To the Sea (Philip Larkin)

Dolce far niente

 

 
Kleine zwemmers door Alessandro Pomi, 1942

 

To the Sea

To step over the low wall that divides
Road from concrete walk above the shore
Brings sharply back something known long before—
The miniature gaiety of seasides.
Everything crowds under the low horizon:
Steep beach, blue water, towels, red bathing caps,
The small hushed waves’ repeated fresh collapse
Up the warm yellow sand, and further off
A white steamer stuck in the afternoon—

Still going on, all of it, still going on!
To lie, eat, sleep in hearing of the surf
(Ears to transistors, that sound tame enough
Under the sky), or gently up and down
Lead the uncertain children, frilled in white
And grasping at enormous air, or wheel
The rigid old along for them to feel
A final summer, plainly still occurs
As half an annual pleasure, half a rite,

As when, happy at being on my own,
I searched the sand for Famous Cricketers,
Or, farther back, my parents, listeners
To the same seaside quack, first became known.
Strange to it now, I watch the cloudless scene:
The same clear water over smoothed pebbles,
The distant bathers’ weak protesting trebles
Down at its edge, and then the cheap cigars,
The chocolate-papers, tea-leaves, and, between

The rocks, the rusting soup-tins, till the first
Few families start the trek back to the cars.
The white steamer has gone. Like breathed-on glass
The sunlight has turned milky. If the worst
Of flawless weather is our falling short,
It may be that through habit these do best,
Coming to the water clumsily undressed
Yearly; teaching their children by a sort
Of clowning; helping the old, too, as they ought.

 


Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
De kathedraal in Coventry, de geboortestad van Philip Larkin

 

Zie voor enkele schrijvers van de 14e juli ook mijn vorige blog van van vandaag.

Thijs Zonneveld, Volker Kaminski, Irving Stone, Natalia Ginzburg, Jacques de Lacretelle, Gavrila Derzjavin, Béatrix Beck

Bij de Tour de France

 

 
Greg Van Avermaet op de kasseien

 

Uit: Het Panini-album

“Ode aan de kassei
En toen, na weken gevuld met louter zondagen, werd het maandag. Het zonlicht was grijs, het vuilnis moest nog buiten worden gezet en in de vensterbank stonden lege bierflesjes. Ergens in Vlaanderen werd Tom Boonen, de ex-wielrenner, wakker met een kater en heimwee naar zondag. Net als wij allemaal, eigenlijk.
De afgelopen weken dokkerde er vrijwel iedere dag een peloton renners over Vlaamse of Noord-Franse (lees: Zuid-Vlaamse) weggetjes. Soms op een zondagse zondag, maar vaak ook op maandagse, dinsdagse, woensdagse, donderdagse, vrijdagse en zaterdagse zondagen. Het was een aaneenschakeling van kasseienstroken, berendriezen, oudekwaremonts, trappisten en joggingbroek-op-de-bank-lig-dagen.
Maar hoeveel Vlaamse koersen er ook waren, hoe vaak het peloton ook over de Haaghoek reed en hoeveel aandacht er ook was voor Tom Boonen – het werd vrijwel nooit saai. In andere jaren zaten er wedstrijden tussen die je als tv-kijker gerust kon missen door een middagslaapje te doen, maar die waren er dit seizoen niet bij. Het was nondeju kuurs, iedere wedstrijd opnieuw. De finales werden opengebroken op lichtjaren afstand van de finish, de kopmannen streden met open vizier tegen elkaar en in álle Vlaamse klassiekers en semi-klassiekers wonnen de aanvallers.
Het verschil tussen de kasseienwedstrijden en de heuvelklassiekers werd de afgelopen jaren steeds groter. Het is hoop versus angst. Riskeren versus rekenen. In de Amstel Gold Race, de Waalse Pijl en Luik-Bastenaken-Luik blijft het peloton tot diep in de finale gesloten en proberen de favorieten het licht uit elkaars ogen te kijken. De beste renners en ploegen houden elkaar in een wurggreep: de angst om te verliezen is groter dan de wil om te winnen. De finales zijn te zwaar, de nivellering te groot en mede door de introductie van het bloedpaspoort hebben de kopmannen vaak maar één echte demarrage in de benen. Aanvallen loont in de heuvelklassiekers slechts bij hoge uitzondering – en omdat iedereen het weet gebeurt het nauwelijks meer.”

