Magdalene—The Seven Devils (Marie Howe)

 

Bij de derde zondag na Pinksteren

 

 
La guérison du Démoniaque door Sébastien Bourdon, 1660

 

Magdalene—The Seven Devils

“Mary, called Magdalene, from whom seven devils had been cast out”,Luke 8:2.

The first was that I was very busy.

The second—I was different from you: whatever happened to you could
not happen to me, not like that.

The third—I worried.

The fourth—envy, disguised as compassion.

The fifth was that I refused to consider the quality of life of the aphid,
The aphid disgusted me. But I couldn’t stop thinking about it.
The mosquito too—its face. And the ant—its bifurcated body.

Ok the first was that I was so busy.

The second that I might make the wrong choice,
because I had decided to take that plane that day,
that flight, before noon, so as to arrive early
and, I shouldn’t have wanted that.
The third was that if I walked past the certain place on the street
the house would blow up.

The fourth was that I was made of guts and blood with a thin layer
of skin lightly thrown over the whole thing.

The fifth was that the dead seemed more alive to me than the living

The sixth—if I touched my right arm I had to touch my left arm, and if I
touched the left arm a little harder than I’d first touched the right then I had
to retouch the left and then touch the right again so it would be even.

The seventh—I knew I was breathing the expelled breath of everything that
was alive, and I couldn’t stand it.
I wanted a sieve, a mask, a, I hate this word—cheesecloth—
to breath through that would trap it—whatever was inside everyone else that
entered me when I breathed in.

No. That was the first one.

The second was that I was so busy. I had no time. How had this happened?
How had our lives gotten like this?

The third was that I couldn’t eat food if I really saw it—distinct, separate
from me in a bowl or on a plate.

Ok. The first was that. I could never get to the end of the list.
The second was that the laundry was never finally done.

The third was that no one knew me, although they thought they did.
And that if people thought of me as little as I thought of them then what was
love?

The fourth was I didn’t belong to anyone. I wouldn’t allow myself to belong
to anyone.

The fifth was that I knew none of us could ever know what we didn’t know.

The sixth was that I projected onto others what I myself was feeling.

The seventh was the way my mother looked when she was dying,
the sound she made—her mouth wrenched to the right and cupped open
so as to take in as much air… the gurgling sound, so loud
we had to speak louder to hear each other over it.

And that I couldn’t stop hearing it—years later—grocery shopping, crossing the street—

No, not the sound—it was her body’s hunger
finally evident—what our mother had hidden all her life.

For months I dreamt of knucklebones and roots,
the slabs of sidewalk pushed up like crooked teeth by what grew underneath.

The underneath. That was the first devil. It was always with me
And that I didn’t think you—if I told you—would understand any of this—

 

 
Marie Howe (Rochester, 1950)
Christ Church, in Rochester, New York, de geboorteplaats van Marie Howe

 

Zie voor de schrijvers van de 10e juni ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Louis Couperus, D. Hooijer, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Noodlot

