Leon de Winter, Alain Mabanckou, George Moore, Erich Loest, Herman Maas, Luc Verbeke, Wilhelm Grimm, Friedrich Spielhagen, Jacques Presser

 

De Nederlandse schrijver Leon de Winter werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 24 februari 1954. Zie ook alle tags voor Leon de Winter op dit blog.

Uit: God’s gym

“Opnieuw knikte de man, met gebogen hoofd nu. Maar hij was zo lang dat Joop nog steeds onbelemmerd zijn gezicht kon zien. `Waar wacht je op! Weg! Wil je dat ik de politie bel!’ `Het mag niet zo blijven,’ zei de man terwijl hij naar zijn handen keek. ‘Als mensen sterven hebben ze recht op een ritueel. Mirjam moet een graf krijgen. Ik bemoei me nergens mee, maar u reageert niet. U neemt de telefoon niet op. U haalt de post niet uit uw brievenbus. Ik moest iets doen. Ik zei maar dat ik namens u handelde. Doet u het dan alstublieft zelf. Doe ’t voor haar. Ze heeft er recht op. Mister Koepm’n, ze heeft nog steeds rechten!’ Het gezicht van de grote man trok opeens in een kramp en zijn ogen stroomden vol. Terwijl hij in zijn handen kneep, perste hij zijn lippen op elkaar en probeerde zijn tranen in te slikken. Maar de tranen bleven stromen en met diepe uithalen stond de man voor zijn deur te huilen. Zijn schouders schokten en hij opende zijn mond en haalde diep adem om de pijnscheuten van verdriet te kunnen weerstaan. De aanblik van de man was niet te verdragen. Joop deed een stap opzij en zocht steun bij de muur naast de kapstok, met zijn schouder tegen het rugzakje, en onttrok zich aan het uitzicht door het raam. Gedempt hoorde hij het gesnik van de man. De man had de motor bestuurd. Zijn dochter was gestorven, maar de man was ongedeerd, stond hier nu te janken alsof het zijn eigen kind was geweest. Hij had geen recht op medelijden. Niet van Joop. Niet hier. Joop wachtte tot er geen gesnik meer door de deur klonk. Na een paar minuten leek de man zijn huilende lijf onder controle te krijgen. Het gesnik stopte en Joop hoorde dat de man zijn neus snoot. `Mister Koepm’n, sir?’ hoorde Joop vervolgens. ‘Mister Koepm’n? Luistert u even naar me? Ik weet dat u me hoort. Mister Koepm’n, ik heb gisteren m’n zaak verkocht! U bent er geweest, pas geleden nog! Ik moet daar les blijven geven, maar ik heb het verkocht en ik heb er geld aan overgehouden! Real money! Mister Koepm’n, ik wil een gedenkteken voor haar oprichten! Een tempel, sir! Een beeld in een Griekse tempel met zuilen! Zoiets als de tempel van Artemis in Ephesus! Iets wat er eeuwig zal staan! Ik betaal alles, sir!”

 

 
Leon de Winter (’s-Hertogenbosch, 24 februari 1954)
Cover

 

De Duitse schrijver Erich Loest werd geboren op 24 februari 1926 in Mittweida. Zie ook alle tags voor Erich Loest op dit blog.

