Richard Blanco, Stacie Cassarino, Elke Heidenreich, Chrystine Brouillet, Hans Kruppa, Douglas Hofstadter, Wilhelm Jensen, Demetrius Vikelas, Tobias Amslinger

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

Uit:For All of Us, One Today

“Days before our field trip to the science center, Mrs. Bermudez tells our class the sun is actually hundreds of times larger than the earth. We move around it. We’re nothing, zooming through dark space, she says, matter-of-factly, as if it didn’t matter that we were no longer the center of our own little worlds. We, with crayons in our hands coloring dittos of the sun and our nine planets. We, at our desks but also helplessly zooming through cold, empty space. I don’t want to believe her; the sun is the size of a sunflower, I insist. I draw lemon-yellow petals around it and color its center sienna brown. The first time I see a lion I am nine years old, my grandfather’s hands holding me back from the cage I want to open. I can still feel his grip and the lion’s eyes staring at me like tiny, amber planets behind bars, asking me to set him free. My first kiss was under the shade of moonlit palms in Janet Carballo’s backyard, exactly two days before the end of the school year. But I’m still feeling the powdery skin behind her earlobes, smelling her strawberry lip gloss and the orange blossoms in the air already thick with summer. I never saw a comet until I was twenty-four, cupped in the darkness of the Everglades and the arms of a man I loved. It was past midnight on a Sunday, I remember; I didn’t go to work the next day. I’m still sleeping with the mangroves and the ibis, under a masterpiece of stars. The comet’s tail a brushstroke of pure, genius light.
These are more than memories. They are what lives—and relives—inside our bodies, in every cell and heartbeat. The undiscovered DNA of our souls imprinted with the minute details of those eternal moments that change our lives, our stories, forever. Sometimes they’re subtle, sometimes dramatic, but we know nothing will ever be the same the instant we experience them. And quite often they are unexpected.
On the afternoon of December 12, while casually driving back to my home in Maine, I receive a phone call with the news that I have been chosen as inaugural poet. Bewildered, I first wonder if it could be some cruel joke a friend might be playing on me. You mean like Robert Frost? Like Maya Angelou? I ask, wanting confirmation that what I just heard is true. Yes. Yes, I’m told, as I keep driving down the interstate in a daze, trying to speak, trying to fathom what has just happened. But I know. My body knows it’s the most important moment of my life as a poet, a day by which I will mark the rest of my life, the day I learned that I will be named the fifth poet ever in our history to be US Inaugural Poet.

 
Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)
Hier bij de 2e inauguratie van president Obama in 2013

Doorgaan met het lezen van “Richard Blanco, Stacie Cassarino, Elke Heidenreich, Chrystine Brouillet, Hans Kruppa, Douglas Hofstadter, Wilhelm Jensen, Demetrius Vikelas, Tobias Amslinger”

Silas Weir Mitchell

De Amerikaanse dichter, schrijver en arts Silas Weir Mitchell werd geboren op 15 februari 1829 in Philadelphia, Pennsylvania, als zoon van de arts John Kearsley Mitchell. Hij studeerde aan de universiteit van Pennsylvania en behaalde de graad van MD aan het Jefferson Medical College in 1850. Tijdens de burgeroorlog had hij de leiding over patienten met nerveuze aandoeningen en kwalen in het Turners Lane Hospital in Philadelphia en aan het einde van de oorlog werd hij specialist in neurologie. Op dit gebied werd de naam van Weir Mitchell prominent geassocieerd met zijn introductie van de rustkuur bij zenuwaandoeningen, met name hysterie, die door de medische wereld werd overgenomen; de behandeling bestaat voornamelijk uit isolatie, bed houden, diëten en massage. Zijn medische publicaties omvatten o.a. “Injuries of Nerves and Their Consequences” (1872) en « Fat and Blood » (1877). De ziekte van Mitchell (erytromalgalgie) is naar hem vernoemd.Naast zijn medische werk en privépraktijk had Mitchell ook een carrière als auteur. Hij publiceerde tal van korte verhalen, 19 romans, een biografie van George Washington en 7 poëziebundels. Hij was een vriend en beschermheer van de kunstenaar Thomas Eakins. De kunstenaar John Singer Sargent schilderde twee portretten van Mitchell, een ervan bevindt zich in de verzameling van het College of Physicians of Philadelphia. Mitchell ontving voor zijn werk als arts en schrijver eredoctoraten van verschillende universiteiten in binnen- en buitenland. In 1887 was hij president van de Association of American Physicians en in 1908-09 president van de American Neurological Association.

 

Of Those Remembered

There is no moment when our dead lose power;
Unsignaled, unannounced they visit us.
Who calleth them I know not. Sorrowful,
They haunt reproachfully some venal hour
In days of joy, and when the world is near,
And for a moment scourge with memories
The money changers of the temple-soul.
In the dim space between two gulfs of sleep,
Or in the stillness of the lonely shore,
They rise for balm or torment, sweet or sad,
And most are mine where, in the kindly woods,
Beside the child like joy of summer streams,
The stately sweetness of the pine hath power
To call their kindred comforting anew.
Use well thy dead. They come to ask of thee
What thou hast done with all this buried love,
The seed of purer life?
Or has it fallen unused
In stony ways and brought thy life no gain?
Wilt thou with gladness in another world
Say it has grown to forms of duty done
And ruled thee with a conscience not thine own?
Another world! How shall we find our dead?
What forceful law shall bring us face to face?
Another world! What yearnings there shall guide?
Will love souls twinned of love bring near again?
And that one common bond of duty held
This living and that dead, when life was theirs?
Or shall some stronger soul, in life revered,
Bring both to touch, with nature’s certainty,
As the pure crystal atoms of its kind
Draws into fellowship of loveliness?

