Georg Trakl, Paul Auster, Katja Petrovskaya, Jan Willem Holsbergen, Henning Mankell, Richard Yates, Gertrude Stein, Ferdinand Schmatz, Michael Scharang

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog.

Die Raben

Über den schwarzen Winkel hasten
Am Mittag die Raben mit hartem Schrei.
Ihr Schatten streift an der Hirschkuh vorbei
Und manchmal sieht man sie mürrisch rasten.

O wie sie die braune Stille stören,
In der ein Acker sich verzückt,
Wie ein Weib, das schwere Ahnung berückt,
Und manchmal kann man sie keifen hören

Um ein Aas, das sie irgendwo wittern,
Und plötzlich richten nach Nord sie den Flug
Und schwinden wie ein Leichenzug
In Lüften, die von Wollust zittern.

 

Die schöne Stadt

Alte Plätze sonnig schweigen.
Tief in Blau und Gold versponnen
Traumhaft hasten sanfte Nonnen
Unter schwüler Buchen Schweigen.

Aus den braun erhellten Kirchen
Schaun des Todes reine Bilder,
Großer Fürsten schöne Schilder.
Kronen schimmern in den Kirchen.

Rösser tauchen aus dem Brunnen.
Blütenkrallen drohn aus Bäumen.
Knaben spielen wirr von Träumen
Abends leise dort am Brunnen.

Mädchen stehen an den Toren,
Schauen scheu ins farbige Leben.
Ihre feuchten Lippen beben
Und sie warten an den Toren.

Zitternd flattern Glockenklänge,
Marschtakt hallt und Wacherufen.
Fremde lauschen auf den Stufen.
Hoch im Blau sind Orgelklänge.

Helle Instrumente singen.
Durch der Gärten Blätterrahmen
Schwirrt das Lachen schöner Damen.
Leise junge Mütter singen.

Heimlich haucht an blumigen Fenstern
Duft von Weihrauch, Teer und Flieder.
Silbern flimmern müde Lider
Durch die Blumen an den Fenstern.

 

Transformatie van het kwaad (Fragment)

Herfst: zwart schrijden aan de bosrand; minuut van stomme verwoesting; plots luistert het voorhoofd van de melaatse onder de kale boom. Lang vergane avond die nu over de treden van mos valt; november. Een klok luidt en de herder leidt een kudde van zwarte en rode paarden het dorp in. Onder het hazelaarsbosje ontweit de groene jager een wild. Zijn handen roken van bloed en de schaduw van het dier zucht in het loof boven de ogen van de man, bruin en zwijgzaam; het bos. Kraaien die zich verspreiden; drie. Hun vlucht lijkt op een sonate, vol verbleekte akkoorden en mannelijke melancholie; zachtjes lost een gouden wolk op. Bij de molen steken jongens een vuur aan. Vlam is broeder van de bleekste en die lacht begraven zijn purperen haar in; of het is een plaats voor moorden, waarlangs een stenige weg leidt. De berberissen zijn verdwenen, jaarlaag droomt het in loden lucht onder de pijnbomen; angst, groene duisternis, het gegorgel van een drenkeling: uit de sterrenvijver haalt de visser een grote, zwarte vis, gelaat vol wreedheid en waanzin. De stemmen van het riet, met twistende mannen in zijn rug schommelt hij daar in een rode roeiboot over ijskoud herfstwater, levend in donkere sagen van zijn geslacht en zijn ogen ijzig geopend over nachten en kuise verschrikking. Kwaad.

Vertaald door Frans Roumen

 
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
Scene uit een balletuitvoering van “Georg Trakl” door Enrique Gasa Valga, Innsbruck, 2010

Doorgaan met het lezen van “Georg Trakl, Paul Auster, Katja Petrovskaya, Jan Willem Holsbergen, Henning Mankell, Richard Yates, Gertrude Stein, Ferdinand Schmatz, Michael Scharang”

Johannes Kühn, Andrzej Szczypiorski, Ludwig August Frankl-Hochwart, Lao She, Sarah Kane, James A. Michener, Annette Kolb, Ernst von Wildenbruch

De Duitse dichter en schrijver Johannes Kühn werd geboren op 3 februari 1934 in Bergweiler, gemeente Tholey in het Saarland. Zie ook alle tags voor Johannes Kühn op dit blog.

