De hemelvaart (Nicolaas Beets)

Bij Hemelvaartsdag

 

 
Christi Himmelfahrt. Schilderij boven het hoofdaltaar in de Hofkirche, Dresden, door Anton Raphael Mengs, 1756

 

De hemelvaart
Handel. I. v. 4-12.

De verlatenen

Hij heeft voor ’t laatst den Berg bestegen,
En zijn disciplenschaar met Hem;
Nu klinkt nog eens zijn vriendenstem,
En uit zich in den jongsten zegen;
Daar rijst voor hun verbijsterd oog,
De Heer, nog zegenend omhoog,
En zweeft den ruimen hemel tegen.

Gewis ten hemel moest Hij varen,
Die uit den hemel was gedaald;
Die onder menschen had gedwaald,
Hernam ’t gebied der Englenscharen;
Het elfgetal, verstomd van schrik,
Staat met onafgewenden blik,
En houdt niet op Hem na te staren.

Maar ras onttrekt Hem aan hunne oogen
Een wolk, die om Hem henen zweeft,
En den verheven Christus heeft
Als met een wijd gewaad omtogen.
Is dit de wolke, die voorheen,
Op Isrels heiligdom verscheen,
Der heerlijkheid van God den Hoogen?

De Jongren waren diep verslagen,
En hielden ’t hoofd ter aard gebukt,
Als van een vreemden droom gedrukt,
En durfden vraag noch uitroep wagen.
Hun Heer was heerlijk weggegaan!
Maar wie, wie zou hun ziel voortaan
Versterken, leeren, onderschragen?

Weer beuren zij den blik ten hoogen,
Of niets meer zichtbaar zij van Hem!
– Daar vangt hun oor een hemelstem;
Twee Englen stonden voor hun oogen:
‘Gij Galileërs, staart niet meer!
Uw Heer komt even zeker weer,
Als Hij van u is weggetogen!’

Zoo treurt niet als verlaten weezen,
Keert weder naar Jeruzalem;
Gedenkt, vereert, verkondigt Hem;
Hij zal ook deze smart genezen.
Gaat henen en verwacht den Geest.
Hij komt, Hij komt op ’t Pinksterfeest!
De Zone Gods zij luid geprezen!

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Koepel van de Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 10e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

J.C. Bloem, Herman Leenders, Didi de Paris, Ralf Rothmann, Jeremy Gable, Petra Hammesfahr, Roberto Cotroneo, Antonine Maillet, Johann Peter Hebel

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog en ook mijn blog van 10 mei 2013 en ook deze tags voor J. C. Bloem.

 

Zomerloomheid

Nog deze morgen, in de blauwe koelte
Der schaduw, heb ik ’t leven zeer bemind;
Nu ben ik overmand van zorg en zoelte
In het vermoeiend spel van zon en wind.

Een ledige van daden en van dromen,
Een mens voor wie niet anders meer bestaat
Dan ‘ t zwatelen der blaren aan de bomen,
En’ t stof, dat warrelt langs de droge straat.

Wat blijft Voor de vermoeide van dit dolen,
In wie de felle stem der aarde zwijgt,
Tenzij die éne drang, die diep-verholen
Naar dauw, gelatenheid en avond hijgt?

 

Het baanwachtershuisje

Het kleine huis, dat aan de spoorbaan staat,
Waarlangs de koorts van’ t reizen komt gevlogen,
-De bonte was hangt aan de lijn te drogen-
Wie weet, hoe zacht daarbinnen ’t leven gaat?

En deze jonge moeder met het kind-
Haar dromen drijven op haar zuivre zinnen
Naar de verliefdheid van het eerst beminnen
Bij de oude omhelzing van de zomerwind.

Maar zelfs al was dit onuitzegbre mijn,
Nog zou het diepst verlangen niet verdwijnen
Om na dit derven en dit lange schijnen
Eindlijk te zíjn.

 

Ademen

Eenzaam bevonden onder ‘t flonkerstralen
Der najaarssterren boven de gerust¬-
Geworden wereld, wordt zich ’t hart bewust:
Leven is niet meer dan ademhalen.

Maar dat is : in de diepten van dit dal
De oneind’ ge ruimte tot zich in te leiden
En, na één wankel ogenblik van beiden,
Die te hergeven aan ’t beroofd heelal.

 
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)
Hier links bij de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs voor de dichtbundel “Avond” op het Muiderslot in 1953

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Herman Leenders werd geboren te Brugge op 10 mei 1960. Zie ook alle tags voor Herman Leenders op dit blog.

 

Gedicht voor wie van de stad is

wie niet van de stad is
neemt foto’s alsof de stad morgen
onder de waterspiegel zakt
heeft aan straten en pleinen geen herinnering
tattoos van hartstocht graffiti van pijn
weet niet of de visboer bidt of vloekt
heeft kennissen noch familie
om praatjes krom te slaan
roddels recht te praten
houdt haar onbekommerd vast
zoent onbeschaamd fuck you
midden op onze straat
wie niet van de stad is
rijdt in koetsen vaart de Reien rond
vindt een hotel een sterrenrestaurant

liefde is voor wie niet van de stad is

 

Lux perpetua

Een mol rijdt door het jonge graan.
De boer gaat er achteraan
met een spa op z’n schouder
en tegen wind, lopend als een astronaut.

