De verzoeking in de woestijn (Nicolaas Beets)

Bij de eerste zondag van de vasten

 

 
De verzoeking van Christus door Ary Scheffer, 1854

 

De verzoeking in de woestijn
Matth. IV. v. 1-11.

I.
De booze.
Hoe? Is des Boozen euvelmoed
Zoo groot, dat niets hem vreezen doet,
Dat hij den Reinen aan durft blikken
En tarten tot zijn worstelperk?
Durft hij, door list en lagen sterk,
Den Heilgen lokken in zijn strikken?

Vernam hij, in de afzichtbre hel,
Van Gods genade ’t grootsch bestel,
Zoo is de tijd zijns wroks gekomen;
Want de aarde, ’t voorwerp van zijn wensch,
Met den door hem gevallen mensch,
Zijn roof, zijn buit wordt hem ontnomen.

Verborgen voor zijns volks gezicht,
Bereidt zich Jezus tot den plicht,
Waarop hij ’t oog des geestes vestte,
En toeft in ’t hart der woestenij.
Reeds veertig dagen vastte hij,
Maar nu, nu hongert hem ten leste.

Daar treedt, geoefend op verraad,
Met vriendlijk oog en heusch gelaat,
De Satan voor des Heilands oogen:
‘Hoe? Lijdt Gods zoon hier hongersnood?
Hij vordre van dees rotsen brood;
Wat zou Zijn almacht niet vermogen?’

Naar ’s Tempels tinnen voert hij hem.
‘Welnu,’ klinkt des Verzoekers stem,
‘Werp, werp u af! Gij moogt het wagen.
Zijt Gij Gods Zoon, voor u geen nood!
Daar de Englen Gods Gods Gunstgenoot,
Op hunne handen zullen dragen.’

Hij voert hem op een hoogen berg,
Dat hij zijn hart met eerzucht terg:
‘Ziehier al ’s werelds vorstendommen!
Indien gij neervalt aan mijn kniên,
Zult gij ze in Uwe handen zien,
Ten top van grootheid opgeklommen.’

De Heilige blijft onverlokt;
Geen list des Satans, die hem schokt
Of in zijn hart den lust kan wekken;
Hij keert de pijlen, die hij spilt,
Op ’t godlijk woord als op een schild,
En dwingt hem schaamrood af te trekken.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 18e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Nick McDonell, Robbert Welagen, Bart FM Droog, Maarten Mourik, Huub Beurskens, Gaston Burssens, Toni Morrison, Elke Erb, Charlotte Van den Broeck

De Amerikaanse schrijver Nick McDonell werd geboren op 18 februari 1984 in New York. Zie ook alle tags voor Nick McDonell op dit blog.

Uit: The Third Brother

“When dinner started, the children would go to the playroom and eat with the nannies. They lounged on heavy couches, watching movies until they fell asleep and the nannies went outside for cigarettes. Lyle especially loved these dinners and made a point of talking to everybody, lingering in the dining room rather than watching movies with the other children. He loved listening to adults talk. So did Mike, but he knew he didn’t understand the way his older brother did. The adults sat and drank wine and laughed and smiled at one another in the fall candlelight. Many of them had started families late or had been married once before and had only recently started new ones. Jobs were interesting; there was much travel. There was a lot to talk about, and the subtext was that they were lucky to have the lives they had. Mike remembered everyone being very happy.
Before one of these dinners, Lyle decided that he and Mike would be spies. Lyle had gotten a small tape recorder, only a toy really, for his birthday earlier that fall. Their plan was to hide it in the dining room to record the dinner conversation. While the servants were setting up, and Mike’s mother was upstairs dressing, and Mike’s father was out walking along the ocean, Lyle and Mike secured the tape recorder under the table with duct tape. As the guests arrived and had drinks, the boys slid between them and crawled under the table and switched on the recorder. They were very excited all through dinner, but they didn’t tell any of the other children what they were up to. By dessert, Mike couldn’t wait any longer. He wanted to go get the recorder. No, said Lyle, they’ll be there for a long time. Let’s just look. When they peeked around the dining room door, Elliot Analect saw them and held up the tape recorder, which he must have found much earlier, maybe when he first sat down. Analect wasn’t a regular guest at these dinners. He was usually abroad somewhere. At this point he was a correspondent in East Asia, and Mike’s father was especially glad to have him for Thanksgiving. Mike’s mother didn’t like Analect. Mike didn’t know this the way Lyle did, but he had a sense of it too. When Analect held up the recorder Mike knew instantly they would be in trouble. He saw the way the adults laughed but didn’t think it was funny. One of them, drunker than the rest and not a very good friend of Mike’s parents, was even a little angry. Mike remembered that he worked for one of the networks. Their mother was embarrassed and that always made her cross as well. Mike’s father called the boys over and tried to set things right by giving them a talk in front of the table that was both funny and serious. Analect removed the tape from the recorder and put it in his pocket.

 
Nick McDonell (New York, 18 februari 1984)

Doorgaan met het lezen van “Nick McDonell, Robbert Welagen, Bart FM Droog, Maarten Mourik, Huub Beurskens, Gaston Burssens, Toni Morrison, Elke Erb, Charlotte Van den Broeck”

Níkos Kazantzákis, Jean M. Auel, Audre Lorde, Mór Jókai, Hedwig Courths-Mahler, Alexander Kielland, Wallace Stegner, Leone Battista Alberti

De Griekse dichter en schrijver Níkos Kazantzákis werd geboren in Heraklion op 18 februari 1883. Zie ook alle tags voor Níkos Kazantzákis op dit blog.

