekauft worden. In den Vierzigern, da nichts von den Lebensplänen, Wünschen und Illusionen geblieben war und die Erinnerungen immer melancholischer wurden, hatte die Kamera für uns keinen materiellen Wert mehr, dafür einen überaus hohen ideellen. Gerade ihre Nutzlosigkeit verkörperte das Verlorene und Unwiederbringliche.”

 
Stefanie Zweig (19 september 1932 – 25 april 2014)
Cover

Claire Polders

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster Claire Polders in Gouda in 1976. Polders studeerde Letteren (1994–2001) aan de Universiteit van Tilburg en Wijsbegeerte (1995-2001) aan de Universiteiten van Tilburg en Amsterdam. In 2000 studeerde ze ook nog een half jaar aan de Sorbonne in Parijs. Haar eindscriptie droeg de titel ‘Auschwitz als Gorgon, de Holocaust in filosofie en literatuur’. Ze publiceerde geregeld gedichten, essays en verhalen in verschillende tijdschriften zoals faculteits- en universiteitsbladen, HP/De Tijd, Literatuur zonder Leeftijd en Filosofie Magazine. Haar debuutroman ‘De onfeilbare’ (2005) vertelt het verhaal van twee jonge vrouwen die zichzelf verliezen en vinden in diepgaande vriendschap. Een jaar later verscheen haar tweede roman ‘De verdwijning van Eva Zomers’ In september 2006 verscheen het korte verhaal ‘Hoe de muur onder mijn handen verkruimelde’ in de bundel 25 onder de 35, verhalen van jonge, veelbelovende schrijvers, samengesteld door Said El Haji en Annelies Verbeke..In april 2007 verscheen het korte verhaal ‘De vermenigvuldiging van Valerie’ in de bundel De Verleiding, samengesteld door de Writers on Heels Susan Smit en Siska Mulder. In 2009 verscheen haar derde roman “Salto Mortale”. Nummer vier “Eeuwige Kermis” volgde in 2012.

Uit: Eeuwige Kermis

“Julia stond op de drempel en spiedde de kajuit in. Daar lag haar vader, de man die nog weken, wellicht maanden, hooguit een jaar had. Van hem moest ze afscheid nemen, maar wie was hij eigenlijk? Gisteren had Troy haar in een sms een vraag gesteld die haar bij gebrek aan een bevredigend antwoord was blijven achtervolgen: ‘Wat voor man is Hans Hollander?’
Wanneer ze aan haar vader dacht, zag ze hem in actie; op zijn jacht met de schoot in zijn hand, achter een bankschroef in zijn klushok, aan de keukenbar met een enorme wokpan voor zich. Of ze herinnerde zich de vage anekdotes van vóór haar tijd; het verhaal van de kerkklok en de transformatie tot havenmeester. Wanneer ze op zijn karakter inzoomde, zag ze enkel een potloodschets. ‘Hij is vriendelijk en vol humor’, had ze geschreven en Troy had geantwoord: ‘Alsof je mijn buurman beschrijft.’
Het was waar. Als kind had ze haar vader voor lief genomen en als volwassene had ze geen moeite gedaan om uit te vinden wie hij was. Wat waren zijn nachtmerries, zijn geluksmomenten, zijn gênantste dieptepunten? Was het te laat om hem alsnog te leren kennen?
Aarzelend liep ze op het bed toe waar hij lag te dommelen en vlijde zich naast hem neer. Ze ging in zijn arm liggen. Niet in zijn armen, want in de linker zat het infuus. Haar wang raakte zijn schouder zonder dat ze het gewicht van haar hoofd op zijn botten liet rusten. Haar hoofd was veel te zwaar voor zijn broze gestel.
‘Hang niet zo aan hem’, had Vicki ooit gezegd. De oudere kinderen mochten hun vaders rug niet belasten, want die rug moest ook het jongste kind nog dragen wanneer dat groter werd.
‘Waarom dring je je telkens tussen hen in? Laat Julius ook eens naast je vader staan.’ Dat was een andere opmerking geweest die Julia nooit was vergeten. Het ging over de slagorde waarin ze tijdens de afwas de borden droogden. Wat een onschuldige gewoonte leek werd als egoïsme veroordeeld.
‘Vind je niet dat je daar nu te oud voor bent?’ Nee, dat vond Julia niet, want zij had het boekje over correct gedrag waaruit deze regel afkomstig moest zijn, nooit gelezen. Als ze had geweten dat meisjes van tien tijdens een spannende film niet op hun vaders schoot behoren te kruipen, had ze zich vast wel ingehouden. Wanneer de boot bij harde wind schuin ging, verborg Julia zich voortaan in de punt.
Maar nu lag ze daar dus, licht euforisch dat ze dit had gedurfd, met haar wang op de schouder van haar vader en haar neus op zijn huid, om te wennen aan zijn nieuwe geur waarin ze nu toch ook iets vertrouwds ontwaarde. En de stervende maakte het haar gemakkelijk door te blijven dommelen, of te doen alsof.”

 
Claire Polders (Gouda, 1976)