“De handen in de zakken, den kraag van zijn pels op, ging Frank door het stuiven der sneeuw voort, langs den eenzamen Adelaïde-Road, in den avond. Toen hij het villa-tje naderde, waar hij woonde, – White-Rose, geheel gedoken, gedompeld, verzonken in de blankheid der sneeuw, als een nestje in watten, – zag hij iemand op zich afkomen, van Primrose Hill. Hij richtte zijn blik vast op het gelaat van den man, die hem blijkbaar wilde aanspreken; niet wetende wat deze in zijn schild voerde in dien eenzamen sneeuwnacht, en hij was zeer verbaasd, toen hij, in het Hollandsch, hoorde:
– Neemt u me niet kwalijk… is u niet meneer Westhove?
– Ja, antwoordde Frank. Wie is u? Wat is er?
– Ik ben Robert van Maeren, misschien herinnert u zich…
– Bertie, jij? riep Frank uit. Hoe kom je hier in Londen!
En in zijne verbazing, zag hij, door het stuiven der sneeuw heen, een vizioen verrijzen uit zijn jeugd, een helder tafereel van jongensvriendschap, iets jongs en warms…
– Misschien niet zoo heel toevallig! antwoordde de vreemde, wiens stem bij den klank van dien verkleinnaam ‘Bertie’ iets vaster klonk; ik wist, dat u hier woonde en ik ben al driemaal aan uw deur geweest, maar u was niet thuis. De juffrouw zei, dat u van avond toch thuis zoû komen en daarom ben ik zoo vrij geweest hier op u te wachten…
De stem verloor weêr alle vastheid en werd smeekend, als van een bedelaar.
– Moest je me zoo dringend spreken? vroeg Frank verbaasd.
– Ja… ik woû… of u me misschien helpen kon… ik ken hier niemand…
– Waar woon je?
– Nergens; ik ben van morgen vroeg hier aangekomen en ik heb… ik heb geen geld…
En hij kromp, huiverend van het staan in de koude tijdens dit korte gesprek, zich bijna smeekend samen, als een hond, die bang is.
– Ga maar meê met me, sprak Frank, vol verbazing, medelijden, vol van de warme herinneringen zijner jongensjaren. Kom maar van nacht bij me.
– O ja, graag! klonk het antwoord, haastig en bevend, als angstig voor eene terugname dier goddelijke woorden.
Zij gingen samen een paar passen voort; toen haalde Frank den sleutel uit zijn zak, den sleutel van White-Rose. Hij opende de deur; een zeshoekige Moorsche lantaren scheen in de vestibule zacht met halve vlam.”

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Cover

 

De Nederlands dichteres en schrijfster D. Hooijer (pseudoniem van Catharina Antonetta (Kitty) Ruys-Krijgers Janzen) werd geboren in Hilversum op 10 juni 1939. Zie alle tags voor D. Hooijer op dit blog.

 

Twee gedichten

de laatste kerk op de heizee
gesloopt, de muren, de daken
de miniature armen en benen

een oude kapelvloer komt boven
daaraan nog de adem
van de Maria-gebeden

graaf door, de goden
werd wijn opgedrongen de verzoeken
deugden de helft van de tegenpartij

graaf door de tweede potsol
de steen met de bloedgoot
dat bidden was handel

nooit knielde de slachter, nooit
nam een god een beet
van het offer – overwoog hij beloning.

 

Ik ken niets van de dood, geen hand
geen stap vlak is zijn terrein totdat
we zwemmen in water
zonder bovenkant.

Ik ken hem niet, ken hem steeds
minder steeds minder juist
vind ik zijn waarheid
en ik vecht licht.

Stel de egel voelt aan zijn stekels
en knikt voor hij zich inrolt
zo licht vecht ik,
een duif wil het.

 
D. Hooijer (10 juni 1939 – 25 september 2013)

 

De Nederlandse dichter Jacques Fabrice Herman Perk werd geboren in Dordrecht op 10 juni 1859. Zie ook alle tags voor Jacques Perk op dit blog.

 

Liefde

Het vurig hart des jonglings, haast nog kind,
Gevoelt een rijke en ongekende weelde,
Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt,
Zooals die nooit het jong gemoed nog streelde.

Hij ziet de jonkvrouw, de met schoon bedeelde….
En die geen zege wil, zij overwint.
Hij mint het Schoone… en liefde is ingebeelde,
Als hij de ‘liefde’ van de vrouw bemint. –

Mathilde! ik vond de liefde in elke vrouw,
Ik heb van ’t schoone in allen haast gevonden,
En velen liefgehad te goeder trouw,

Maar die geliefden, allen saêmverbonden,
Bezitten niet, wat ik in ú aanschouw,
Die meer bekoort, dan zij tezamen konden.