 

Evening By The Sea

With noble waste of lazy hours
I loitered, till I saw the moon,
A rosy pearl, hang vast and strange
Above the long gray dune!

And hither, thither, as I went,
My ancient friend the sea beside,
Whatever tune my spirit sang
The dear old comrade tried.

 

Friendship

No wail of grief can equal answer win:
Love’s faltering echo may but ill express
The grief for grief, nor more than faintly mock
The primal cry of some too vast distress.
Or is it for fair company of joy
We ask an equal echo from the heart?
A certain loneliness is ever ours,
And friendship mourns her still imperfect art.

 

 
Silas Weir Mitchell (15 februari 1829 – 4 januari 1914)
Portret door John Singer Sargent, 1903 (uitsnede)

Domenico Starnone

De Italiaanse schrijver, scenarist en journalist Domenico Starnone werd geboren op 15 februari 1943 in Saviano, nabij Napels. Hij heeft voor verschillende kranten en tijdschriften gewerkt en schreef meestal over zijn periode als leraar. In 2006 gingen er al geruchten dat Starnone de succesvolle schrijfster Elena Ferrante is. Starnone heeft evenwel altijd ontkend. Starnone is getrouwd met Anita Raja, een literaire vertaler die in 2016 door een Italiaanse journalist op grond van de geldstromen werd aangewezen als de persoon achter het pseudoniem. In 2017 kwam op grond van tekstanalyse het bewijs dat hij toch achter het pseudoniem Elena Ferrante schuil gaat. Zie ook mijn blog van 1 juni 2017.

Uit: Strikken

“Misschien ben jij het vergeten, waarde heer, maar ik zal je eraan helpen herinneren: ik ben je vrouw. Ja, ik weet dat je dat vroeger leuk vond, en dat het je nu ineens irriteert. Ik weet dat je doet alsof ik niet besta en nooit bestaan heb omdat je geen slecht figuur wilt slaan bij de uiterst beschaafde mensen met wie je omgaat. Ik weet dat een geregeld leven leiden, op tijd thuis moeten zijn voor het eten en alleen met mij vrijen en niet met wie je maar wilt je het gevoel geven dat je een lulletje rozenwater bent. Ik weet dat je het gênant vindt om te zeggen: Luister, ik ben op ii oktober 1962 getrouwd, op mijn tweeëntwintigste; luister, ik heb ja gezegd voor een priester, in een kerk in de wijk Stella, en dat deed ik alleen maar uit liefde, het was geen moetje of zo; luister, ik heb mijn verantwoordelijkheden, en als jullie niet snappen wat dat betekent zijn jullie een stelletje stumperds. Dat weet ik, dat weet ik maar al te goed. Maar of je het wilt of niet, het is zoals het is: ik ben jouw vrouw en jij bent mijn man, we zijn twaalfjaar getrouwd — in oktober twaalfjaar — en we hebben twee kinderen; Sandro is in 1965 geboren en Anna in 1969. Moet ik je hun geboorteaktes laten zien om je tot bezinning te laten komen? Genoeg, sorry, ik overdrijf. Ik ken je, ik weet dat je een fatsoenlijk mens bent. Maar alsjeblieft, kom zodra je deze brief leest naar huis. Of als je daar nog niet aan toe bent, schrijf me dan om uit te leggen wat je doormaakt. Ik zal proberen het te begrijpen, dat beloof ik. Het is me alvast duidelijk dat je behoefte hebt aan meer vrijheid, en dat is terecht, je kinderen en ik zullen proberen zo min mogelijk op je te leunen. Maar ik wil wel tot in detail weten wat er speelt tussen jou en dat meisje. We zijn nu al zes dagen verder en je hebt niet gebeld, niet geschreven, je gezicht niet laten zien. Sandro vraagt naar je, Anna wil haar haren niet wassen omdat volgens haar niemand het zo goed kan drogen als jij. En je moet me niet alleen maar bezweren dat die mevrouw of juffrouw je niet interesseert, dat je haar niet meer zult zien, dat ze niets voorstelt, dat ze alleen maar het gevolg was van een crisis die al heel lang bij je sudderde. Je moet me vertellen hoe oud ze is, hoe ze heet, of ze studeert, of ze werkt, of ze niks doet. Ik wed dat zij jou als eerste heeft gezoend. Jij bent niet in staat om het initiatief te nemen, dat weet ik, jij wordt ergens in meegesleurd of je doet niks. En nu ben je als versuft, ik zag de blik wel waarmee je tegen me zei: Ik heb iets met een ander gehad. Wil je weten wat ik denk? Ik denk dat het nog niet tot je doordringt wat je me hebt aangedaan. Begrijp je wel dat het voor mij voelt alsof je je hand in mijn keel hebt gestoken en net zolang bent blijven trekken en trekken, tot je mijn hart uit mijn borst rukte?”


Domenico Starnone (Saviano, 15 februari 1943)