Zo worden zij verrast
en als dobbelstenen in de lucht gegooid:
met hun zwemvliezen van oud ivoor
delven zij in het licht

het onderspit.


Herman Leenders (Brugge, 10 mei 1960)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Didi de Paris werd geboren op 10 mei 1957 in Leuven. Zie ook alle tags voor Didi de Paris op dit blog.

Uit: Blake

“Voor al dat moois had Blake geen oog. Zijn aandacht ging uit naar zijn kleding. Een witte broek, model safari, netjes gestreken. Donkerbruine schoenen waarin men zich kan spiegelen, met daaronder dikke rubberen zolen, bobbing shoes. Bruine lederen jekker. De haren punk maar proper in pieken rechtop, resultaat van een kwak wet look gel. Een zorgvuldig uiterlijk, en de juiste dosis zonnebank, Niet teveel, anders is het slecht voor de gezondheid, en daar kan je de doodstraf voor krijgen, vanwege het slechte voorbeeld geven en het overschrijden van de rassenwetten die ook al weer een tijdje terug van onder het stof vandaan gehaald zijn. De mens is slechts een kameleon van de seizoenen.
Op de grasvelden in het park graasden horden wilde koeien. In de plantsoenen stoften werklozen de plastic bloemen af. Ze waren goed gelukt dat jaar, zowel de werklozen als de bloemen, beide made in Taiwan. Op een bank zat een hond met een bril op, zijn krant te lezen, tussendoor floot het dier naar een man die met een schopje in de zandbak speelde. De bomen stonden er zoals gewoonlijk onbewogen bij, te wachten op de volgende volkstelling. De aanplanting leek wel het werk van een reusachtige onzichtbare oosterse bloemenschikker; de eiken, de beuken, wilde en tamme kastanjelaars etc. door de architect per kleur opgesteld als tinnensoldaatjes (in formatie).
De mensen daarentegen waren niet veel meer dan een joggend mierennest. Zweterig en buiten adem, rood aangelopen, alsof hun hoofd elk ogenblik kon ontploffen. Kleurlingen, zwervers, mannen met lange jassen. Explosief materiaal. Bureelbedienden die nog even hun hond uit lieten. Oudjes op de banken. Spelende kinderen op de grasvelden.
Jonge moeders en hun kroost, voederen de eendjes en de hertjes. Bij vrouwen zijn de hersenzones die instaan voor het vinden van het beste voedsel om in het zogen en grootbrengen van de jongen te voorzien, het sterkst ontwikkeld.”
Hoe lang zal de regering deze wanorde nog dulden, vroeg Blake zich af. De gedachten aan de gang van zaken in de wereld lieten hem niet los. Bij elke stap zonk hij er dieper in weg. Hij probeerde er achter te komen waaraan hij precies zat te denken. Het was de hoogste tijd dat hij zichzelf eens luchtte. Al de hele nacht groeide zijn hoofd. Hij kon er nog net, zonder iets om te stoten, mee in de living. Naar buiten gaan vergde al enig wrik- en wringwerk. De vraag bleef natuurlijk of hij er straks weer mee binnen kon.”

 

 
Didi de Paris (Leuven, 10 mei 1957)

 

De Duitse dichter en schrijver Ralf Rothmann werd op 10 mei 1953 geboren in Schleswig. Zie ook alle tags voor Ralf Rothmann op dit blog.

Uit:Der Gott jenes Sommers

“Lag sie lesend auf ihrem Bett und hörte die Flugzeuge über dem Gut, versuchte sie sich vorzustellen, wie das überschneite Land mit dem Kanal in den Augen der Piloten aussah. Die gewundene, von Wäldern und Äckern gesäumte Pflasterstraße, ein Rest des alten Ochsenweges, führte am Kloster vorbei nach Bovenau und teilte das Gehöft in zwei Hälften. Über eine stählerne, den Entengraben in sanftem Bogen überspannende Brücke gelangte man auf die Westseite, zu dem weiß gestrichenen Herrenhaus. Dominiert von einem Portikus auf vier Säulen – dorisch ausgekehltem Gips –, war es ziegelgedeckt und hatte elegante, mit französischen Läden versehene Rundbogenfenster, in denen sich die Hoflinde spiegelte.
Ihm gegenüber ragte das Reetdach des großen, für dreihundert Tiere gedachten Kuhstalls samt Futterboden höher in den Himmel als manche Kirche im Gau. Am Giebel hing eine Glocke, mit der die Melkzeiten eingeläutet wurden, und das Tor war gespickt mit Plaketten aus buntem Blech, den Auszeichnungen von Zuchtvereinen und Landwirtschaftsmessen. Zum Acker hin begrenzte die Maschinenscheune den Hof; riesige Pflüge mit blank geschliffenen Scharen standen darin, Traktoren und ein Garbenbinder, an dessen Haspelrad noch Halme von der letzten Ernte hingen.
Aber das konnten die Piloten natürlich nicht sehen, das Dach war unbeschädigt. Hatten sie den Westteil des Gutes und den kleinen, von der Alten Eider umgrenzten Park hinter dem Herrenhaus überflogen, blickten sie zunächst auf die Meierei mit ihren grün glasierten Zinnen. Die Strohscheune, eine Voliere für das Federvieh, verschiedene Ställe und eine Schmiede befanden sich auf dieser Seite der Straße. Manche der kaum mehr genutzten Backsteingebäude waren noch älter als das Herrenhaus und zerfielen bereits. Jeder neue Sturm riss ein bisschen mehr Reet von den Dächern und legte die schimmelschwarzen Mauern oder Nester von Ratten und Mardern bloß.
Obwohl Kiel mit seinem Marinehafen immer wieder angegriffen wurde, war auf dieses schutzlos dastehende, keine Autostunde von der Stadt entfernte Gut noch nie eine Bombe gefallen, während des ganzen Krieges nicht. Eine englische Spitfire hatte einmal eine Salve in die Dachuhr gefeuert und die Freitreppe zu den Melkerstuben überm Stall zerstört, aber den meisten Piloten mochte die Landschaft mit den sanft gewellten Feldern, den hier und da rauchenden Schornsteinen, dem Treppengiebel des Klosters und dem Wild zwischen den Buchen wie ein Inbild des Friedens erscheinen.“


