80 jaar Jan Siebelink

 

80 jaar Jan Siebelink

De Nederlandse schrijver Jan Siebelink werd geboren op 13 februari 1938 in Velp in een streng religieus gezin. Zijn vader had een bloemenkwekerij. Na de lagere school ging Siebelink naar de ULO en vervolgens naar de Kweekschool (de huidige Pabo). Hij werd onderwijzer in Laag-Soeren en studeerde in zijn vrije tijd Franse taal-en letterkunde. Tijdens zijn studie Frans raakte hij geïnteresseerd in de Franse schrijver van Nederlandse afkomst Huysmans, en hij vertaalde een van zijn boeken ‘A rebours’ in het Nederlands als ‘Tegen de Keer’. Daarnaast begon hij zelf te schrijven. Zijn eerste verhaal was ‘Witte Chrysanthen’. Dit verhaal vormt samen met vier andere verhalen de bundel “Nachtschade”, het literaire debuut van Siebelink. In die eerste verhalen zitten meteen al de thema’s die later steeds terug zullen komen in zijn werk: zijn streng religieuze, maar niettemin sympathieke vader, de kwekerij, de streek uit zijn jeugd, het middelbaar onderwijs, de rangorde in het zogenaamd genivelleerde Nederland. In 1977 verscheen zijn eerst roman ‘Een lust voor het oog. Zijn belangrijkste romans zijn “De herfst zal schitterend zijn”, “En joeg de vossen door het staande koren”, “De overkant van de rivier”, “Vera”, “Margaretha” en de bestseller “Knielen op een bed violen”. In het laatstgenoemde boek vertelt Siebelink over de godsdienstige kring waar zijn vader toe behoorde en hoe hij daar zelf bij betrokken werd. Van “Knielen op een bed violen” waren in 2009 meer dan 700.000 exemplaren verkocht. In september 2009 kwam de vijftigste druk uit. Naast zijn literaire werk schreef Siebelink ook essays over decadente Franse literatuur. In 2009 werd Siebelink geridderd, hij werd Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Uit: Margje

“Ruben wachtte op zijn broer, keek vanuit de voorkamer de straat af. Deze oudejaarsdag zouden ze samen het graf van hun ouders bezoeken.
Ruben was er zeker van dat Thomas zou komen. Het was altijd een genot geweest om naar hem te kijken. Een mooie jongen. Nog steeds was die schoonheid zichtbaar, ondanks de lege oogkassen. Een ernstig ongeluk, langer dan een jaar geleden, had Thomas blind gemaakt. Ook zijn spraakvermogen was aangetast.
Na lange revalidatie had hij het schilderen weer opgepakt. In het blindeninstituut had hij alle medewerking gekregen. Hij leerde snel en werd behendiger in het op de tast omgaan met verf. Op zijn kamer stond een schildersezel. Het eerste wat hij schilderde na het ongeluk was een veld dahlia’s waarover de vorst was gegaan. De bloemen waren pikzwart, hingen naar beneden, want de stelen waren vlak onder de knop geknakt. Maar één bloem, op een beschutte plek, was niet door de nachtvorst aangetast. Ze was helrood, van dat intense rood als de natuur voor de winter invalt nog één keer uithaalt.
Hij toonde het Ruben. Een glimlach verscheen op zijn gezicht, heel kort. De eerste na het afschuwelijke drama. Hij had hem omhelsd en ze bleven lang in elkaars armen.
Die ene bloem, die de vorst heeft overleefd, die extra schitterde, dat felrode bij alle zwart. Zo kon een dahliaveld er in november uitzien.

Opnieuw liep Ruben de voorkamer in, keek de steil aflopende Bergweg af. Uit een grijze lucht dwarrelde wat sneeuw. Tegen de avond was door opvriezing gladheid voorspeld.
Gisteren had Ruben Thomas nog bezocht. Hij was niet op zijn kamer. Er stond ook geen nieuw schilderij op de ezel. Op tafel lag het blauwlinnen zakbijbeltje dat hij aan het eind van de zondagsschool had ontvangen. Ruben bezat zijn eigen exemplaar niet meer. Dat van Thomas lag opengeslagen bij het evangelie van Lucas. Enkele regels waren rood onderstreept. Hij streek er licht met zijn vinger over. ‘Op de eerste dag van de week gingen de vrouwen al vroeg in de morgen naar het graf. Ze vonden de steen afgewenteld.’ Thomas, zolang Ruben hem kende, had niets opgehad met het transcendente.
Hij dwaalde door de lange, glazen gangen van Bartiméus.”

 

 
Jan Siebelink (Velp, 13 februari 1938)