Uit: Nikolaikirche

“1985, April, Mai
»Ich bleib morgen zu Hause.« Harald Protter reagierte nicht. Ihn jammerte, wie die Französin dem netten Österreicher die Tour ver-masselte, und der Quizmaster gab sich doch die größte gerade noch erlaubte Mühe, ihr eine Brücke zu bauen. •Kein Maler, neiiin, ein Bildhauer, vielleicht hat er mal Skizzen gezeichnet, aber die Bronzen… Seine Lippen bildeten ein R000, da hallte der Gong. Der Österrei-cher, der wohl gewußt hatte, daß nach Rodin gefragt worden war, lächelte seine Partnerin tröstend an. Prompt kam Paul Kuhn ins Bild, der hieb in die Tasten und gab mit einem Kinnrucken seinen Mannen das Einsatzzeichen. Protter fragte erst jetzt: •Und warum?« »Weil ich wütend bin.« Astrid Protter wollte anfü-gen: Weil ich übermorgen den schwersten Tag haben werde, seit ich in diesem Büro sitze, weil ich meinen Zorn brauche und alle Kraft. Da kann ich nicht vorher an einer Maitribüne vorbeihüpfen, als wäre alles in But-ter. »Und was sagst du im Betrieb?« Protter hätte gern gewußt, ob alle Leute in diesem Riesensaal völlig bei der Sache waren oder im Hinterkopf an den nächsten Tag dachten, beispielsweise an eine Gewerkschaftsfeier. Demonstrieren im Sinne von Vorbeimarschieren wie hier gab es ja drüben nicht. »Ich kann doch mal krank sein, oder?« »He, Schwänzen!« Das war Silke. »Mutti, das merk ich mir aber!« •Schule ist was anderes.« »Bei mir ist es immer was anderes.« Astrid Protter versuchte sich vorzustellen, sie würde zu ihrem Chef sagen: Ich habe nicht gegen die Kriegs-brandstifter und ftir den Völkerfrieden und unseren ruhmreichen Sozialismus demonstriert, weil dein Be-richt absoluter Unfug ist. Und du weißt es. Silke knüllte Papier und zerriß Pappe. Protter mein-te, jetzt sollte ihre Mutter sie eigentlich darauf hinwei-sen, daß derlei doch nicht um diese Zeit im Wohnzim-mer gemacht werden müßte. Vor zwei Jahren hätte er sie ins Bett geschickt. Er fand selten den richtigen Ton, Silke auf etwas hinzuweisen, noch nicht einmal, sie um etwas zu bitten: Sofort zog sie einen Flunsch. Kürzlich haue er in einem Radiovortrag gehört, Pubertät setze ein, wenn die Eltern blöd würden.“

 

 
Erich Loest (24 februari 1926 – 12 september 2013)
Cover

 

 

De Congolese dichter en schrijver Alain Mabanckou werd geboren op 24 februari 1966 in Congo-Brazzaville (Frans Congo). Zie ook alle tags voor Alain Mabanckou op dit blog.

Uit:Taistoi et meurs

“Je m’appelle Julien Makambo. Pendant les semaines qui ont suivi mon arrestation, et même bien avant, lorsque j’étais encore en cavale, ma tronche et mon autre nom, José Montfort, ont occupé la une de la plupart des journaux de France et de Navarre. Dans notre langue du Congo-Brazzaville, le lingala, Makambo signifie « les ennuis ». J’ignore ce qui avait piqué mes parents pour m’attribuer un tel nom qui n’est d’ailleurs pas celui de mon défunt père, encore moins celui d’un proche de la famille. Je suis maintenant convaincu que le nom qu’on porte a une incidence sur notre destin. Si ce vendredi 13 je ne m’étais pas rendu au restaurant L’Ambassade avec Pedro pour rencontrer celui qu’il qualifiait alors de « type très important » venu de Brazzaville, je ne serais peut-être pas en détention provisoire depuis un an et demi dans cette cellule de Fresnes. Mais voilà, lorsqu’on s’appelle Makambo les choses ne sont pas aussi simples.
*
Quand on vient me tirer de la cellule pour les interrogatoires devant le juge d’instruction ou pour les entretiens avec mon avocat commis d’office, j’ai presque envie de demander aux gardiens pourquoi ils sont aussi nombreux à m’entourer, comme si j’étais ce célèbre Guy Georges, le meurtrier qui sévissait dans l’Est de Paris, qui violait, puis tuait certaines femmes dans les parkings. Je ne suis pas non plus un de ces tueurs en série qu’on voit dans les films américains et qui sont emprisonnés à Alcatraz. Ceux-là sont surveillés sept jours sur sept, vingt-quatre heures sur vingt-quatre, et on ne les libère jamais, pas question de les voir recommencer leur entreprise maléfique de destruction du genre humain — ce que d’ailleurs ce Guy Georges faisait chaque fois qu’il sortait de prison. Je cite ce nom parce qu’un détenu d’une des cellules du fond du couloir m’a laissé entendre un jour que je ressemblais à ce criminel et qu’avec ma tête «bizarre» — je reprends son mot — même un aveugle dirait sans risque de se tromper que je suis un tueur-né, un tueur de la trempe de ceux qu’on voit dans les films.”

 

 
Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)

 

 

De Ierse schrijver en kunstcriticus George Augustus Moore werd geboren op 24 februari 1852 in Ballyglass. Zie ook alle tags voor George Moore op dit blog.