 
Thijs Zonneveld (Sassenheim, 28 september 1980)

 

De Duitse schrijver Volker Kaminski werd op 14 juli 1958 in Karlsruhe geboren. Zie ook alle tags voor Volker Kaminski op dit blog.

Uit: Auf Probe

“Donnerstag, 5. Juli
Vor zehn Tagen hatte er es erfahren. Jemand hatte sich am Telefon nach seinem Namen erkundigt und gesagt, er habe eine traurige Mitteilung für ihn. Etwas anderes war dem Arzt offenbar nicht eingefallen. Gaudi hatte gleich gespürt, dass er nicht der Einzige war, den der Am in dieser Sache anrief. Das Formelhafte seiner Ausdrucksweise war unüberhörbar. Als er sagte: »… ist leider gestern Nacht an einer Lungenentzündung gestorben«, klangen seine Worte schablonenhaft. Gaudi hörte ihm zu, ohne richtig zu verstehen. Er schrieb ein paar Ziffern auf einen Notizblock. Später wusste er nicht mehr, wem die Telefonnummer gehörte. Vielleicht war es die Nummer des Krankenhauses. Glaubten sie, dass er dort anrief? Sie war tot und er wollte sie nicht als Leiche vor sich sehen. Sie lebte nicht mehr. Daran war nichts zu ändern. Bald lag sie in der hellbraunen Kis-te drei Meter tief unter der Erde, und Zeit und Raum hatten keine Bedeutung mehr für sie. Dass Maria zuletzt in einem komfortablen Altersheim gelebt hatte, mit frei nutzbarem Garten, Tischen und Korbstühlen auf der grünen Wiese, war natürlich ein Trost. In einem der Stühle hatte es sich Frau Gaudi den Sommer über bequem gemacht. Während des Winters blieb sie im großen Aufenthaltsraum. Schöner konnte es niemand im Alter haben, fand Gaudi. Es war immer jemand um sie, wenn das Bild hinter der Fensterscheibe langsam verblasste.
Wie viele Menschen Maria gekannt hatten, ließ sich an der gut gefüllten Friedhofskapelle ablesen, in der sich die Trauergäste versammelten. Ihre geschäftlichen Kontakte, ihr Mitwirken an der Seite ihres Mannes, die jahrzehntelange Präsenz auf dem gesellschaftlichen Parkett — in vielen Häusern der Stadt war Maria unvergessen. Eine vielköpfige Verwandtschaft fand sich außerdem ein, sommerlich gekleidete Menschen, die gefasst wirkten und wohlmeinende Blicke warfen. Gaudi fiel bei der Begrüßung auf, wie sehr das Ganze der Vorstellung glich, die er sich von einer Beerdigung gemacht hatte; bei keiner anderen Gelegenheit waren so viele Menschen an seiner rechten Hand interessiert. Als sie aus der Kapelle kamen, hatte sich der Himmel bewölkt, doch kurz darauf klaue es wieder auf Der Trauerzug setzte sich in Bewegung. Gaudi heftete den Blick auf seine Schwestern, die etwas näher am Sarg gingen, ein paar Schritte vor ihm. Den Sargkarren schoben vier ältere Männer mit dunklen Mützen; ohne Mühe umkurvten sie die Grabreihen und führten die schweigende Karawane ans Ziel.“


Volker Kaminski (Karlsruhe, 14 juli 1958)

 

De Amerikaanse schrijver Irving Stone werd geboren op 14 juli 1903 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Irving Stone op dit blog.

