Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

De slaapwandelaar

’s Nachts werd hij wakker
midden op een ophaalbrug
die bezig was omhoog te gaan.
Dan rolde hij vanzelf zijn bed weer in.

Of hij bevond zich op zijn kop
in een karretje op de achtbaan
waaruit hij zich liet vallen
om tussen de veren te balanden.

Eén keer viel hij
in een roeibootje in slaap
dat losraakte van de wal.
Het bleek zijn eigen bed
dat terugdreef naar zijn kamer.

Eenmaal in het graf
wentelde hij zich tevreden om:
’s morgens zou alles toch weer
bij het oude zijn.

 

Ik weet, je bent er nog

Je paraplu kromt zich
rond de kapstok
tot hij weer uitgelaten wordt,
het huis ruikt naar koffie
van gister. De spiegel
in de badkamer
waar je morgenochtend
weer zult zingen
heeft zich niet losgemaakt
van je gezicht, de muur niet
van je foto, de vloer niet
van je voetstap, het bed niet
van je geur. Ik weet, je bent
er nog. Je staat aan het raam,
ziet de school aan de overkant,
de oude mannetjes op straat.
Ze groeten je. Ze herkennen je.
Ze lachen naar je.
En ik zwaai maar naar ze.
En ik zwaai.

 

Het is al bijna zomer

Het is al bijna zomer.
De mensen gaan steeds bloter
dus de mooie zie je beter
wat weinig uitmaakt
voor een allesvreter.
De omnivoor
krabt zich ongeduldig
achter zijn oor.
Hij heeft te lang op steeds
hetzelfde hout gebeten.
Rekent op de vingers van één hand.
Gooit keien aan de waterkant.
Een koor opspattend water houdt hem voor:
als het straks winter is en koud
gaat alles beter.


Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bertus Aafjes (pseudoniem Jan Oranje) werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1914. Zie ook alle tags voor Bertus Aafjes op dit blog.

 

Een voetreis naar Rome (Fragment)

Muzen, nu ik mij ga vermeten
mijn reis te voet, heen en terug,
naar bij uitstek ’t land der poëten
te herhale’ op Pegasus’ rug,
strevend langs het pad der gedichten
naar een blad uit de lauwerkrans,
wilt mij met uw lampen bijlichten,
dan benut ik deez’ gouden kans.

Clio, gij Muze van de feiten
en het dik geschiedenisboek,
ach, mijn herinneringen slijten
door de jaren en raken zoek;
mijn geheugen wil mij verlaten,
het is als een vergiet of zeef
– maar dan een met dubbele gaten –
Clio, brengt gij mij weer op dreef.
En Euterpe, gij met uw mooie
zangstem en uw heldere fluit,
wil iets in dit gedicht voltooien
van uw melodieus geluid.
Hij die herderszangen wil schrijven,
wordt door u, Thalia, verwend:
laat iets in dit gedicht beklijven
van een landelijk element.
Gij, Melpomene, meer genegen
naar ’t treurspel in de poëzie,
schenk gij, daar waar het komt gelegen,
mij een druppel melancholie.
En Terpsichore, uitgelaten
heerseres in het rijk der dans,
geef gij aan mijn rijmen en maten
een lichtvoetige, vlotte kans.
Erato, gij de hooggestemde
liefhebster der pure lyriek,
hecht aan mijn nu nog wat beklemde
hart een opwaarts stijgende wiek.
En gij, welsprekendste van allen,
Polyhymnia, wees zo goed
een hartig woord te laten vallen,
waar het in het vers vallen moet.

 
Bertus Aafjes (12 mei 1914 – 22 april 1993)
Hier met zijn kinderen in de kruidentuin achter het kasteel Hoensbroek, begin jaren vijftig

 

De Vlaamse schrijver, dichter, kunsthistoricus en politicus August Vermeylen werd geboren in Brussel, op 12 mei 1872. Zie ook alle tags voor August Vermeylen op dit blog.