Ralf Rothmann (Schleswig, 10 mei 1953)
Cover

 

De Amerikaanse toneelschrijver Jeremy Gable werd geboren op 10 mei 1982 in Lakenheath, Suffolk, in Engeland. Zie ook alle tags voor Jeremy Gable op dit blog. 

Uit: American Way

“FIREBANG: That’s it! (He potords the tabla, slightij startling CRESCEN7) I’m done! I can’t take it anymore!
CRESCENT: Good morning, Firebang.
FIREBANG- Yeah, that’s debatable.
CRESCENT: Is everything okay?
FIREBANG: No, C.W., everything is not okay. Evetything is pretty far from okay. What, what’s the opposite of okay?
(CRESCENT shrugs)
CRESCENT: Not okay?
FIREBANG: Exactly! I’m not okay. Everything’s not okay.
CRESCENT: What’s the problem, son?
FIREBANG: (Overlapping) Jesus Christ, Jesus Tickle Me Christ! I can’t believe it The worst possible time…
CRESCENT: Well, what’s the matter? Did the evening news pro-nounce your name wrong again? (FIREBANG blows up further)
FIREBANG: C’mon, did you have to bring that up?
CRESCENT: Oh, you can’t laugh about that?
FIREBANG: Hey, you have Action Four News call you “FireBONG”, and see how you like it. Did you really have to bring that up? (We starts pacnig)
CRESCENT: Now, settle down. Take it easy. What s wrong?
FIREBANG: You wanra know what’s wrong? I’ll tell you what’s wrong. I’m finished.
CRESCENT: How so?
FIREBANG: I just got a phone call.”


Jeremy Gable (Lakenheath, 10 mei 1982)

 

De Duitse schrijfster Petra Hammesfahr werd geboren in Immerrath op 10 mei 1951. Zie ook alle tags voor Petra Hammesfahr op dit blog.

Uit: Als Luca verschwand

„Der Vormittag war hektisch, weil sie nur zu dritt waren. Seit Wochenbeginn fehlte eine Kollegin − krankheitsbedingt, und das nicht zum ersten Mal, doch die Zentrale sah nicht ein, für Ersatz zu sorgen. Für den Nachmittag erwartete Jutta Meuser den gewohnt stressigen Freitagsbetrieb. Jetzt über Mittag war es noch ruhig, aber Zeit zum Verschnaufen blieb trotzdem nicht.
Helene Matthies ging um halb zwei in die Pause. Zu dem Zeitpunkt hielten sich nur drei Kunden im Laden auf. Weiter hinten konnten sich zwei Stammkundinnen, beide weit über siebzig, wieder mal nicht entscheiden, ob sie rote oder weiße Grablichter nehmen sollten. Und am Foto-Sofort-Drucker ließ sich ein scheinbar begriffsstutziger Mann in den Dreißigern, den Jutta bisher noch nie hier gesehen hatte, von Ilonka Koskolviak erklären, wie Bilder von einem USB-Stick auf den Automaten geladen werden konnten.
Entweder versuchte der Typ zu flirten, oder er nahm Ilonka wegen ihres Akzents nicht für voll und machte sich lustig über sie. Jutta tippte auf Letzteres. Kurz zuvor hatte er sich nämlich schon ausführlich von Ilonka beraten lassen, welches Deo am besten zu ihm passte. Den Vorschlag hatte er auch gekauft und brav an der Kasse bezahlt. Dann war er noch mal umgekehrt und hatte Ilonkas Dienste erneut in Anspruch genommen.
Die Frau, die kurz nach halb zwei hereinkam, war keine Stammkundin, in den letzten Wochen hatte Jutta sie jedoch schon öfter abkassiert, bisher immer am Freitagvormittag zwischen elf und zwölf. Eine von denen, die sogar Kleckerbeträge mit Karte zahlten und vermutlich selten übersehen wurden. Platinblond, flotte Kurzhaarfrisur, mindestens eins achtzig groß und so dürr, dass Jutta sich fragte, ob sie sich wohl zwei oder drei Wattebällchen zum Frühstück gönnte. Mit Orangensaft getränkt, den die superdünnen Models angeblich bevorzugten, oder lieber mit Apfelschorle, weil die weniger Kalorien hatte?
Hübsch war sie, das ließ sich nicht leugnen, und perfekt gestylt. Für Anfang Januar vielleicht zu dünn angezogen. Draußen waren es nur knapp über null Grad, aber wenn man mehr Wert aufs Äußere legte als auf die Gesundheit … „


