Rudolf Kögel

 

De Duitse dichter, theoloog en predikant Johannes Theodor Rudolf Kögel werd geboren op 18 februari 1829 in Birnbaum als zoon van pastor Gottfried Kögel en diens echtgenote Florentine. Rudolf Kögel studeerde in de periode 1847-1852 in Halle en Berlijn theologie en filologie en maakte tijdens zijn studententijd reizen naar Frankrijk, Spanje, Oostenrijk, Zwitserland en Italië. Van 1852-1854 werkte hij als godsdientsleraar aan het Vitzthumschen Gymnasium in Dresden, vervolgens als leraar op het seminarium voor stadsscholen in Berlijn. Van 1854 tot 1857 was hij predikant in Nakel bij Bromberg en vervolgens tot 1863 predikant van de Duits-protestantse gemeenschap in Den Haag (Nederland). Van daaruit werd hij door Wilhelm I als predikant naar Berlijn gehaald en ook benoemd tot lid van de kerkenraad van Brandenburg en tot raadheer in het ministerie van cultuur beoemd. In 1868 verleende de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität Bonn hem een ​​eredoctoraat. Het kerkelijk beleid van Adalbert Falk en Emil Herrmann vocht Kögel door zijn invloed bij de keizer met groeiend succes aan. Door toedoen van Falk werd Kögel bij het ministerie van onderwijs ontslagen, maar in 1878 werd Kögel wel benoemd tot lid van de oud-Pruisische protestantse Oberkirchenrat en in 1880 werd hij algemeen inspecteur van de Kurmark. Hij werd beschreven als een uitstekend predikant. Veel van zijn preken werden gebundeld.. Ook schreef hij talloze kerkelijke liederen. Hij publiceerde ook verschillende kleinere geschriften over de sociale kwestie. Hij trouwde in 1855 in Halle met Marie Müller. Het echtpaar had vier zonen en drie dochters, waaronder Julius die hoogleraar theologie in Kiel zou worden. Na de dood van zijn vrouw Marie in 1884 hertrouwde hij met Karoline von Bodelschwingh.

 

Heimat für Heimatlose

So nah dem Strand ein stiller Raum,
Ein eingehegter Garten:
Will man bei Sturm und Wogenschaum
Hier noch der Blumen warten?
Ich trete ein. Zwei Gräberreih’n
In Heidekraut und Moose.
Es sagt der Schrift erloschner Schein:
“Heimat für Heimatlose!”

Die mitleidslos das Meer geraubt
Und die das Meer gab wieder,
Hier legten sie ihr bleiches Haupt
Von Wellen triefend nieder.
Schiffbrüchige — man kennt sie nicht,
Ob Schiffsherrn, ob Matrosen,
Nun träumen von der Heimat Acht
Die armen Heimatlosen.

Du Fremdling mit dem flüchtigen Sinn,
Zieh lachend nicht von hinnen,
Auf dein Woher, auf dein Wohin
Sollst du dich hier besinnen.
Noch eh’ der Abend niedersinkt,
Zerflattert Ruh und Rose,
Weh dem, dem nicht beim Scheiden winkt
Heimat für Heimatlose.

Du andrer Gast mit müdem Fuß,
Voll Schwermut und voll Sorgen,
Denk’ nicht bei diesem Kirchhofsgruß:
“Hier wär’ ich wohlgeborgen!
Was treib’ ich noch von Ort zu Ort,
Ein Blatt im Sturmgetose?”
Ist wirklich Tod ein Ruheport,
Heimat für Heimatlose?

Wir sind ein Volk, vom Strom der Zeit
Gespült zum Erdeneiland,
Voll Unfall und voll Herzeleid,
Bis heim uns holt der Heiland.
Das Vaterhaus ist immer nah,
Wie wechselnd auch die Lose —
Es ist das Kreuz von Golgatha
Heimat für Heimatlose.

 

 
Rudolf Kögel (18 februari 1829 – 2 juli 1896)