Uit: Twee vrienden

“De trein staat nog niet stil, dat ze elkaar al tegenlachen, en bij hun omhelzing op het perron zijn ze beiden zoo ontroerd, dat ze niet anders dan wat heel banale woorden zeggen. Mark wil de zware valies helpen dragen, maar Frans laat die niet los, en ze gaan dadelijk op het stationsplein in een bodega zitten. waar ze vroeger nu en dan bijeenkwamen. Daar drukken ze elkaar nog eens de hand over het tonnetje, kijken elkaar met stille blijdschap aan : het duumviraat, zooals hun makkers het noemen, is eindelijk weer aaneengeklonken.
Ze stellen vast dat ze dezelfden zijn gebleven : Frans ziet er fleurig uit, met zijn open, guile uitdrukking, en hij zelf leest weer, op het mat-bleeke gezicht van Mark, het beeld van zijn liefde: dat gezicht dat de meesten leelijk achten, — met het bultig Beethoven-voorhoofd, die scherpe trekken, dien breeden, bitteren mond en die invallende kin, — maar dat Frans voorkomt als het echte wezen van het genie; die oogen vooral, zacht befloerst en plots vurig doordringend, hij begrijpt wel dat die de stommelingen moeten verontrusten; en ook die stem, wat dof en moe, en dan weer vreemd snijdend.
« lets toch is veranderd : waar is uw lang haar in den nek en uw wapperend dasje?”
Ja, hij heeft slechts den donkeren haarbos behouden, die zijn voorhoofd bekranst, met een weerbarstige lok die telkens, als hij wat opgewonden is, naar het oog glijdt en die hij dan met een zenuwachtigen snok verwijdert.
« Och, glimlacht Mark, ik begon het kinderachtig te vinden, me op die manier van den bourgeois te onderscheiden : ge bewijst alleen dat ge naar hem nog omkijkt; en ten slotte zag ik er zoo artistiek uit, dat ik voor een fotograafje kon doorgaan. »
Ze zinspelen maar even op hun grootsche plannen en de waarschijnlijke tegenkanting van vader Balders.
Verder hebben ze niet veel te vertellen, ze hebben toch voortdurend hun intiemste gedachten elkaar overgebriefd. Nu is het alleen de werkelijke aanwezigheid die hen zoo gelukkig maakt, inniger daar ze dadelijk van elkaar weer wegmoeten. Er wordt nog eens afgesproken, dat Frans een paar weken bij Mark in De Panne zal komen doorbrengen, zoodra de zaak met vader Balders geregeld is. Mark vertrekt al in den namiddag.”

 

 
August Vermeylen (12 mei 1872 – 10 januari 1945)

 

De Russische dichter Andrej Andreyevich Voznesensky werd geboren in Moskou op 12 mei 1933. Zie ook alle tags voor Andrej Voznesensky op dit blog.

 

The Nose (Fragment)

The nose grows
during the whole of one’s life.
(from scientific sources)
Yesterday my doctor told me:
“Clever you may be, however
Your snout is frozen.”
So don’t go out in the cold,
Nose!

On me, on you, on Capuchine monks,
According to well-known medical laws,
Relentless as clocks, without pause
Nose-trunks triumphantly grow.

During the night they grow
On every citizen, high or low,
On janitors, ministers, rich and poor,
Hooting endlessly like owls,
Chilly and out of kilter,
Brutally bashed by a boxer
Or foully crushed by a door,
And those of our feminine neighbors
Are foxily screwed like drills
Into many a key-hole.

 

Vertaald door W.H. Auden

 
Andrej Voznesensky (12 mei 1933 – 1 juni 2010)

 

De Zwitserse dichteres Sabine Imhof werd geboren in Brig in 1976. Zie ook alle tags voor Sabine Imhof op dit blog.

 

Die leeren Flächen

Hinter allen Türen wird gestorben
an kürzlich geretteten Zähnen
der Zirkus mit dem dicken Fell
blieb nur eine einzige Nacht
in diesem Ort zwischen den Orten
wohne ich als Handschuh
neben dem normalen Mann
der sogar das Wetter bewacht
beleidigt wie ein satter Riese
beim schönsten Regen des Jahres

wie hundert Stiefel auf meinem Kopf
in bester Verfassung
ist Licht nur noch ein paar betrunkene Insekten
und kaum tröstliche Physik.