Petra Hammesfahr (Immerrath, 10 mei 1951)

 

De Italiaanse schrijver Roberto Cotroneo werd op 10 mei 1961 geboren in Alessandria. Zie ook alle tags voor Roberto Cotroneo op dit blog.

Uit: Diese Liebe (Vertaald door Karik Krieger)

“Wie viele Menschen wissen, daß es Morgenstunden gibt, die geheimnisumhüllt sind? Nicht die Nächte, die Morgen.
Jener Morgen war grau, vom Grau eines Septemberendes. Edo öffnet die Augen und geht zum Bad. Ich drehe den Kopf ein wenig, schaue ihm nach und sehe, daß er die Tür des Wandschranks öffnet.
Er zögert.
Ich vermute, daß er ein T-Shirt sucht. Sein Oberkörper ist nackt. Doch er sucht das Bad. Vielleicht schläft er noch.
Ich rufe ihn.
»Edo, wohin gehst du?«
Er war es, der wollte, daß das Bad an unser Schlafzimmer grenzt, um den Preis, daß eine tragende Wand durchbrochen und eine Tür eingebaut werden mußte, die niedriger ist als er.
Doch wohin ging er nun?
Er schließt die Schranktür, nimmt keine Notiz von der anderen Tür und verläßt das Zimmer. Zuvor hat er sich umgedreht, hat mich angeschaut und mich offenbar nicht erkannt, wenngleich er doch ein paar Worte sagte.
»Ich suche das Bad.«
Er fügte hinzu: »Ach, es ist immer noch am Ende des Flurs.«
Unser Haus hat keine Flure. Es ist eines von den Häusern in der Altstadt, die eine quadratische Diele haben, man gelangt jeweils von einem Zimmer in das nächste.
Ich tastete nach der Bettdecke, um herauszufinden, ob ich es war, die träumte. Die Bettdecke war da. Das Zimmer war nun ohne ihn. Mir erschien das wie eine Erleichterung. Ich schaute auf seine Seite des Bettes: Er war nicht da. Ich schaute mich noch einmal im Zimmer um. Er war nicht da. Er war hinausgegangen, kein Zweifel.
Die Uhr sagte mir, daß es acht Uhr dreißig war, er hatte die Mädchen zur Schule gebracht und müßte ein paar Minuten vor neun den Rolladen der Buchhandlung öffnen, wie immer. Nur hatte er mich diesmal weiterschlafen lassen.“


Roberto Cotroneo (Alessandria, 10 mei 1961)

 

De Canadese schrijfster Antonine Maillet werd geboren op 10 mei1929 in Bouctouche, New Brunswick. Zie ook alle tags voor Antonine Maillet op dit blog.

Uit: Bearsaga (L’Oursiade, vertaald door david L. Koral)

„Ozite was the only one who understood. And she told the bear hunter the story of the greatest fright of her life.
She had just given birth to her youngest child. She had gone into the woods to gather twigs and wood chips. Four or five years earlier she had taken in a spring cub she found circling its mother’s carcass, crying in agony. Ozite covered the rotting carrion with moss and dry leaves, and led the baby bear back home. At first she left him on his own, so that he might run free through the yard or take in fresh air in the vegetable garden; however, the neighbors soon feared for their cats and dogs. So she finally tied him to a post behind the house, yet left him plenty of rope. The bear continued to play with the children and cats and dogs, as though he, too, had been born in the barn or the granary. When Ozite wandered into the woods, she would untie him and take him along so that he would not be severed from his roots and could have some freedom of choice. One day he’ll stay here, she told herself. But always he came home. That morning, however, just getting back on her feet after childbirth, she went into the forest alone, trusting the bear to watch over the cradle.
“Keep the flies away,” she gestured, “and don’t let the pony or the calves out; I’ll be back before long.”
Before long. Long enough to reach the clearing and find herself nose to nose with her bear, who must have gotten loose, made his way across the peat bog, and caught up with her. She was a tolerant young woman, this Ozite, and always fair. But prompt. And when it came to teaching someone a lesson, she wasn’t one to mince words. After training seven children, a dozen foals, a few bulls, and two husbands, she had learned to rule with an iron fist. And so she tore a long alder switch from the ground.
“So you think I won’t notice something like this!” she said to the bear.
And then wham! right across the snout. Ozite knew everybody’s weak spot, whether it was man or beast. The animal rose on his hind paws to his full height and let loose a horrible growl. Ozite’s eyelids quivered slightly but she stood her ground.“

 
Antonine Maillet (Bouctouche, 10 mei 1929)

 

De Duitse dichter,schrijver, pedagoog en theoloog  Johann Peter Hebel werd geboren op 10 mei 1760 in Basel. Zie ook alle tags voor Johann Peter Hebel op dit blog.