Uit: The Odyssey (Vertaald door Kimon Friar)

Snatch prudence from me, God, burst my brows wide, fling far
the trap doors of my mind, let the world breathe awhile.
Ho, workers, peasants, you ant-swarms, carters of grain,
I fling red poppies down, may the world burst in flames!
Maidens, with wild doves fluttering in your soothing breasts,
brave lads, with your black-hilted swords thrust in belts,
no matter how you strive, earth’s but a barren tree,
but I, ahoy, with my salt songs shall force the flower!
Fold up your aprons, craftsmen, cast your tools away,
fling off Necessity’s firm yoke, for Freedom calls.
Freedom, my lads, is neither wine nor a sweet maid,
not goods stacked in vast cellars, no, nor sons in cradles,
it’s but a scornful, lonely song the wind has takenŠ
Come, drink of Lethe’s brackish spring to cleanse your minds,
forget your cares, your poisons, your ignoble profits,
and make your hearts as babes, unburdened, pure and light.
.
O brain, be flowers that nightingales may come to sing!
Old men, howl all you can to bring your white teeth back,
to make your hair crow-black, your youthful wits go wild,
for by our Lady Moon and our Lord Sun, I swear
old age is a false dream and Death but fantasy,
all playthings of the brain and the soul’s affectations,
all but a mistral’s blast that blows the temples wide;
the dream was lightly dreamt and thus the earth was made;
let’s take possession of the earth with song, my lads!
Aye, fellow craftsmen, seize your oars, the Captain comes;
and mothers, give your sweet babes suck to stop their wailing!
Ahoy, cast wretched sorrow out, prick up your ears-
I sing the sufferings and torments of renowned Odysseus!

 
Níkos Kazantzákis (18 februari 1883 – 26 oktober 1957)

Doorgaan met het lezen van “Níkos Kazantzákis, Jean M. Auel, Audre Lorde, Mór Jókai, Hedwig Courths-Mahler, Alexander Kielland, Wallace Stegner, Leone Battista Alberti”

Rudolf Kögel

De Duitse dichter, theoloog en predikant Johannes Theodor Rudolf Kögel werd geboren op 18 februari 1829 in Birnbaum als zoon van pastor Gottfried Kögel en diens echtgenote Florentine. Rudolf Kögel studeerde in de periode 1847-1852 in Halle en Berlijn theologie en filologie en maakte tijdens zijn studententijd reizen naar Frankrijk, Spanje, Oostenrijk, Zwitserland en Italië. Van 1852-1854 werkte hij als godsdientsleraar aan het Vitzthumschen Gymnasium in Dresden, vervolgens als leraar op het seminarium voor stadsscholen in Berlijn. Van 1854 tot 1857 was hij predikant in Nakel bij Bromberg en vervolgens tot 1863 predikant van de Duits-protestantse gemeenschap in Den Haag (Nederland). Van daaruit werd hij door Wilhelm I als predikant naar Berlijn gehaald en ook benoemd tot lid van de kerkenraad van Brandenburg en tot raadheer in het ministerie van cultuur beoemd. In 1868 verleende de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität Bonn hem een ​​eredoctoraat. Het kerkelijk beleid van Adalbert Falk en Emil Herrmann vocht Kögel door zijn invloed bij de keizer met groeiend succes aan. Door toedoen van Falk werd Kögel bij het ministerie van onderwijs ontslagen, maar in 1878 werd Kögel wel benoemd tot lid van de oud-Pruisische protestantse Oberkirchenrat en in 1880 werd hij algemeen inspecteur van de Kurmark. Hij werd beschreven als een uitstekend predikant. Veel van zijn preken werden gebundeld.. Ook schreef hij talloze kerkelijke liederen. Hij publiceerde ook verschillende kleinere geschriften over de sociale kwestie. Hij trouwde in 1855 in Halle met Marie Müller. Het echtpaar had vier zonen en drie dochters, waaronder Julius die hoogleraar theologie in Kiel zou worden. Na de dood van zijn vrouw Marie in 1884 hertrouwde hij met Karoline von Bodelschwingh.

Heimat für Heimatlose

So nah dem Strand ein stiller Raum,
Ein eingehegter Garten:
Will man bei Sturm und Wogenschaum
Hier noch der Blumen warten?
Ich trete ein. Zwei Gräberreih’n
In Heidekraut und Moose.
Es sagt der Schrift erloschner Schein:
“Heimat für Heimatlose!”

Die mitleidslos das Meer geraubt
Und die das Meer gab wieder,
Hier legten sie ihr bleiches Haupt
Von Wellen triefend nieder.
Schiffbrüchige — man kennt sie nicht,
Ob Schiffsherrn, ob Matrosen,
Nun träumen von der Heimat Acht
Die armen Heimatlosen.

Du Fremdling mit dem flüchtigen Sinn,
Zieh lachend nicht von hinnen,
Auf dein Woher, auf dein Wohin
Sollst du dich hier besinnen.
Noch eh’ der Abend niedersinkt,
Zerflattert Ruh und Rose,
Weh dem, dem nicht beim Scheiden winkt
Heimat für Heimatlose.

Du andrer Gast mit müdem Fuß,
Voll Schwermut und voll Sorgen,
Denk’ nicht bei diesem Kirchhofsgruß:
“Hier wär’ ich wohlgeborgen!
Was treib’ ich noch von Ort zu Ort,
Ein Blatt im Sturmgetose?”
Ist wirklich Tod ein Ruheport,
Heimat für Heimatlose?

Wir sind ein Volk, vom Strom der Zeit
Gespült zum Erdeneiland,
Voll Unfall und voll Herzeleid,
Bis heim uns holt der Heiland.
Das Vaterhaus ist immer nah,
Wie wechselnd auch die Lose —
Es ist das Kreuz von Golgatha
Heimat für Heimatlose.

 
Rudolf Kögel (18 februari 1829 – 2 juli 1896)