 

Ik min uw minnaar

Dai ik mijn hoofd mocht aan uw boezem vlijen,
En zalig zijn als een onschuldig kind,
En duizendmaal met blijden blik belijden,
Dat gij, Mathilde, mij bezielt, bezint;

Dat ik gelukkig ben, nu u verbindt
De band der trouw, dien de eeuwigheid zal wijden…!
Ik heb hem lief, (omdat gij hem bemint)
Wiens min voor u mijn liefde doet gedijen.

Gij wilt mij, u te minnen, niet verbieden:
Ik bedel ú niet om uw wedermin,
Schutsengel! Gij zijt ziel, – en mijn Godin!

Ik schijn u als de zonnebloem de zon te ontvlieden.
Ik ben, zoolang gij mij uw bijzijn gunt,
Gelukkig, nu gij ’t innig wezen kunt!

 

Die lach

Zooals wanneer op eens de zonneschijn
Door ’t zwart der breede wolken heen komt breken,
En schittert in de tranen, die er leken
Van blad en bloem, als vloeiend kristallijn,

Zóó, dat het weenen lachen schijnt te zijn:
Zoo is, wat mij ontstemt, op eens geweken,
Mathilde! ontsluit úw mond zich om te spreken,
En doolt een glimlach om uw lippen, fijn: –

Doch van den lach is glimlach dageraad,
En klinkt uw lach, hoe drinken hem mijne ooren!
De vreugde vaart door pols en vezel rond, –

En met geloken oog zie ‘k uw gelaat,
Zoo zonnig: ‘k meen uw zilvren lach te hooren,
Wanneer ik roerloos wacht op de’ uchtendstond….

 
Jacques Perk (10 juni 1859 – 1 november 1881)
Portret door Johan Heinrich Neuman, 1882

 

De Amerikaanse schrijver James Salter werd op 10 juni 1925 in New York geboren. Zie ook alle tags voor James Salter op dit blog.

Uit: Last Night

“Philip married Adele on a day in June. It was cloudy and the wind was blowing. Later the sun came out. It had been a while since Adele had married and she wore white: white pumps with low heels, a long white skirt that clung to her hips, a filmy blouse with a white bra underneath, and around her neck a string of freshwater pearls. They were married in her house, the one she’d gotten in the divorce. All her friends were there. She believed strongly in friendship. The room was crowded.
— I, Adele, she said in a clear voice, give myself to you, Phil, completely as your wife . . . Behind her as best man, somewhat oblivious, her young son was standing, and pinned to her panties as something borrowed was a small silver disc, actually a St. Christopher’s medal her father had worn in the war; she had several times rolled down the waistband of her skirt to show it to people. Near the door, under the impression that she was part of a garden tour, was an old woman who held a little dog by the handle of a cane hooked through his collar.
At the reception Adele smiled with happiness, drank too much, laughed, and scratched her bare arms with long showgirl nails. Her new husband admired her. He could have licked her palms like a calf does salt. She was still young enough to be good-looking, the final blaze of it, though she was too old for children, at least if she had anything to say about it. Summer was coming. Out of the afternoon haze she would appear, in her black bathing suit, limbs all tan, the brilliant sun behind her. She was the strong figure walking up the smooth sand from the sea, her legs, her wet swimmer’s hair, the grace of her, all careless and unhurried.
They settled into life together, hers mostly. It was her furniture and her books, though they were largely unread. She liked to tell stories about DeLereo, her first husband—Frank, his name was—the heir to a garbage-hauling empire. She called him Delerium, but the stories were not unaffectionate. Loyalty—it came from her childhood as well as the years of marriage, eight exhausting years, as she said—was her code. The terms of marriage had been simple, she admitted. Her job was to be dressed, have dinner ready, and be fucked once a day. One time in Florida with another couple they chartered a boat to go bonefishing off Bimini.”


James Salter (10 juni 1925 – 19 juni 2015)

 

De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Mensje van Keulen op dit blog.