Uit: Der Spaziergang an den See

„Als sie – es kommt nicht darauf an, wer – an einem schönen Sommerabend lustwandelten nach dem Wirtshäuslein am See: die Luft war so mild, die Blumen des Feldes nach dem kurzen Regen wieder so frisch, die Pappeln am Wege wiegten sich so schön in der sanftbewegten Luft, zwar alles wie gewöhnlich und wie fast überall, aber man meint, man muß es sagen, und die schöne Adeline wandelte leichten Fußes und jugendlichen Sinnes voraus im schönen, schwebenden Ebenmaß und Gleichgewicht ihres Wuchses, da legte schon auf zwanzig Schritt weit ein verwachsener Mensch die Krücke zurecht, um stehend mit der einen antreten zu können, wenn sie an ihm vorbeikämen, und jedes reichte ihm eine Gabe fast mit weggewendetem Angesicht. Denn es war eine der beklagenswertesten Mißgestalten, vor denen sich die Natur entsetzt. Nur der Doktor sah ihn herzhaft an und konstruierte in der Geschwindigkeit sein Skelett. Und erst nach einigen Sekunden, als Adeline sagte: „Der arme Mensch”, merkten die andern, daß sie alle stille geworden und wehmütig ob dem Anblick.
„Nun, Herr Doktor, mit Eurer Spitzfindigkeit”, fuhr jetzt der Baumwollenfabrikant fort, „mit Eurer Kunst, alles zu erklären und zu rechtfertigen: was tut solch ein unglückliches Wesen, eine so verwachsene und verkrüppelte Ungestalt auf der Welt? Wäre es nicht besser, es wäre einer weniger?”
Da nahm der Doktor eine geheimnisvolle Miene an, noch nicht zu dem, was er sagte, sondern zu dem, was er sagen wollte. „Dieser Mensch”, begann der Doktor, „ist nur eine unverstandene Chiffre in dem Buch der Weissagung, das der Welt eine große Freude verkündet. Das Buch will verstanden sein. Ich will nur mit zwei Worten meine Meinung sagen.” Da schauten sich die Frauen heimlich an, nämlich, daß jetzt eine langweilige Unterhaltung zu erwarten sei, wie es auch möglich ist, und blieben allmählich ein paar Schritte weit zurück.
„Ich will nur so viel sagen”, fuhr der Doktor fort, „es gibt eine unübersehbare Menge möglicher Formen und Bedingungen des Körpers und Geistes, unter denen der Mensch erscheinen kann. Aber jede muß irgend einmal oder irgend wo zum Vorschein kommen, wenn die Zeit für sie da ist, bis alle Möglichkeiten erschöpft sind. Dieser Unglückliche, den ihr da bedauert habt, ist auf diese Weise geworden und ist gerechtfertigt durch seine Möglichkeit; daß er aber unter die Möglichen gehörte, beweise ich damit, daß er dort sitzt. Eure Frage wäre beantwortet.”


Johann Peter Hebel (10 mei 1760 – 22 september 1826)
Portret door Philipp Jakob Becker, 1795

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Jayne Cortez, Barbara Taylor Bradford, Benito Pérez Galdós, Ivan Cankar, Martin Boelitz, Ariel Durant, Fritz von Unruh, Leonard Buyst

De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.

 

Don’t Ask/1980

Don’t ask me
who I’m speaking for
who I’m talking to
why I’m doing what I do in
the light of my existence

You rise you spit you brush you drink you
pee you shit you walk you run you work
you eat you belch you sleep you dream &
that’s the way it is

In the morning
tap water tasted fishy
coffee sits in its
decaffeinated cup
caca & incense
have a floating romance
& a stale washcloth
will make you smell
doubly stale
so don’t get kissed on the cheek
don’t get licked on the neck

at 8 a.m.
the trains & buses are
packed with folks farting
their bread & butter farts
the gymnasium
is dominated
by the stench of
hot tennis shoes
& one in the locker room
a few silly-talking
intellectual-looking
coke-drinking
cloth-dropping
paper-littering
spinach-pooting
smug arrogant women wait to
be waited on

& in another locker room
there are odors of
crotches & jock straps
bengay, tiger balm
& burning balls
sweat socks & sweat suits
of body-building
door-slamming
iron-pumping
phlegm-hawking men
all sour & steamy
& wrapped up together
in a swamp of
butt-popping towels
but don’t let it
get you down
don’t let it
psych you up

Outside the ledges are
loaded with pigeons
clouds are seeded with
homeless people &
lyricism of the afternoon
in a sub-proletarian madman
squatting & vomiting
from his bowels
a brown liquid of death
in front of your house

& it’s not happening because of you
those socks don’t stink because of me
a bureaucrat is not a jerk because of us
I’m not this way because of them
you’re not that way because of me
don’t ask about influences

You rise you spit you brush you drink you
pee you shit you walk you run you work
you eat you belch you sleep you dream
& that’s the way it is

 
Jayne Cortez (Fort Huachuca, 10 mei 1936)

 

 

De Engelse schrijfster Barbara Taylor Bradford werd geboren in Leeds, West Yorkshire op 10 mei 1933. Zie ook alle tags voor Barbara Taylor Bradford op dit blog.