Uit: The Agony and the Ecstasy

“I could not have controlled the Pope. No. But I could have been more realistic about Bramante. Come to grips with his . . . charm . .. his talent .. . Because of him I am no longer an architect and you are no longer a sculptor.” Sangallo wept. Michelangelo shepherded him inside the protective doorway of the chapel, put an arm about the trembling shoulders. “Pazienza, caro, patience. We will work our way out of this predicament.” “You are young, Michelangelo, you have time. I am old. Nor have you heard the crowning indignity. I volunteered to erect the scaffolding for you, since I renovated the chapel and know it well. But even this I was denied. Julius had al-ready arranged with Bramante to build it. . . . All I want now is to return to my home in Florence, enjoy a little peace before I die.” “Do not speak of dying. Let us speak instead of how we can tackle this architectural monstrosity.” He threw both arms up in a despairing gesture that embraced the Sistine. “Explain this . . . edifice . . . to me. Why was it built this way?” Sangallo explained that when it was first completed the building had looked more like a fortress than a chapeL Since Pope Sixtus had intended to use it for the defense of the Vatican in the event of war, the top had been crowned by an open battlement from which soldiers could fire cannons and drop stones on attackers. When the neighboring Sant’-Angelo had been strengthened as a fortress that could be reached by a high-walled passageway from the Papal palace, Julius had ordered Sangallo to extend the Sistine roof to cover the crenelated parapet. Quarters for the soldiers, above the vault that Michelangelo had been ordered to paint, were now unused. Strong sunlight was streaming in from three tall windows, lighting the glorious frescoes of Botticelli and Rosselli op-posite, shooting strong beams of light across the variegated marble floor. The side walls, one hundred and thirty-three feet long, were divided into three zones on their way up to the barrel vault, sixty-eight feet above: the lowest area was covered by tapestries, the frieze of frescoes filled the second and middle area. Above these frescoes was a cornice or horizontal molding, projecting a couple of feet out from the wall. »


Irving Stone (14 juli 1903 – 26 augustus 1989)
Cover

 

De Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg werd geboren op 14 juli 1916 in Palermo. Zie ook alle tags voor Natalia Ginzburg op dit blog.

Uit: Al onze gisterens (Vertaald door Henny Vlot)

“Het portret van moeder hing in de eetkamer: een vrouw op een stoel met een hoed met veren en een lang, vermoeid, ver-schrikt gezicht. Ze had altijd een zwakke gezondheid gehad, leed aan duizelingen en hartkloppingen, en vier kinderen wa-ren te veel voor haar geweest. Ze was kort na Anna’s geboorte gestorven. Op zondag gingen ze af en toe naar het kerkhof: Anna, Giustino en juffrouw Maria. Concettina niet, want die zette ’s zondags nooit een voet buiten de deur, het was een dag die ze verfoeide. Ze zat opgesloten in haar kamer sokken te stoppen, met haar lelijkste jurk aan. En Ippolito moest vader gezelschap houden. Op het kerkhof bad juffrouw Maria, maar de twee kinderen niet, want vader zei altijd dat bidden iets stoms was, misschien bestond God wel maar je hoefde niet te bidden, Hij was immers God en wist zelf wel wat er aan de hand was. Toen moeder nog niet dood was, woonde juffrouw Ma-ria niet bij hen in, maar bij grootmoeder, vaders moeder, en maakten ze samen reizen. Op de koffers van juffrouw Ma-ria zaten plaatjes van hotels, en in een kast hing een jurk van haar met knopen in de vorm van sparrenboompjes, gekocht in Tirol. Grootmoeder was verzot op reizen en had er nooit mee op willen houden. Zo had ze al haar geld opgemaakt, want ze logeerde graag in luxehotels. De laatste jaren was ze erg onhebbelijk geworden, vertelde juffrouw Maria, want ze kon niet aanvaarden dat ze geen geld meer had, het was on-verklaarbaar waarom, af en toe vergat ze het en wilde ze een hoed kopen; dan moest juffrouw Maria haar wegtrekken bij de etalage, terwijl grootmoeder met haar paraplu op de grond sloeg en op haar voile beet van kwaadheid. Nu was ze begra-ven in Nice, waar ze gestorven was, de plaats waar ze zich zo had geamuseerd in haar jeugd, toen ze fris en mooi was en al haar geld nog had. Juffrouw Maria was heel tevreden als ze kon praten over het geld dat grootmoeder had gehad, en als ze kon vertellen en opscheppen over de reizen die ze hadden gemaakt. Juffrouw Maria was heel klein, en als ze zat, raakten haar voeten de grond niet. Daarom hulde ze zich in een deken wanneer ze zat, want ze wilde niet graag laten zien dat haar voeten niet bij de grond kwamen. De deken kwam nog van het rijtuig: zij en grootmoeder hadden hem twintig jaar geleden over hun knieën liggen, als ze in het rijtuig de stad rondreden. Juffrouw Maria deed altijd wat rouge op haar wangen, en ze hield er niet van als ze haar ’s morgens vroeg zagen wanneer ze haar rouge nog niet op had; zo sloop ze stilletjes en ineengedoken naar de badkamer, terwijl ze schrok en heel boos werd als ie-mand haar in de gang staande hield om haar iets te vragen.”