 
Sabine Imhof (Brig, 12 mei 1976) 

 

De Engelse schilder en dichter Dante Gabriel Rossetti werd op 12 mei 1828 inLonden geboren. Zie ook alle tags voor Dante Gabriel Rossetti op dit blog.

 

Thomas Chatterton

With Shakspeare’s manhood at a boy’s wild heart,—
Through Hamlet’s doubt to Shakspeare near allied,
And kin to Milton through his Satan’s pride,—
At Death’s sole door he stooped, and craved a dart;
And to the dear new bower of England’s art,—
Even to that shrine Time else had deified,
The unuttered heart that soared against his side,—
Drove the fell point, and smote life’s seals apart.

Thy nested home-loves, noble Chatterton;
The angel-trodden stair thy soul could trace
Up Redcliffe’s spire; and in the world’s armed space
Thy gallant sword-play:—these to many an one
Are sweet for ever; as thy grave unknown
And love-dream of thine unrecorded face.

 

The Day-Dream

The thronged boughs of the shadowy sycamore
Still bear young leaflets half the summer through;
From when the robin ‘gainst the unhidden blue
Perched dark, till now, deep in the leafy core,
The embowered throstle’s urgent wood-notes soar
Through summer silence. Still the leaves come new;
Yet never rosy-sheathed as those which drew
Their spiral tongues from spring-buds heretofore.

Within the branching shade of Reverie
Dreams even may spring till autumn; yet none be
Like woman’s budding day-dream spirit-fann’d.
Lo! tow’rd deep skies, not deeper than her look,
She dreams; till now on her forgotten book
Drops the forgotten blossom from her hand.

 
Dante Gabriel Rossetti (12 mei 1828 – 9 april 1882)
The Day Dream door Dante Gabriel Rossetti, 1880

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Nicolaas Anslijn, Eva Demski, Farley Mowat, Werner Bräunig, Cäsar Flaischlen

De Nederlandse schrijver Nicolaas Anslijn werd op 12 mei 1777 geboren in Leiden. Zie ook alle tags voor Nicolaas Anslijn op dit blog.

Uit: De brave Maria

“Niet te haastig! Maria heeft haren tijd wel besteed. Zij kan goed lezen, schrijven, en rekenen, en heeft in de school nog vele andere nuttige zaken geleerd, waardoor zij zulk een goed meisje geworden is.
Toen zij zeven jaren oud was, kon zij al kousen breiden; zij maakte zelden kwade steken, want zij was zeer oplettend.
Nu leert zij het naaijen bij hare moeder, want deze is ook eene kundige en brave vrouw.
Ik zou liever bij eene naaivrouw gaan.
Ei, waarom? De moeder van Maria is bekwaam genoeg om aan hare dochter het naaijen te leeren.
Maria is reeds zoo verre gevorderd, dat zij het goed van hare broertjes en zusjes kan verstellen.
Weet gij, waarom Maria bij hare moeder het naaijen leert?
De ouders van Maria zijn geene rijke lieden. Zij hebben nog vier kleine kinderen.
Maria moet hare moeder in het huishouden behulpzaam zijn, omdat hare ouders geen geld genoeg hebben om eene meid te houden.
Dat is toch niet aangenaam voor Maria.
O, dat verbeeldt gij u! De moeder zeide eens tegen Maria:
Kind! gij moet mij aan het huiswerk helpen!
Een meisje moet vroeg leeren huishouden. Zij moet zich vroeg aan het werk gewennen.Zij moet vroeg zuinigheid, zindelijkheid, en orde leeren. Als zij dit vroeg leert, dan wordt het haar eindelijk tot eene gewoonte.
Als wij vroeg aan orde, zindelijkheid, en zuinigheid gewend worden, dan weten wij naderhand niet beter, of het behoort zoo.
Het naaijen, zal ik zelve u leeren in de uren, die ons overblijven.”