Uit: The Cavendon Luck

“Cecily Swann Ingham stood on the outside steps of the office annexe at Cavendon Hall, glancing around. What a change in the weather, she thought. From a gloomy, overcast morning it had become a radiant afternoon. Blue sky. No clouds. Brilliant sunlight filtering through the leafy trees. A perfect day in late July. A smile of pleasure touched her face fleetingly. Walking down the steps and crossing the stable yard, she headed for the dirt path through Cavendon Park which led to Little Skell village. Cecily thought suddenly of her son’s birthday earlier in the month as she strode ahead. It had poured with rain that day and spoiled their plans for the garden party. The celebration was held indoors in the end. She couldn’t help wishing it had been a glorious day like this. On the other hand, David hadn’t minded about the weather. It was his ninth birthday and he had enjoyed every moment, as had his brother, seven-year-old Walter, and their sister Venetia, who was five. It had been a happy time for the family, and that was what counted most; their enjoyment derived from the festivities, and what Miles always called the ‘gathering of the clan’. Later that night when they were in bed, Miles had drawn her closer to him, and had wondered out loud where all the years had gone. She had said she didn’t know and had reminded him that time always flew when they were together. He had laughed and pulled her even closer, stroking her hair. After a moment, she had added that they had been busy raising three children, going about their own business and keeping Cavendon safe. She recalled how he had murmured his thanks for all that, had wrapped his arms around her, then slipped on top of her, kissing her, touching her tenderly. Within seconds they were making love to each other with the same excitement and joyousness they had always known. Suddenly, remembering that night so clearly, she couldn’t help wondering if he had made her pregnant on their son’s ninth birthday? They had both been so eager for each other, and intense. It had been a passionate night.”


Barbara Taylor Bradford (Leeds, 10 mei 1933)
Cover

 

De Spaanse schrijver Benito Pérez Galdós werd geboren in Las Palmas op 10 mei 1843. Zie ook alle tags voor Benito Pérez Galdós op dit blog. 

Uit: Tormento (Vertaald door Frans Oosterholt)

“Hoek van las Descalzas. Twee figuren, de helft van hun gezicht in een sjaal gehuld, die vanuit tegenovergestelde richtingen het toneel opkomen, lopen tegen elkaar op. Het is avond.
Eerste gemaskerde: ‘Pummel!’
Tweede gemaskerde: ‘Een pummel, dat bent u zelf.’
Eerste gemaskerde: ‘Ziet u de weg soms niet?’
Tweede gemaskerde: ‘En heeft u geen ogen in uw hoofd? U loopt me zowat ondersteboven.’
Eerste gemaskerde: ‘Ik loop hier gewoon.’
Tweede gemaskerde: ‘En ik ook.’
Eerste gemaskerde: ‘Als ik je te pakken krijg, jongetje…’ (Hij houdt hem tegen)
Tweede gemaskerde: ‘Wat een figuur!’
Eerste gemaskerde: ‘Als ik je te pakken krijg, jongetje… (Hij blijft dreigend staan), zal ik
je leren hoe je tegen oudere mensen moet praten! (Hij neemt de tweede gemaskerde aandachtig op) Maar ik ken dat gezicht. Verdorie nog aan toe!… Ben jij niet?…’
Tweede gemaskerde: ‘En ik ken u ook. Dat gezicht, dat is óf van de duivel, óf van don José Ido de Sagrario.’
Eerste gemaskerde: ‘Mijn teerbeminde Felipe! (Hij laat zijn sjaal zakken en opent zijn armen) Wie zou je achter die sjaal hebben herkend? Je bent Aristoteles in hoogsteigen persoon. Omhels me nog een keer… nog een keer!’
Tweede gemaskerde: ‘Wat een ontmoeting! Gelooft u me, don José: ‘ik ben nog blijer om u te zien dan als ik een zak vol met geld zou hebben gevonden.’
Eerste gemaskerde: ‘Maar waar hang je uit, knul? Hoe staat het leven?’
Tweede gemaskerde: ‘Dat is een heel verhaal. En u, wat doet u?’
Eerste gemaskerde: ‘Oef!… Laat me even op adem komen. Heb je haast?’
Tweede gemaskerde: ‘Niet erg.’
Eerste gemaskerde: ‘Dan praten we even wat bij. Het is fris vanavond, en het is nergens voor nodig om op dit kale pleintje een boom op te zetten. Laten we naar café Lepanto gaan, dat is hier niet ver vandaan. Ik trakteer.”