Natalia Ginzburg (14 juli 1916 – 7 oktober 1991)
Cover

 

De Franse schrijver en letterkundige Jacques de Lacretelle werd geboren in Cormatin (Saône-et-Loire) op 14 juli 1888. Zie ook alle tags voor Jacques de Lacretelle op dit blog.

Uit: Silbermann

« Nous étions toujours devant la statue.
– Est-ce que tu aimes La Fontaine ? me demanda-t-il.
Et comme cette question me laissait embarrassé, il reprit avec vivacité :
– Mon cher, c’est bien simple : La Fontaine est notre plus grand peintre de mœurs. Dans ces fables qu’on nous fait ânonner, il a dépeint son siècle. Louis XIV et la cour, la bourgeoisie et les paysans de son temps, voilà ce qu’il faut voir derrière les divers animaux. Et alors, comme l’anecdote prend de la valeur ! Combien il est audacieux dans sa moralité ! C’est ce que Taine a très bien compris… Tu as lu La Fontaine et ses fables ?
Je fis signe que non.
– Je te le prêterai.
Je ne répondis rien. J’étais étourdi. Ce garçon qui possédait des livres rares, qui distinguait avec assurance : “ceci est beau… cela ne l’est pas” ; qui avait voyagé, lu, observé, retenu des exemples, jetait en mon esprit tant de notions admirables que cette profusion me confondait. Je tournai les yeux vers lui. Qu’il fût supérieur à tous les camarades que j’avais, cela était évident et je n’en doutais pas ; mais je jugeais encore que je n’avais rencontré ni dans ma famille ni parmi notre milieu quelqu’un qui lui fût comparable. Ce goût si vif pour les choses de l’intelligence et cette façon si pratique de les présenter, cette adresse pour mettre à portée de main ce qui est élevé, étaient pour moi des qualités vraiment neuves. Et cette parole forte et aimable à la fois, qui imposait en même temps qu’elle charmait, qui donc s’en trouvait doué dans mon entourage ?
Il n’avait pas cessé de parler, citant des noms d’écrivains et des titres d’ouvrages.
J’avais un immense respect pour tout ce qui touchait à la littérature. Je plaçais certains écrivains qui avaient éveillé mon admiration au-dessus de l’humanité entière, à l’image des divinités de l’Olympe. Silbermann m’instruisait de bien des faits que j’ignorais, discourant facilement de l’un et de l’autre. Il me révéla finalement que son dieu était le “père Hugo”. Je l’écoutais avec avidité. Cependant, fut-ce cette familiarité, fut-ce l’éclat de sa voix ou la couleur un peu étrange de son teint ? je ne sais, mais j’eus à ce moment la vision d’une scène qui amena un léger recul de ma part. Souvent, à Aiguesbelles, un marchand de fruits, un Espagnol à la peau basanée, passait sur la route et arrêtait sa charrette devant le mas, criant bizarrement sa marchandise et maniant sans délicatesse les belles pommes écarlates, les pêches tendres et poudrées, les prunes lisses et glacées.”


Jacques de Lacretelle (14 juli 1888 – 2 januari 1985)
Cover

 

De Russische dichter Gavrila Romanovitsj Derzjavin werd geboren in Kazan op 14 juli 1743. Zie ook alle tags voor Gavrila Derzjavin op dit blog.

 

To Rulers And Judges

He’s risen – Highest God – to do the judgment, fair,
Of the earthly ones in their whole band;
How long – he sad – how long will you else spare
The unjust and wicked people in your land.

Your sacred duty is to make support for laws,
To make no favor to the strongest ones,
To leave the widows and orphans in your borders
Without help and safety not once.

To save the innocent from all that harm and wrong is,
To give good shelter to unhappy folks,
To shield the weak from evil of the strongest,
To drew the poor from their heavy bonds.

They don’t hear the words! They see and they don’t know
Their eyes are covered with a veil of bribes and wealth,
The black injustice shakes the havens’ dome,
And wicked deeds convulse the whole earth.