 
Nicolaas Anslijn (12 mei 1777 — 18 september 1838)
Leiden, de Marekerk gezien over de Korte Mare, geschilderd door Paulus Constantijn la Fargue (1729-1782)

 

De Duitse schrijfster Eva Demski werd geboren op 12 mei 1944 in Regensburg. Zie ook alle tags voor Eva Demski op dit blog.

Uit: Gartengeschichten

„Seit dem Weidenexperiment hatte meine Mutter Oberwasser, und so entstand ihre bewunderte, kontrolliert wild bluhende Simulation eines Bauerngartens mit Rosen, Margeriten, Schafgarben, Cosmeen, Schwertlilien und noch hundert anderen Blumenarten, in jeder Jahreszeit bluhte irgendwas Schones. Es gelang meiner Mutter, einer eleganten Stadterin,
die Blumen bisher nur mit Papier drum herum gekannt hatte, in wenigen Jahren die Geheimnisse eines Gartens zu entschlusseln. Wahrscheinlich hat sie auch erkannt, das der
Garten die einzige Moglichkeit fur sie war, ohne zu trauern alt zu werden.
Sie hatte vor dem Alter immer Angst gehabt. Entsetzlich, wenn nicht einmal die Bauarbeiter mehr pfeifen, sagte sie.
So wanderten die Schiaparelli- und St.-Laurent-Kleider in den Keller, ordentlich in alte Bettbezuge gehullt wie in Leichentucher. Meine Mutter trug furderhin Overalls, und wenn
sie ihrer Schonheit nachtrauerte, lies sie es keinen merken. Sie hatte der Welt den Rucken zugedreht und sah dafur ihrem Garten ins Gesicht. Sie war und ist nicht die einzige Frau, die das so macht, ob sie es sich eingesteht oder nicht.
Ein Garten ist eine von allen respektierte Art, der Welt mitzuteilen, das sie einen nicht mehr interessiert. Da meine Mutter jeden Morgen um funf Uhr Deutschlandfunk horte und auch sonst keine Nachrichtensendung, keinen Dokumentarfilm uber Pharma-, Wirtschafts-, Korruptions- und sonstige Politikskandale versaumte (nur solche uber Tiertransporte konnte sie nicht anschauen), hatte sie eine ebenso klare wie dustere Meinung uber das Leben. Von ausen hatte man ihres fur komfortabel, ja sogar glucklich halten konnen, aber das war es nicht.“

 
Eva Demski (Regensburg, 12 mei 1944)
Cover

 

De Canadese schrijver Farley Mowat werd geboren in Belleville, Ontario, op 12 mei 1921. Zie ook alle tags voor Farley Mowat op dit blog.

Uit: People of the Deer

“In the camps of the People the child is king, for childhood is short and tragedy often comes after. As it is with the dogs, so the early years of a child are made free of compulsion and of hard labors, for these years must always remain in the child’s memory to alleviate the agonies which come with mature years. . . . I expressed surprise that no Ihalmiut child knows corporal punishment even when the provocation is great. I spoke casually, but Ootek replied with vehemence, for it seemed he was honestly puzzled that I should not know why a child is never beat. ‘Who but a madman would raise his hand against blood of his blood?’ he asked me, ‘Who but a madman would, in his man’s strength, stoop to strike against the weakness of a child?’ . . . There was something that might have been contempt in his voice as he spoke, and I never again raised that question.
(…)

“So the children live their lives free of all restraint except that which they themselves impose; and they are at least as well behaved as any child anywhere. For three years after birth a child is suckled and by the time it has been weaned it is already aware of the general pattern of its life. I told you of Kunee who, at the age of five, was already an accomplished woman of the People, yet Kunee had never been taught what she must do. She was simply observant and imitative, as most children are, and she saw what others did and longed to do as well by herself.
(…)

“The children’s work is also their play. At night, when the adults are asleep or resting on the ledge, no voice is raised to chide the girl children, who remain active until the dawn, keeping the fire alive under the cooking pot and concocting broths and stews, not with toy things, but with the real equipment that will be theirs in maturity. No regimen or hard routine is laid upon them. When they are sleepy, they sleep. When they are hungry, they may always eat, if there is food. If they wish to play, no one will halt them and give them petty tasks to do, for in their play they learn more of life than can be taught by tongues and by training.”