Benito Pérez Galdós (10 mei 1843 – 4 januari 1920)
Cover Spaans luisterboek

 

De Sloveense schrijver, dichter en toneelschrijver. Ivan Cankar werd geboren in Vrhnika op 10 mei 1876. Zie ook alle tags voor Ivan Cankar op dit blog.

Uit: On the Slope (Vertaald door Urška Charney)

„Francka couldn’t fall asleep late into the night. All was already silent, nothing stirred in the dark, and she was almost afraid. Very seldom a curt voice cut through the night – a young fellow in the village exulted in life, he sang a song. As he treaded down the slope, the song grew voiceless and it sank into the night. At the shopkeeper’s a dog barked away – he had heard god knows what, a rustling of a vicinal chestnut, a mouse’s scratch in the shop, a young fellow’s distant song, and so he raised his h
ead and howled with a tight, squealing voice, then half-asleep he wailed once again and lay down on the tilt into slumber …
Francka was covered with only a sheet, yet she felt hot and her forehead ran sweat onto her cheeks wetting the pillow beneath. The chamber was robed in darkness. The air was heavy and hot. She felt it would have cooled down had she uncovered the green curtain on the window and let the night skies’ soft light break free into the chamber. Out of the darkness came the steady, weary wheeze of Mother and sister, who slept in their beds, and every once in a while a big wall clock’s tick pierced through, its droning sound suppressing all the rest, and then again it vanished as if the clock had ceased to live.
Francka almost sank into slumber, but suddenly shefelt as though she had been sliding downwards little by little, as if the chest on which she slept had been tilting, tilting … she woke up, startled. Her mind was imbued with joyous and strange thoughts. Air, abounding with beautiful memories and hopes, loafed around the chest – lively, smiling faces, kind people dressed in their Sunday best.
As she was listening to Mother’s and sister’s arduous wheezing, her heart shuddered. She felt she was devoid of love for her Mother and sister, and that was a sin. They slept peacefully, a graceful godly sleep, their eyes shut, their lips open only a little, their cheeks burning hot – and if there had been light, Francka would have gotten up and tiptoed to the bed and leaned over them and tears would have come into her eyes.“

 
Ivan Cankar (10 mei 1876 – 11 december 1918)
Cover biografie

 

De Duitse dichter Martin Boelitz werd geboren op 10 mei 1874 in Wesel. Vanaf 1902 leidde hij de uitgeverij Nieter in Nürnberg. Zie ook alle tags voor Martin Boelitz op dit blog.

 

Bal paré

Wirf doch die Rosen fort, Marie!
Lass doch die bunten Sommerranken,
Tanzt ja heute mit zitterndem Knie,
Liebste, ich will dir’s danken!
Weit im Park steht ein stilles Haus –
Horch! die Rappen stampfen am Wagen,
Komm, der Lärm ist nicht zu ertragen,
Komm, ich führ’ dich hinaus.

So, hier ist’s still, und nun bist du mein,
Lass nur den Arm um den Leib mich legen,
Trankst wohl wenig vom roten Wein?
Ich aber, ich dagegen!
Ach, der Wein war so schal und trüb’, –
Mädel, musst nicht an gestern denken,
Hunde und Pferde will ich dir schenken,
Dann aber hab’ mich lieb!

Lustig, Marie, so lache doch, Kind!
Morgen gehst du in Samt und Seide,
Sieh, wo die leuchtenden Fenster sind,
Sorgt man jetzt um uns beide.
Fürchtest dich wohl, du junges Blut,
Wärst wohl lieber ins Dorf gegangen?
Brauchst dich nicht schämen, brauchst nicht zu bangen,
Schatz, ich bin dir ja gut!


Martin Boelitz (10 mei 1874 – 5 december 1918)
Cover

 

De Amerikaanse schrijfster Ariel Durant (eig, Chaya Kaufman) werd geboren op 10 mei 1898 in Proskoeriv, tegenwoordigChmelnytsky in de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Ariel Durant op dit blog..

Uit: Napoleon (Samen met Will Durant)

“There is no such agreement about the imperial stomach. “In all my life,” he told Las Cases on September 16, 1816, “I never had either a headache or a pain in my stomach.” Meneval corroborated him: “I have never heard him complain of pain in the stomach.” However, Bourrienne reported having more than once seen Napoleon suffering such stomach pains that “I would then accompany him to his bedchamber, and have often been obliged to support him.” In Warsaw, in 1806, after violent stomach pains, he predicted that he would die of the same disease as his father – i.e., cancer of the stomach. The doctors who performed an autopsy on him in 1821 agreed that he had a diseased – apparently a cancerous – stomach. Some students would add gonorrhea and syphilis to his woes, and suggest that some by-products remained with him to the end.
He refused to treat his ailments with medicine. As a general accustomed to wounded soldiers, he admitted the need of surgery; but as for drugs, he distrusted their side effects, and preferred, when ill, to fast, drink barley water, lemonade, or water containing orange leaves, to take vigorous exercise to promote perspiration, and let the body heal itself. “Up to 1816,” Las Cases reported, “the Emperor did not recollect having ever taken medicine”; but the imperial memory was then susceptible to wishful forgetting. “Doctor,” he explained to the physician of the S.S. Northumberland on the way to St. Helena, “our body is a machine for the purpose of life; it is organized to that end – that is its nature. Leave the life there at its ease; let it take care of itself; it will do better than if you paralyze it by loading it with medicines.” He never tired of teasing his favorite physician, Corvisart, about the uselessness of medicine; finally he led him to agree that, all in all, drugs had done more harm than good. He amused his final physician, Francesco Antommarchi, by asking him which of the two groups, the generals or the doctors, would, at the Last Judgment, be found responsible for the greater number of deaths.”