Uit: Neerslag van een huwelijk

“1 januari 1977
De klok op de televisie sloeg twaalf. Gelukkig nieuwjaar.
We waren in het appartement van John J., die er net twee dagen woonde. Fl 150.000 voor drie kamers en dat schijnt mee te vallen. Een paar jongetjes op de Nieuwe Herengracht staken vuurwerk af. Ik moest, zoals elk jaar, denken aan de kerstbomenjacht vroeger in mijn Haagse buurt, de fik die het afsloot, soms zo gigantisch dat er ramen sprongen.
C kwam, ging bij Lon in een hoek zitten en is er niet meer uit gekomen. Uiteindelijk zaten ze belachelijk ernstig te fluisteren. Om me heen deed iedereen of er niets aan de hand was en ik probeerde te luisteren en af en toe deel te nemen aan het gesprek en mee te lachen, terwijl mijn hart als een gek tekeerging.
Gelukkig nieuwjaar.
Ik liet de auto staan op de gracht, ter hoogte van het Vrouwenhuis, waar straat en stoep schoon waren. Het was tussen vijf en zes. Ik rende zowat naar huis, zag mijn witte laarsjes stappen. We zeiden geen woord. Gingen naar bed. Geen woord. Toen Lon sliep ging ik naar mijn kamer, dronk een glas whisky en viel op het logeerbed in slaap.
Een of twee uur later stond Lon naast me. Hij kroop bij me in het smalle bed. We gingen naar boven, sliepen verder. Toen we ontwaakten, was hij aanhankelijk, ik bleef voor dood liggen. Op een gegeven moment ging ik overeind zitten en zei zonder erbij na te denken: ‘Thee? Koffie?’
‘Blijf nog even liggen.’
En toen, ik weet niet meer hoe ik begon, stroomden de woorden eruit. Af en toe hoorde ik mezelf van alles uitroepen. Hij bleef geduldig, veegde mijn tranen weg.
Ik zei het ineens: ‘Ik weet zeker dat je wat met haar hebt. Ze kijkt naar me of ze last van haar geweten heeft of iets van me wil. Wat een plaatje vannacht, niet om aan te zien!’ Ik ging maar door en hij liet me maar praten, werd niet kwaad, liep niet weg. Het kan niet waar zijn, dacht ik. Het kan niet, het mag niet, ik heb zelf ook wel wat te vertellen. En zal dan meteen erachteraan zeggen: ‘Maar het stelde niets voor.’ Dat cliché, al is het gemeend. Zou het helpen? Zou het juist erger worden?”

 


Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)
Cover

 

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook alle tags voor Jan Brokken op dit blog.

Uit: Baltische zielen

“De maan kwam net op toen de loodsboot langszij draaide. Huig en ik konden inrukken; de loods zou wel weten waar de mijnen lagen. Kort na middernacht voer het schip de haven van Pärnu binnen en meerde recht tegenover het stadje af, aan een smalle kade. Ons schip was het enige in de haven.
Midden in de nacht werd ik van bed gelicht door de eerste stuurman. De grenspolitie wilde zien of mijn gezicht bij de foto in mijn paspoort hoorde. Ik kleedde me aan en liep naar de hut van de kapitein. Drie chagrijnige koppen keken me aan. De grenswachters hadden om sloffen sigaretten gevraagd en de kapitein had ze de huid vol gescholden. ‘De zak,’ mompelde de eerste stuur, ‘als hij zich niet zo Hollands calvinistisch had gedragen, hadden we kunnen blijven maffen.’
Een voor een moesten we voor de grenswachters verschijnen. Ik werd het langst ondervraagd, van de negen man aan boord was ik de enige passagier.
‘Why are you hanging around on this ship?’
‘Ik wilde de Oostzee zien,’ antwoordde ik slaperig in het Engels.
‘Is daar dan iets bijzonders aan?’
‘Volgens zeelieden is het de mooiste aller zeeën.’
‘Hebben wij nooit iets van gemerkt.’
‘Het licht is bijzonder. Zacht en warm.’
‘Het licht?’ De mannen keken elkaar aan.
‘Het smeult in de herfst.’
‘Wat doet u voor de kost?’
‘Schrijver.’
‘O…’
Dan was je gewoon gek in plaats van gevaarlijk.
In de manier waarop mijn paspoort werd gestempeld, meende ik iets schampers te zien.
De volgende ochtend, een maandagmorgen, ging ik aan land. De huizen van Pärnu stonden in de steigers of waren net geel, rood, helder grijs of blauw geschilderd.”


Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Saul Bellow, Ion Creanga, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Antun Mihanović,, Tijl Nuyts

De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook alle tags voor Saul Bellow op dit blog.

Uit: By The St. Lawrence

“Not the Rob Rexler?
Yes, Rexler, the man who wrote all those books on theater and cinema in Weimar Germany, the author of Postwar Berlin and of the controversial study of Bertolt Brecht. Quite an old man now and, it turns out, though you wouldn’t have guessed it from his work, physically handicapped-not disabled, only slightly crippled in adolescence by infantile paralysis. You picture a tall man when you read him, and his actual short, stooped figure is something of a surprise. You don’t expect the author of those swift sentences to have an abrupt neck, a long jaw, and a knot-back. But these are minor items, and in conversation with him you quickly forget his disabilities.
Because New York has been his base for half a century, it is assumed that he comes from the East Side or Brooklyn. In fact he is a Canadian, born in Lachine, Quebec, an unlikely birthplace for a historian who has written so much about cosmopolitan Berlin, about nihilism, decadence, Marxism, national socialism, and who described the trenches of World War I as “man sandwiches” served up by the leaders of the great powers.
Yes, he was born in Lachine to parents from Kiev. His childhood was divided between Lachine and Montreal. And just now, after a near-fatal illness, he had had a curious desire or need to see Lachine again. For this reason he accepted a lecture invitation from McGill University despite his waning interest in (and a growing dislike for) Bertolt Brecht. Tired of Brecht and his Marxism-his Stalinism-he stuck with him somehow. He might have canceled the trip. He was still convalescent and weak. He had written to his McGill contact, “I’ve been playing hopscotch at death’s door, and since I travel alone I have to arrange for wheelchairs between the ticket counter and the gate. Can I count on being met at Dorval?”
He counted also on a driver to take him to Lachine. He asked him to park the Mercedes limo in front of his birthplace. The street was empty. The low brick house was the only one left standing. All the buildings for blocks around had been torn down. He told the driver, “I’m going to walk down to the river. Can you wait for about an hour?” He anticipated correctly that his legs would soon tire and that the empty streets would be cold, too. Late October was almost wintry in these parts. Rexler was wearing his dark-green cloaklike Salzburg loden coat.”

 


Saul Bellow (10 juni 1915 – 5 april 2005)
 

 

De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti. Zie ook alle tags voor Ion Creanga op dit blog.

Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu en R.C. Johnston)

“Yet, the true St. Nicholas seems to have been mindful of me, for, lo and behold, that blessed boy walked into the schoolroom. Where upon, with permission or not, I made for the door, slipped out quickly, and, never lingering about the school, took to my heels homewards! A glance over my shoulder showed me two hulking brutes already on my tracks. Then I started running so fast that my feet struck sparks out of the ground! I passed our house without going in, turned left and entered the yard of one of our neighbors; from the yard I went into the stableyard, and from the stableyard into the maize field, newly hoed and tilled, with the boys after me. Before they reached me, scared out of my wits as I was, I somehow managed to burrow into the mound at the root of a maize stalk. Nica, Costache’s son, with Toader, Catinca’s son, an equally loathsome brute, passed by me, saying just what they were going to do to me.
Surely the Lord blinded them, so that they couldn’t find me! After a while, hearing no rustling of maize leaves, not even a hen scratching the ground, I suddenly darted out, with earth on my head, and rushed home to mother and began telling her with tears in my eyes that I would not go back to school, no, not if they were to kill me. The next day, however, the priest came to our house and settled things with father; they calmed me down and took me back to school again. “For really, it’s a pity to be left without any education, ” the priest was saying, “you’re now past your ABC’s, you’re working on the prayerbook, and, one of these days, you’ll go on to the psalter, which is the key to all wisdom. And who can tell what time has in store for us? Maybe you’ll live to become the priest here, at the church of St. Nicholas, because it’s for the likes of you that I take the pains I do. I have an only daughter, and I will think seriously about my choice of a son-in-law.”


Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)

 

De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook alle tags voor Oktay Rifat op dit blog.

 

Agamemnon I (Fragment)

Leaving the ships to be scraped we trudged on, and reached a valley; each of us rolled a cigarette with fingers gnarled or missing.
A smoke killed time as we crouched and leant against the rocks.
The quickest way to kill time! It gets less and less or ends for good. Or then again, it expands against the pull of earth and the north-caster! Panting like squirrels, suspicious, always suspicious!
Whatever is ours is behind the mountain. But they are there, running away in the sudden flight of a partridge, or in a lizard’s glance, in every hole and under every stone.
They turned their fiery sharp savage weapons of destruction against us, cowardly with their long-shadowed spears, murderous as their guns or mortars, shells and bazookas.
Just when we say they can’t increase, they do! Their faces are like ours but inside their armour are gods, their luminous eyes terrifying!
`What have we done wrong?’ we asked, ‘can someone tell us our crime?’ We know the weight of guilt. Our backs bent double under this rock, our teeth blackened with tbis water.
If we must land up in hospital wards or in prison cells, or be sold dirt-cheap in the labour-market, so be it!
From behind the barbed wire let’s look at someone taking random instant photographs of the white muslin over the copper yoghurt vessel, or of the huge Prison full of light!

In the evening the water in our jug is finished and perched on stone, or sometimes concrete, our birds all fly away.
One piece of lokum remains on the rose-patterned plate – God knows how! The fruit on the branch consumes night for us.
Yes, for us! Agamemnon laughs at this. Diomedes belts on his swords to become the icon of deathless epics.

 

Vertaald door Richard McKane en Ruth Christie

 
Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)
Trabzon

 

De Duitse schrijver Peter Kurzeck werd geboren op 10 juni 1943 in Tachau, Bohemen. Zie ook alle tags voor Peter Kurzeck op dit blog.