 
Farley Mowat (Belleville, 12 mei 1921)
Cover

 

De Duitse schrijver Werner Bräunig werd geboren op 12 mei 1934 in Chemnitz. Zie ook alle tags voor Werner Bräunig op dit blog.

Uit: Gewöhnliche Leute

„Wir sind hinter dem gleichen Mädchen hergelaufen, und gekriegt hat sie keiner, das heißt, irgend so ein Fleischerladensohn hat sie gekriegt. Wir waren im ersten Weltkrieg in der gleichen Kompanie und hatten das gleiche verdammte Glück, und wir haben gegen Kapp ganz schön mitgemischt, auch wenn es hinterher für die Katz war. Und dann haben wir fast jede Arbeit gemacht, die auf der Phönix vorkam, dreißig Jahre lang und meist irgendwie
gegenseitig in Reichweite – aber das kann doch nicht alles sein. Und dann dachte er: Da wird man siebzig, kommt sich krumm und ramponiert vor, aber man hat sich noch immer nicht darauf eingerichtet. Weiß Gott, dachte er, was für eine grimmige Ausdauer.
Oder Teichgräber, wie er vor der Grube stand. Paul Schramm hatte immer gesagt: Wenn es soweit ist – bloß keinen Pfaffen! Also hatte Teichgräber gesprochen, der damals mit auf der Phönix war, und jetzt war er in der Kreisleitung. Er hatte das anständig verrichtet, ohne große Worte: Paul Schramm ist tot, begraben wir ihnehrlich. Und nur diese eine Frage: Was bleibt, wenn ein Arbeiter stirbt? Seine Arbeit – das, was er geschaffen hat. Ja, dachte Urban, das schon. Aber was hat er denn geschaffen? Wenn es noch Brücken, Orgeln oder wenigstens Nähmaschinen wären. Aber ein Bergarbeiter kann das, was er geschaffen hat, nirgendwo
besichtigen. Die Grube ist stillgelegt seit einem halben Jahr, da haben wir also ein Loch in der Landschaft, das ist nicht gerade viel, wenn man dreißig Jahre dagegensetzt. Allerdings hat der Schornstein immer geraucht.
Die Räder haben sich gedreht, wenn wir mal davon absehen, für wen sie sich die meiste Zeit gedreht haben. Das ist immerhin etwas, dachte Urban. Und dann dachte er: Mit sechzig sagt man siebzig, höchstens fünfundsiebzig, dann macht’s keinen Spaß mehr. Mit siebzig sagt man ganz was anderes. Es war das dritte Begräbnis in diesem Jahr. Einer von seinen Leuten. Einer in seinem Alter. Und die wurden immer weniger.“

 
Werner Bräunig (12 mei 1934 – 14 augustus 1976)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Cäsar Flaischlen werd geboren op 12 mei 1864 in Stuttgart. Zie ook alle tags voor Cäsar Flaischlen op dit blog.

 

Ich möchte still am Wege stehn

Ich möchte still am Wege stehn
und möcht’ es Frühling werden sehn,
ich könnt’ noch immer wie ein Kind
bei jeder kleinen Knospe säumen!
Und klänge in den kahlen Bäumen
ein Vogeltriller … ach, ich könnt’,
mir einen langen Sommer träumen
voll Klang und Glanz und Sonnenschein
und glücklich sein!

 

Ein Sonntag

So geht ein Sonntag still zu Ende,
auf den du lange dich gefreut…
ein müder Bettler steht am Weg,
am heimatlosen,
und spielt ein Leierkastenlied…
ein leises Abendrot verweint am Himmel…
und aus den Gärten her, sommermüd,
kommt’s wie einst ein Duft
von heimlich welkenden Rosen.

 
Cäsar Flaischlen (12 mei 1864 – 16 oktober 1920)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn vorig blogs van vandaag.