 
Ariel Durant (10 mei 1898 – 25 oktober 1981)
Will en Ariel Durant

 

De Duitse schrijver Fritz von Unruh werd geboren op 10 mei 1885 in Koblenz. Zie ook alle tags voor Fritz von Unruh op dit blog.

Uit: Opfergang

“In letzten Januartagen wurden wir verladen, feindlicher Flieger wegen bei Nacht. Niemand wußte wohin. Unser Vizefeldwebel, Lehrer Clemens, sprach zwar bedenklich: »Das geht auf Verdun«, aber wir gaben nichts darauf. Un-bekanntem drängten Blut und Eisenbahn zu. Tambour-gefreiter Preis, det galt, weil er einmal von den Füßen seines Hauptmanns französische Handgranaten geistgegenwärtig aufgerissen und feindgeschleudert hatte, rief über strunkige Rübenfelder zurück: »Du Mausefalle und Rattengewirr! verfluchter Schützengraben, Nordfrankreich, adel Meine Nase zieht mich gen Süden!« — »Nach Ägypten!« rief Heinz, der Kriegsfreiwillige, und schwenkte die Mütze. Auf die Schulter schlug ihn der Trommler: »Willst Du den Sonnen-stich ? Mir summt’s im Ohr: 0 Straßburg, o Straßburg …« und die anderen fielen ein: »Du wunderschöne Stadt.« Ge-sang wuchs und trug in Begeisterungshöhen. Sergeant Hillbrand, des Lehrers Freund und Kollege, schüttelte den Kopf. Eine Karte an das kuglige Glas der Deckenlampe haltend, sagte er, Einwand verbittend: »Da liegen die Ar-gonnen, dort zittert Paris«, und stemmte sich in wuchtiger Gestalt gegen die Wände. Ober unsere Beine stieg er ans Fenster und sah aus dem Wagen. Vize Clemens’ fragende Augen folgten ihm scheu; wie warnend behielt er seinen Zeigefinger scharf, langsam in Bewegung. Singend griff ihn der Trommler: »Was gibt’s, Professor ?« Seufzendes Gegenwort: »Jungens, Jungens!« »Schwarzseher?« Scher-zende Gefreitenfäuste sausten nieder. Clemens lachte unter Schmerzen auf, aber der Trommler rief: »Wir wollen Generalmarsch! Meuine Trommel, die Welt! Ihr Tambour bin ich!“


Fritz von Unruh (10 mei 1885 – 29 november 1970)
Portretbeeld door Wilhelm Lehmbruck, 1918

 

De Vlaamse schrijver en dichter Leonard Buyst (ook wel Léonard) werd geboren in Lokeren op 10 mei 1847. Zie ook alle tags voor Leonard Buyst op dit blog.

Uit: Licht en schaduw, gedichten van Leonard Buyst (Bespreking in Het Belfort, 1888)

“De dichter is ons geen onbekende meer, vroeger reeds hebben wij met hem kennis gemaakt in Het Belfort als wij zijne novelle Mina Lievens bespraken. Met geluk bestatigen wij dat hij op den rechten kunstweg is, dat hij gewetensvol gewaakt en gewerkt heeft en dat zijn Licht en schaduw zoo ver boven Mina Lievens is als het licht boven de schaduw. Deze bundel is aan M.J. Van Droogenbroek opgedragen.
Dankbaar groet hij zijnen eersten aanleider hem door de dood ontrukt en met dezelfde bewogen erkentenis wijdt hij de zangen zijner lier aan hem die Delcroix vervangen heeft en hem een meesterlijke meester is.
In het algemeen neemt deze bundel geene hooge vlucht doch hij verraadt hoedanigheden die veel beloven voor de toekomst. Men ziet dat de dichter het echte schoone wil en zoekt, dat hij dorst naar waar kunstgenot en dat hij ter bereiking van zijn doel zich geene moeite noch studie ontziet. Met aanhoudendheid, werkzaamheid en oprecht kunstgevoel bedeeld, komt men ver.
De verzenbouw is vloeiend en wel gemaakt, enkel hoeft de dichter zich te wapenen tegen zijne blanke verzen die soms mochten verloopen in proza. Dat hij zich ook steeds voor oogen houde dat poëzie beeldspraak is.
Zijne gedachten zijn edel, zijn streven verheven, zie zijne stukken Vertrouwen en Nachtegaal. In de Fabriek en De Grootvader toonen ons dat hij met meesterhand en innig gevoel de stille genoegens van den huiselijken haard weet weer te geven.”

 
Leonard Buyst (10 mei 1847 -20 december 1918)