I thought, kings, you are strong as strong the gods of heavens,
And nobody else can judge you on the earth,
But you, like I, live in the yoke of passions,
And, just like I’m , are serfs of the Lord Death.

And you shall fall like leafs fall, that are withered,
From wet and bare trees by the autumnal sky!
And you will die, the great and wealthy caesar,
Just like your poorest slave will die!

Arise, at last, O God! God of the just and purest!
Hark to the prayers they recall with for your grace:
Come, judge, chastise the wicked worldly rulers,
And be the only king on Haven and the earth


Gavrila Derzjavin (14 juli 1743 – 20 juli 1816)
Portret door Ivan Smirnovsky, jaren 1790

 

De Franse schrijfster van Belgische origine Béatrix Beck werd geboren in Villars-sur-Ollon op 14 juli 1914. Zie ook alle tags voor Béatrix Beck op dit blog.

Uit: La décharge

« Nous avions même une citrouille maousse, vous écrivez des mots dessus, ils grandissent. Robert écrivit Cloporte et Margouille pour Clotilde et Marguerite, j’écrivis Rodomont pour Robert, Clotilde dessina un cœur percé d’une flèche, dedans Papa Maman. Guitou ne voulait rien écrire, elle est très cachottière, on l’a forcée, alors elle a marqué Demain, c’est le commencement d’une récitation que leur apprenait Mlle Mininer.
Le conseil municipal a refusé à Papa de cultiver le cime, pourtant désaffecté. Fleurs oui, légumes non. Pour être convenable il faut que ce soit inutile. Ce n’est pas la question beauté, les légumes sont aussi beaux que les fleurs. Une laitue est une rose verte et il faut être tordu pour avoir moins de plaisir à regarder un chou violet ou une tomate qu’un dahlia ou un lys rouge.
Dans notre chez nous on était bien, ça faisait caisse géante à nos mesures. Les gens disaient qu’on vivait comme des bêtes. Je trouve qu’on avait pas tort, j’aime les bêtes. Ils disaient aussi qu’on était des bohémiens. Ce n’est pas vrai. A cause des yeux noirs de Maman et Clotilde mais ça ne prouve rien. Est-ce qu’on leur a volé seulement un sou, une pomme ? On a bien trop peur des gendarmes. Maman n’était pas du village, elle venait de l’autre côté de la forêt, ici on aime pas les étrangers mais tant qu’on habitait Grande-Rue et que Papa avait ses deux bras, ils nous acceptaient.
(…)

– Justement il faut éviter de se perdre. Tu as l’air d’en dire trop peu parce que tu en dis trop. Par exemple, on se demande pourquoi l’assistante sociale vous avait envoyé les gendarmes.
– A moins d’être demeuré, on comprend bien que c’est Pa…
– Tais-toi, Noémie.
Je veux bien, mais pourquoi est-ce qu’il ne faut pas parler de ça dans un cahier de brouillons que je brûlerai quand j’aurai tout mis au propre ? Le mal est dans l’œil de celui qui le voit.
Elle revient à la charge pour que je décrive la forêt, mais ça ferait deux forêts, une de trop. Il ne faut pas parler pour ne rien dire. La Décharge c’est différent, puisqu’elle n’existe plus, c’est un souvenir.”


Béatrix Beck (14 juli 1914 – 30 november 2008)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e juli ook mijn blog van 14 juli 2017.