Uit:Celibates

“The tall double stocks were breathing heavily in the dark garden; the delicate sweetness of the syringa moved as if on tip-toe towards the windows; but it was the aching smell of lilies that kept Mildred awake.
As she tossed to and fro the recollections of the day turned and turned in her brain, ticking loudly, and she could see each event as distinctly as the figures on the dial of a great clock.
‘What a strange woman that Mrs. Fargus–her spectacles, her short hair, and that dreadful cap which she wore at the tennis party! It was impossible not to feel sorry for her, she did look so ridiculous. I wonder her husband allows her to make such a guy of herself. What a curious little man, his great cough and that foolish shouting manner; a good-natured, empty-headed little fellow. They are a funny couple!
Harold knew her husband at Oxford; they were at the same college. She took honours at Oxford; that’s why she seemed out of place in a little town like Sutton. She is quite different from her husband; he couldn’t pass his examinations; he had been obliged to leave. … What made them marry?
‘I don’t know anything about Comte–I wish I did; it is so dreadful to be ignorant. I never felt my ignorance before, but that little woman does make me feel it, not that she intrudes her learning on any one; I wish she did, for I want to learn. I wish I could remember what she told me: that all knowledge passes through three states: the theological, the–the–metaphysical, and the scientific. We are religious when we are children, metaphysical when we are one-and-twenty, and as we get old we grow scientific. And I must not forget this, that what is true for the individual is true for the race. In the earliest ages man was religious (I wonder what our vicar would say if he heard this). In the Middle Ages man was metaphysical, and in these latter days he is growing scientific.”

 

 
George Moore (24 februari 1852 – 20 januari 1933)
Moore Hall in de baronie van Carra in 1890. Dit huis van de familie Moore brande af tijdens de Ierse Burgeroorlog (1922/23)

 

 

De Nederlandse schrijver en journalist Herman Hubertus Joannes (Herman) Maas werd geboren in Venray op 24 februari 1877. Zie ook alle tags voor Herman Maas op dit blog.

Uit: Het goud van de Peel

“Een kort, onderdrukt gelach, terwijl haar ogen hem uitdagend tegen-blikten. Dan: `Dat kunt ge immers niet!’ `Och, arm dingske, met één hand draag ik u weg!’ Een schoof stro, die zij juist in de handen hield, gooide ze hem naar het hoofd met de kracht van sterke armen, gewoon aan ruw werk. Dat prikkelde hem en hij greep haar vast in een worsteling. In zijn omarming wrongen hun lichamen zich tegen elkaar. De weerstand van haar sterk gebouwd vrouwenlijf bedwelmde hem geheel in een roes van zinnelijkheid. Haar haren raakten los en bosten wild om haar hoofd terwijl haar rokken opfladderden om de benen. Toen rukte zij zich los en liep weg. Maar datzelfde spelletje herhaalde zich dikwijls. En er gebeurden dan wel eens dingen, waarin zij door gebrek aan ontwikkeling niets zagen, maar die hun begeerte met ál-groter kracht deden opvlammen. Geen van beiden dacht er aan, dat het iets onbehoorlijks was. Zo verminderde al langer hoe meer het hoewel onbewuste, natuurlijke zich inhouden tussen hen, dat de dadelijke toenadering tussen de man en de vrouw verhindert, maar dat door de langzame ontwikkeling hen wellicht juist met zoveel te meer kracht tot elkander dwingt. In de zomer, in het hooiland, hadden enige lui iets gezien. En onmiddellijk vloog rumoerend het praatje het dorp rond, dat de knecht en de meid van de Veulenhof met elkaar vrijden. Het drong ineens door in alle huizen als een stofwolk, waarvoor geen deuren of ramen dicht genoeg kunnen zijn. Er werd druk over gepraat. Ook werden er toespelingen gemompeld, die iets moesten verbergen voor jonge oren, maar toch ruw genoeg waren om door iedereen verstaan te worden. Eén ding was zeker, het was nog schande, zo onder één dak. Schande ook voor de boer en de boerin. Dat die zulke dingen maar allemaal toelieten.”

 

 
Herman Maas (24 februari 1877 – 27 januari 1958)
Venray. De Groote straat op een oude ansichtkaart

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Luc Verbeke werd geboren in Wakken op 24 februari 1924. Zie ook alle tags voor Luc Verbeke op dit blog.