Edward Lear, Diana Raznovich, Andrej Amalrik, Maurice Carême, Massimo Bontempelli

De Engelse dichter, schrijver en illustrator Edward Lear werd geboren op 12 mei 1812 in Highgate. Zie ook alle tags voor Edward Lear op dit blog.

 

There was an Old Man with a beard,

There was an Old Man with a beard,
Who said, ‘It is just as I feared!
Two Owls and a Hen,
Four Larks and a Wren,
Have all built their nests in my beard!’

 

There was an Old Man who said, ‘Hush!

There was an Old Man who said, ‘Hush!
I perceive a young bird in this bush!’
When they said, ‘Is it small?’
He replied, ‘Not at all!
It is four times as big as the bush!’

 

There was an Old Man on the Border

There was an old man on the Border,
Who lived in the utmost disorder;
He danced with the cat, and made tea in his hat,
Which vexed all the folks on the Border.

 


Edward Lear (12 mei 1812 – 29 januari 1888)
Illustratie bij “There was an Old Man on the Border“

 

De Argentijnse schrijfster, theatermaakster en caricaturiste Diana Raznovich werd geboren op 12 mei 1945 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Diana Raznovich op dit blog.

Uit: Herbstzeitlose (Vertaald door Gerd-Rainer Prothmann)

„ROSALIA Der wollte dich heiraten, das ist klar.
GRISELDA Aber das Gedicht war von einem andern, von Gabriel Celaya. (Sie schläft ein.)
ROSALIA Ich würde dir auch nicht Gute Nacht sagen, wenn ich schlafen könnte. Ich würde so einschlafen wie du. Ganz plötzlich. Von einem Augenblick zum andern. Mitten in einer Geste. (Sie probiert es.) Der Ring der Braut… oder das offene Auge Gottes. (Sie stellt sich schlafend, öffnet ein Auge.) Das wachsame Auge Gottes. Das ist Schlaflosigkeit. Das wachsame Auge Gottes.
Welche Rolle spielt es schon für mich, dass das Gedicht nicht von ihm war? (Sie rüttelt GRISELDA und schreit sie an.) Das wachsame Auge Gottes, Griselda!… Ich hätte ihm verziehn, weißt du?
GRISELDA Der Ring einer Braut… oder das wachsame Auge Gottes. (Plötzlich weint sie.) Heute verzeihe ich ihm auch. Bei totaler Dunkelheit hört man aus dem eingeschalteten Fernseher einen Dialog: Es handelt sich um den Dialog der Protagonisten des Teletheaters MARCELO und VALERIA. MARCELO ist Automechaniker und spricht wie ein Junge aus der Vorstadt. VALERIA ist ein junges Mädchen aus der gehobenen Mittelklasse. Das Licht des Fernsehers beleuchtet das Gesicht GRISELDAS, die ein geblümtes, blaues Kleid trägt. Auf dem Rock hat sie eine gewaltige Dose mit Keksen, die sie gierig
verschlingt, während sie fernsieht.
MARCELO Ist das Auto für Ihren Verlobten gut geworden?
VALERIA Ja, Sie haben das sehr gut in Ordnung gebracht… Danke
MARCELO Sagen Sie Ihrem Verlobten, er kann vorbeikommen, wann er will. Ist
immer gut, ‘ne kleine Inspektion zu machen…, und sagen Sie ihm.“


Diana Raznovich (Buenos Aires,12 mei 1945)

 

De Russische schrijver en dissident Andrej Aleksejevitsj Amalrik werd geboren in Moskoui op 12 mei 1938. Zie ook alle tags voor Andrej Amalrik op dit blog.