Uit: Ein Kirschkern im März

„Im Westend ein vornehmes Mietshaus. Die Wohnung im zweiten Stock und im Dachgeschoß nochmal zwei Zimmer. Birgit und Peter heißen meine Gastgeber. Und Domi ihr Sohn. Mit Carina im Kinderladen. Birgit ist Lehrerin. Sie will malen. Als Lehrerin eine halbe Stelle. Schon ihr Leben lang will sie malen. Und Peter (der andere Peter, sagen Domi und Carina, mein Peter und dein Peter) am Institut für Friedens- und Konfliktforschung. Bart und Doktortitel. Ein freundliches Gesicht. Birgits Arbeitszimmer mit hellen Möbeln, die nach Bienenwachs riechen. Ihr Schreibtisch schon für mich leergeräumt. Über dem Schreibtisch ein Oberlichtfenster. Viel Himmel und den ganzen Tag hell das Licht auf den Schreibtisch. Ein großer Strauß frische Tulpen und ein voller Obstkorb für mich. Wie für ein Bild der Obstkorb und Kunstbücher in den Regalen. Teppich und Holzfußboden. Und ein Sofa, aus dem man mit drei Handgriffen ein Bett machen kann. Hier also. Und daneben das zweite, sein Arbeitszimmer. Groß. In der Mitte ein Schreibtisch und noch zwei Tische daneben. Überall Papier, Akten, Mappen und Ordner. Regale, ein Schrank. Auf dem Fußboden Domis Spielzeug. Playmobil. Eine Ritterburg, Elefanten, Bauernhoftiere, ein Indianerlager und Schiffe. Ein Meer von Schiffen. Drei Fenster nach Westen und unter den Fenstern eine stille Nachmittagsseitenstraße. Du kannst mein Arbeitszimmer auch mitbenutzen, sagt er zu mir. Tagsüber sowieso, tagsüber ist er in seinem Büro. Mitbenutzen nicht, sagte ich mir, aber manchmal zur Tür herein und durch das Licht und die Stille von Fenster zu Fenster. Hier also! Und dann noch das Bad. Ein kleines perfektes Bad. Für heißes Wasser ein Boiler mit bunten Lämpchen. Und im Vorraum zum Bad Waschmaschine, Kühlschrank und Kochplatte. Also gerettet? In Sicherheit? Vorerst gerettet, aber wie lang? Und zusammen mit Freunden noch ein Haus auf dem Land, sagen meine Gastgeber am ersten Tag mittags beim Essen zu mir.In der Schwalm. Klein und alt und für die Wochenenden beinah schon ein bißchen zu weit. Ein Fachwerkhaus mit spitzem Giebel und kleinen Fenstern. Und ein Gärtchen dabei und im Gärtchen die Jahreszeiten. Vielleicht bald einmal zusammen hinfahren, sagen sie. Mit den Kindern. Wenn es jetzt wärmer wird. Görzhain heißt das Dorf. In der Schwalm sind die Winter länger. Schön, daß Carina und Domi sich so gut verstehen. Als Gast, wie lang bleibt man als Gast? Mittag, der erste Tag. Mit meinen Gastgebern essen und nach dem Essen noch jeder einen Kaffee.“


Peter Kurzeck (10 juni 1943 – 25 november 2013)

 

De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796. Zie ook alle tags voor Antun Mihanović op dit blog.

 

Ons mooie vaderland

Ons mooie vaderland,
Zo onverschrokken en verfijnd,
De oude glorie van onze vaders,
moge u voor altijd gelukkig zijn.
Beste, u bent voor ons als enige glorieus,
U bent ons als enige lief,
Beste, waar u een vlakte bent,
Beste, waar u een berg bent.
Drava, Sava, blijf stromen,
Noch de Donau verliest kracht.
Diepe blauwe zee, vertel de wereld,
Dat een Kroaat van zijn volk houdt.
Zolang z’n gebieden in de zonneschijn warm zijn,
Zolang z’n eiken door wilde winden worden geschud,
Zolang z’n doden in graven verborgen liggen,
Zolang zijn levende hart slaat.


Antun Mihanović (10 juni 1796 – 14 november 1861)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Vlaamse dichter Tijl Nuyts werd geboren in 1993. Zie ook alle tags voor Tijl Nuyts op dit blog.

 

Safra

het tetragrammaton licht op in het duister
zon breekt als een stralend mes in onze ogen

onder de trompetboom drinken we zwart vocht
en lezen boeken vol mensenproza
de tijd is een tumor die de taal in een hoek drukt

ik zal jullie vertellen wat ik gisteren zag
vanuit mijn zetel van bruine skai, in de schaduw van de ficus:

een kleuter-krijger liep over het hete asfalt de rotonde op
en slalomde tussen de auto’s

toen hij stilstond op het riooldeksel was de straat leeg
het ene moment stond hij gewoon naast de brievenbus en de kriekelaar
het volgende werd hij opgegeten door papier

(het klinkt raar, ik weet het, maar zo ging het):

boodschappenlijsten, doktersvoorschriften, boeken over ibn ‘arabi
werden aangeblazen door de lome wind en drukten zich op zijn
zomerarmen, -benen, -schouders, -hoofd, -romp, -handen, -voeten;
de bladen bezetten zijn lichaam met kleur en lastlijn

de kleuter-krijger werd volledig gemummificeerd

toen het oud papier even later wegwaaide
was de kleuter-krijger verdwenen

 
Tijl Nuyts (Kortrijk (?), 1993)