 

Zingt niet…

Zingt niet de grootheid van voorbije eeuwen
als een verloren vogel diep in mij?
Snikt niet in mij het stervend hart der Leeuwen
wijl ik, onmachtig, om mezelven schrei?

O belforten, o burchten, kathedralen,
torens en beelden, uit steen en graniet,
blijft gij niet eenzaam en versomberd pralen
in dezen nacht vol sterren en verdriet?

Laat nog éénmaal de bronzen klokken bonzen,
hun slagen mij doorzindren, en hun lied,
hun volle tonen om mijn oren gonzen
tot weer het vuur der vaadren mij doorschiet

en ik weer word een nieuwe mens, herboren,
herrezen uit het donker van den tijd,
die slechts zijn Volk en God kan toebehoren
en niet verkwijnt in knagend zelfverwijt.

Ik wil Uw klacht, klein hart, niet langer horen,
Uw onmacht en Uw vrees niet meer verstaan,
doch onbeschroomd en driest den ongeboren
maar open morgen juichend binnengaan.

 

 
Luc Verbeke (24 februari 1924 – 30 september 2013)
Het Kasteel van Wakken

 

 

De Duitse schrijver en taalwetenschapper Wilhelm Karl Grimm werd geboren in Hanau op 24 februari 1786. Zie ook alle tags voor Wilhelm Grimm op dit blog.

Uit: Die sieben Raben

„Ein Mann hatte sieben Söhne und immer noch kein Töchterchen, so sehr er sichs auch wünschte; endlich gab ihm seine Frau wieder gute Hoffnung zu einem Kinde, und wies zur Welt kam, war es auch ein Mädchen. Die Freude war groß, aber das Kind war schmächtig und klein, und sollte wegen seiner Schwachheit die Nottaufe haben. Der Vater schickte einen der Knaben eilends zur Quelle, Taufwasser zu holen: die andern sechs liefen mit, und weil jeder der erste beim Schöpfen sein wollte, so fiel ihnen der Krug in den Brunnen. Da standen sie und wußten nicht, was sie tun sollten, und keiner getraute sich heim. Als sie immer nicht zurückkamen, ward der Vater ungeduldig und sprach: “Gewiß haben sie’s wieder über ein Spiel vergessen, die gottlosen Jungen.” Es ward ihm angst, das Mädchen müßte ungetauft verscheiden, und im Ärger rief er: “Ich wollte, daß die Jungen alle zu Raben würden.” Kaum war das Wort ausgeredet, so hörte er ein Geschwirr über seinem Haupt in der Luft, blickte in die Höhe und sah sieben kohlschwarze Raben auf- und davonfliegen.
Die Eltern konnten die Verwünschung nicht mehr zurücknehmen, und so traurig sie über den Verlust ihrer sieben Söhne waren, trösteten sie sich doch einigermaßen durch ihr liebes Töchterchen, das bald zu Kräften kam, und mit jedem Tage schöner ward. Es wußte lange Zeit nicht einmal, daß es Geschwister gehabt hatte, denn die Eltern hüteten sich, ihrer zu erwähnen, bis es eines Tags von ungefähr die Leute von sich sprechen hörte, das Mädchen wäre wohl schön, aber doch eigentlich schuld an dem Unglück seiner sieben Brüder“.

 

 
Wilhelm Grimm (24 februari 1786 – 16 december 1859)
Illustratie door Oskar Herfurth, ca. 1930

 

 

De Duitse schrijver Friedrich Spielhagen werd geboren op 24 februari 1829 in Magdeburg. Zie ook alle tags voor Friedrich Spielhagen op dit blog.