Uit: Niet begeerde reis naar Siberië (Vertaald door Karel van het Reve)

“Eind januari 1965 werd ik wakker van de telefoon en een onbekende vrouwenstem zei dat ze een catalogus van de Zverev-tentoonstelling voor me had. Zo hoorde ik dat de tentoonstelling, waar zovelen over praatten en die zo weinigen voor mogelijk hadden gehouden, toch door was gegaan. De voorgeschiedenis ervan is vrij interessant.
Bij zijn eerste bezoek aan Moskou zag de Franse dirigent Markevitsj in een particuliere verzameling tussen schilderijen van Kandinski, Chagall en Tatlin werk van de jonge Moskouse schilder Anatoli Zverev. Later maakte hij met Zverev zelf kennis. Hij ontmoette een man van gemiddelde lengte, ongeschoren, in lang niet gewassen, met afgedragen, gekregen kleren, geflikte schoenen, een klein gezichtje, opgejaagde ogen en zenuwachtige bewegingen. Markevitsj wist al, dat hij een van de interessantste figuren van de huidige Russische schilderkunst voor zich had, maar ik geloof dat in zijn sympathie voor Zverev als kunstenaar en zijn besluit om hem een tentoonstelling in het buitenland te bezorgen zijn belangstelling voor de mens Zverev een grote rol speelde. Markevitsj en Zverev leken, vond ik, zeer veel op elkaar, en ik heb wel eens gedacht dat Zverev, als hij het zelfvertrouwen en de roem van een beroemd dirigent had, als twee druppels water op Markevitsj zou lijken.
De tentoonstelling werd in Parijs op drie februari geopend. Zverev zelf was in Moskou de laatste die er van hoorde. Ik kon hem een hele tijd niet vinden, hij had geen huis en zwierf door Moskou, een kamer hurend of overnachtend waar het zo uitkwam. Gewoonlijk kwam hij bijna dagelijks bij me aan, maar nu was hij of het zo wezen moest onvindbaar. Wij waren de opening van de tentoonstelling al aan het vieren toen Zverev onverwacht verscheen in een veel te grote rode overjas die niet van hem zelf was. Ons nieuws scheen hem weinig te doen, hij zei alleen dat we een beetje te vroeg waren, het was pas twee februari. Wij vergisten ons inderdaad nogal eens in de datum, want niemand van ons had vast werk.”

 
Andrej Amalrik (12 mei 1938 – 12 november 1980)
Cover

 

De Belgische, Franstalige, dichter en schrijver Maurice Carême werd geboren op 12 mei 1899 in Waver bij Brussel. Zie ook alle tags voor Maurice Carême op dit blog.

 

L’enfant

A quoi jouait-il cet enfant ?
Personne n’en sut jamais rien
On le laissait seul dans un coin
Avec un peu de sable blanc

On remarquait bien, certains jours,
Qu’il arquait les bras tels des ailes
Et qu’il regardait loin, très loin,
Comme du sommet d’une tour.

Mais où s’en allait-il ainsi
Alors qu’on le croyait assis ?
Lui-même le sut-il jamais ?

Dès qu’il refermait les paupières,
Il regagnait le grand palais
D’où il voyait toute la mer.

 

La bise

“Ce sont des feuilles mortes”,
Disaient les feuilles mortes
Voyant des papillons
S’envoler d’un buisson.

” Ce sont des papillons “,
Disaient les papillons
Voyant des feuilles mortes
Errer de porte en porte.

Mais la bise riait
Qui déjà les chassait
Ensemble vers la mer.

 
Maurice Carême (12 mei 1899 – 13 januari 1978)

 

De Italiaanse schrijver en dichter Massimo Bontempelli werd geboren op 12 mei 1878 in Como. Zie ook alle tags voor Massimo Bontempelli op dit blog.

Uit: Ein Tag aus dem Leben eines Automobils (Vertaald door Marianne Schneider)