Yukiko Motoya

De Japanse schrijfster Yukiko Motoya werd geboren op 14 juli 1979 in Hakusan, Ishikawa. Na het voltooien van de middelbare school verhuisde Motoya naar Tokio voor een opleiding tot actrice en kreeg zij een rol als stemactrice in de Hideaki Anno anime-bewerking van Kare Kano, maar zij verlegde haar focus naar schrijven nadat een leraar een kort toneelstuk had geprezen dat Motoya schreef voor de afstudeerceremonie van de school. Ze richtte in 2000 haar eigen theatergezelschap op, genaamd “Gekidan Motoyo Yukiko” en begon haar eigen toneelstukken te schrijven en te ensceneren. Haar roman “Funukedomo kanashimi no ai o misero” (Funuke, toon wat liefde, losers!) werd in 2005 uitgegeven en in 2007 bewerkt tot een gelijknamige film, die op het filmfestival van Cannes werd vertoond. Van 2005 tot 2006 presenteerde Motoya een nachtelijk radioprogramma. In 2006 werd Motoya de jongste persoon die ooit de herdenkingsprijs Tsuruya Nanboku ontving voor haar toneelstuk Sōnan (Tegenspoed). Datzelfde jaar bezocht ze de Verenigde Staten als onderdeel van een uitwisselingsprogramma voor toneelschrijvers. Een Engelse versie van haar toneelstuk “Vengeance can Wait” ging in première in 2008 op het Best of Boroughs Festival in New York City. In 2009 speelde haar toneelstuk “Shiawase saiko arigatō maji de”, over een vrouw die het huis van een echtpaar binnengaat en verklaart dat zij de minnares van de man is, won de 53e Kishida Kunio Drama Award, en het jaar daarop ging een verfilming van “Vengeance Can Wait” in première in Japan. Motoya’s bekroonde roman “Nurui doku” (Warm Vergif) werd in 2011 gepubliceerd, Voor haar roman “Arashi no pikunikku” (Picknick in de storm), gepubliceerd in 2012, kreeg zij de 7e Kenzaburo Oe-prijs 2013. Voor haar roman “Jibun wo suki ni naru houhou”, gepubliceerd in 2013, ontving zij het jaar ervoor de 27e Mishima Yukio-prijs. In 2016, na eerder drie keer genomineerd te zijn voor de Akutagawa-prijs, kreeg Motoya de 154e Akutagawa-prijs voor haar boek “Irui konin tan” (Engels: “Tales of Marriage to a Different Sort: ). In 2018 werd een verzameling korte verhalen gepubliceerd onder de titel “De eenzame bodybuilder”.

Uit: The Lonesome Bodybuilder (Vertaald door Asa Yoneda)

“When I got home from the supermarket, my husband was watching a boxing match on TV. “I didn’t know you watched this kind of thing. I never would have guessed,” I said, putting down the bags of groceries on the living room table. He made a noncommittal noise from the sofa. He seemed to be really engrossed. “Who’s winning? The big one or the little one?” I sat on the sofa next to him and took off my scarf. I’d planned on starting dinner right away, but the gears on my bicycle hadn’t been working, and I was a little tired. Just a short break. Fifteen minutes. Eyes still glued to the TV, my husband explained that the little one was looking stronger so far. They seemed to have reached the end of a round, and the gong was clanging loudly. Both fighters were covered in blood, I guessed from getting cuts on their faces from their opponent’s punches, and as soon as they sat down on the chairs in their corners, their seconds threw water over their heads. “It’s like animals bathing. So wild.” I’d tried to make sure the “wild” didn’t sound too reproachful, but my husband picked up on it. “That’s the kind of man you really want, isn’t it?” “What? What are you talking about?” “Don’t pretend. I know. I know you secretly want a brute to have his way with you.”
“You know I prefer intellectual men. I don’t want an insensitive jock.” He put the remote he’d been clutching back on the table, then pulled up his sweater sleeve and wrapped his fingers around his wrist, as if taking his own pulse. His wrist was far thinner than the boxers’, it was true. “It’s like you might be some kind of artist,” I teased. He hated being pitied more than anything, so I was careful to make it sound like a joke. “Are you saying you wouldn’t go along with it, if a guy like that came on to you?” Say something, anything, to build his confidence back up, I thought, but my attention had been stolen again by the men on the TV. My blood pumped, and I could feel my body getting hot. “Of course I wouldn’t go along with it! Anyway, it’s not like that would ever happen.” Fighters are so beautiful. Incredible bodies, both of them. Taut bone and flesh, nothing wasted. My husband spoke again. “What do you think of my body?” “I like it. Your skin’s so fair, and soft.” Why had I never watched this kind of thing before? Boxing, pro wrestling, mixed martial arts—I’d assumed they weren’t for me. How wrong I was. I always do that. I decide who I am, and never consider other possibilities. I’ve been like that since middle school. The time I went to the amusement park with my friends and decided that a quiet girl like me wouldn’t like roller coasters, I was the only one who didn’t get on the ride. Someone like me would obviously sign up for one of the cultural activities at school.”

 
Yukiko Motoya (Hakusan, 14 juli 1979)