Uit: Angela

“Die Tischglocke des »Grand Hôtel du Lac« in Vevey war verklungen; die Gäste kamen aus ihren Zimmern, sich in den zur ebenen Erde gelegenen Speisesaal zu begeben; einige hatten bereits ihre Plätze an der Tafel eingenommen.
Wir bringen es heute nicht mehr auf Dreißig, sagte Herr Sybold über den Rücken seiner Frau zu Herrn Banse. Was gilt die Wette?
Was ist da groß zu wetten, erwiderte Herr Banse, den Zipfel der Serviette vorsichtig zwischen die beiden obersten Knöpfe seiner weißen Weste schiebend; Sie haben sich bei Delajoux erkundigt.
Parole d’honneur! rief Herr Sybold, fragen Sie meine Frau! Ich kalkuliere nur nach der Unmenge von Koffern, die zum Zwei-Uhr-Zuge im Vestibül aufgestapelt waren, als wir um ein Uhr mit dem Dampfer nach Montreux fuhren. Sind erst vor zehn Minuten zurück – fragen Sie meine Frau!
So habe ich mich erkundigt, erwiderte Herr Banse, und kann also nicht wetten: einunddreißig auf den Kopf. Sie sehen, Sie hätten verloren.
Und gestern waren wir noch achtundvierzig, klagte Herr Sybold; als wir am Dienstag vorige Woche kamen: sechsundachtzig! Fünfundfünfzig in sieben Tagen – das ist arg – und wir gedachten bis Mitte November zu bleiben!
Wer hindert Sie daran? Delajoux gewiß nicht.
Der freilich nicht; er wird froh fein, wenn überhaupt noch ein Mensch aushält; aber das wird doch am Ende verteufelt langweilig.
Nicht sehr schmeichelhaft für uns, die wir hier überwintern, wie Sie wissen.
Die Anwesenden sind immer ausgenommen – pardon, liebes Suschen!
Frau Sybold hatte eine ungeduldige Bewegung gemacht; Herr Sybold zog den Arm von der Lehne ihres Stuhles zurück, beugte sich über seine Suppe und murmelte, während er eifrig zu löffeln begann: Ich weiß gar nicht, was Du gegen die Leute hast.“

 
Friedrich Spielhagen (24 februari 1829 – 25 februari 1911)
In zijn werkkamer, 1898

 

 

De Nederlandse historicus, schrijver en dichter Jacques (Jacob) Presser werd geboren in Amsterdam op 24 februari 1899. Zie ook alle tags voor Jacques Presser op dit blog.

Uit: Ondergang

“Hoeveel kwamen in Engeland aan? Het heet: enige honderden. Men kan met zekerheid zeggen: verreweg de meeste ontsnapten, maar niet alle. De bekende Amsterdamse kunsthandelaar J. Goudstikker, die zelf zoveel voor de gevluchte Duitse Joden had gedaan, viel in het nachtelijk duister in het ruim van een boot, waar men zijn lijk pas na uren terugvond; op een snikhete dag in juli, enige maanden later, verscheen in zijn zaak op de Herengracht ‘een zeer omvangrijk man, in een witte uniform en met een stafje in de hand’ (naar het verhaal van een ooggetuige); het was de Reichsmarschal Goering, en: ‘Enige dagen later reden grote vrachtauto’s bij Goudstikker voor, terwijl langs de gracht een paar zolderschuiten meerden.
Werklieden droegen de kostbare schilderijen en de antieke meubelen in de auto’s en op de schuiten. Goudstikker werd leeggehaald. Alles ging naar Duitsland’. Hierbij nu alvast de aantekening dat Goering’s ‘hofjuwelier’, Staatsrat dr. Kurt Hermann al op 7 juni 1940 bij de firma Asscher voor 368 000 gulden aan briljanten kocht, de eerste van een reeks welgeslaagde aankopen.
Een enkele Joodse familie dobberde in een bootje een week lang op de Noordzee rond. Gelukkig was het weer goed en in elk geval kwam ook zij aan de overkant. In tegenstelling tot de vele duizenden, die terugkeerden. Naar het inmiddels overweldigde strijdensmoede Nederland, naar Amsterdam, waar rookwolken zwaar boven de westkant van de stad hingen, naar Amsterdam, dat die éne avond in jaren, in dat donkerste uur zijner geschiedenis, niet verduisterde, dus helder verlicht was, alsof het illumineerde, naar Amsterdam, waar ze beschaamd hun achtergelaten betrekkingen ontmoetten, hun meewarige buren, waar velen, vooral in ‘Oost’ maar zeker ook elders, brandstapels aanrichtten van anti-Nazi kranten en diergelijke lectuur, tot Engelse woordenboeken toe. In Amsterdam tenslotte, waar velen, maar al te velen nu de andere vluchtweg opgingen, die in de dood. Maar ook van deze poging kwam de meerderheid terug zonder het doel bereikt te hebben.”

 

 
Jacques Presser (24 februari 1899 – 30 april 1970)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 24 februari 2007 en ook mijn blog van 24 februari 2008 en eveneens mijn blog van 24 februari 2009 deel 1 en ook deel 2.