“Es war an einem Morgen im Mai, als die Limousine 522 den geschlossenen Raum verließ und in die Welt hinausfuhr. In den Werkstätten, wo sie geboren wurde, hatten ihre Schöpfer oftmals —auch bevor sie ihr die schönen vibrierenden Blechfolien anlegten, worauf sie so stolz gewesen war — ihren Motor singen lassen; und später hatte sie schon gespürt, wie die Bewegung durch ihre ganze Gestalt hindurch bis zu den Rädern ging und sie antrieb. Aber so fröhlich war sie noch nie gewesen. Mehr als ihr Kleid aus den funkelnden Blechfolien beglückten sie jetzt das rhythmische Schlagen tief in ihrem Inneren und die Geschwindigkeit, die sich von dort ausbreitete und sie immer weiter und weiter nach vorne trieb, hinein in die lichte Luft, hinaus auf die fließende Straße, die vor ihr entspringt und auf eine ferne Szene zuläuft. Die Welt ist ein unendlicher, kühler Raum, der die Dinge mit Licht überflutet und mit Leichtigkeit umgibt. Zu den beiden Seiten wiegten zwei Reihen Pappeln ihre bleichen Stämme und ihre Wipfel. So wehen sie von oben Wind auf die Straße, liebevoll senkt sich die Luft auf das schöne Asphaltband und um die braune Motorhaube und die leuchtende Hautschicht des Kühlers. 522 fährt, angetrieben von der Lust, zu leben und die Erde zu entdecken. Auch jenseits der Straße und der zwei Pappelreihen liegt viel Welt links und rechts, die bis zum Ätherkreis des Horizonts aus weitem, grünem Land besteht. Da und dort steigen aus dem Gras langsam bläuliche Wölkchen auf und zerfließen in der Luft. Dann kommen mit einem Schlag Lichtstrahlen und treffen mit ihren Spitzen den letzten Nebelhauch auf dem Gras, der sich darauf schnell verflüchtigt; da erstaunen ringsum die Wiesen und halten den Atem an. Die Strahlen kommen geradewegs von der Sonne, die den Ätherkreis durchbrochen hat und über der Erde erschienen ist; dort beginnt ihr langsamer Weg über den Himmel, eine unermeßliche, umgewendete Mulde aus hell strahlendem Blau. Unter der steigenden Sonne beginnt auch der ebene Asphalt der Straße zu           glänzen, 522 spiegelt sich darin und sieht sich funkelnd laufen. Aber die Pappeln sind des Wehens ein wenig müde und bringen nicht mehr soviel Kühlung. Jetzt verspürte die Limousine 522 vor allem in den Gummireifen eine andauernde und elastische Lust. Ein sicherer Instinkt, der von ihren oberen Zonen auszugehen schien, ließ sie die Straße beherrschen. Zu ihrer größten Genugtuung hielt sie sich bestens rechts, beinahe die Pappelstämme streifend, wohlgefällig schwang sie sich in die Kurven oder schnitt sie mit einer geraden Linie. Auf einmal sah sie, daß die Straße anzusteigen begann.“

 
Massimo Bontempelli (12 mei 1878 – 21 juli 1960)
Hier met Luigi Pirandello (rechts) in 1933

Jesse Laport

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Jesse Laport werd geboren in Arnhem in 1991. Laport studeerde Theater en Creative Writing, en verschijnt vandaag de dag ten tonele als Stadsdichter van Arnhem. Hij staat al jaren op het podium als muzikant, acteur, gastheer en dichter. Dit combineert hij met het organiseren van evenementen voor muzikanten en dichters, werk als online redacteur, toertochten door de ‘Benelux’ als gesproken woordkunstenaar en het geven van workshops. In 2016 bracht Laport zijn eerste poëziecollectie ‘Niet te sappel’ uit. Laport houdt ervan om meerdere disciplines met elkaar te verbinden en hen een plek op het podium te bieden.

 

Net geen ode II

Dag Arnhem
Je mensen zijn leuk genoeg
je stad komt er net mee door
je valt niemand lastig
en je treft niemand blaam
je kunt precies genoeg naam maken
en het gat in je hand
valt in de rest van het land
niet zo op

Je redt het wel Arnhem
je kunt het best
klaag niet stad
net niet als de rest

 

Het licht brandt

Het licht brandt
maar mijn schaduw zalft

de vogels lopen op het dak

en als de brommer van de
bezorger klinkt
en mijn brievenbus kleppert

denk ik aan mijn vader

hoe ik hem veel had willen
kunnen
zeggen
hoe mijn broers
geen broers waren

de worst ligt in dunne
plakjes op het bord

mijn keuzen zijn voor altijd

alles had altijd niets kunnen zijn

 

 
Jesse Laport (Arnhem, 1991)