Das Feld ist abgeerntet

Das Feld ist abgeerntet und von Wettern grau.
Ich wandre abgewandt,
ich gehe selbstverloren
den Bordstein hin
und fühle nichts
als Kälte.

Da dröhnt
vom Fußballplatz
hinter niedren Häusern,
ein Tor beschreiend,
ein ungeheurer Lärm,
trifft in mich, und mit einem Seufzer
bekenne ich:

O, könnt ich doch
mit einem Lustschrei
zu etwas in der Welt,
gleich, was es sei,
auch einmal laut in Freuden schwelgen!

 

Unrast

Am Rand der Regenpfütze treibt sie mich ans Meer,
am Meeresrand zum großen Ozean,
vom Film zum Leben,
das der nur streift.
Auf, von den zahmen Vögeln
ins Konzert werd ich gedrängt
von ihr, wie Flügel wirkt sie mir im Blut.
Ich steh bei einer Frau, die sehr gefällig ist,
auf, auf, zur schönsten, gleich, wo sie auch weilt.
Vom Stubenofen muß ich weg
zur offnen Schmiedeesse,
von ihrem Schwung zur großen Eisenhütte
mit ihren Riesenflammen,
vom kargen Mahl mit Brot und Wasser
zum Schloßhotel mit seiner Prunkspeis.
Dort eß ich, hab kein Geld
und geh nach einer unglücklich angelegten
Zechprellerei
zum Ende solcher Unrast
für einen Tag in ein Gefängnis
und längere Zeit ins Narrenhaus.

 
Johannes Kühn (Bergweiler, 3 februari 1934)

Doorgaan met het lezen van “Johannes Kühn, Andrzej Szczypiorski, Ludwig August Frankl-Hochwart, Lao She, Sarah Kane, James A. Michener, Annette Kolb, Ernst von Wildenbruch”

Francis Joseph Sherman

De Canadese dichter Francis Joseph Sherman werd op 3 februari 1871 geboren in Fredericton, New Brunswick. Hij bezocht de Fredericton Collegiate School bij, waar hij onder de invloed kwam van schooldirecteur George R. Parkin, ‘een Oxonian met een enthousiasme voor de poëzie van Rossetti, Swinburne en, met name Morris, die ook Bliss Carman had onderwezen en Charles GD Roberts. Carman was een tijdlang een van de leraren van Sherman. Sherman ging in 1886 naar de universiteit van New Brunswick, maar moest na een jaar om financiële redenen stoppen. Louis Sherman verliet zijn familie en Francis, als de oudste van de zeven kinderen, moest hen ondersteunen. In 1887 nam hij een junior-functie in de Merchants ‘Bank of Halifax in Woodstock aan, maar keerde het jaar daarna terug naar Fredericton. Sherman schreef in die tijd poëzie en met de aanmoediging van Charles GD Roberts publiceerde hij zijn eerste bundel. Tegen 1898 was Sherman manager van de Bank Fredericton-vestiging. Hij werd in 1899 naar het kantoor in Montreal overgeplaatst en in november van dat jaar naar Havana, Cuba, gestuurd als de eerste bankagent ter plaatse. Sherman bleef in Cuba tot 1912, toen hij terugkeerde naar Montreal. Sherman laatst gepubliceerde werk verscheen in 1900 en hij lijkt in 1901 helemaal te zijn gestopt met het schrijven van poëzie. Toen WO I uitbrak verliet Sherman de bank door zich in te schrijven bij het officierskorps van de McGill University dat in 1915 werd ingezet voor versterking van de Princess Patricia’s Canadian Light Infantry. In Frankrijk werd hij kapitein en later overgeplaatst naar de Royal Canadian Pay Corps, waar hij de rang van majoor bereikte. Na de oorlog keerde Sherman terug naar de Royal Bank, maar moest in 1919 stoppen vanwege een slechte gezondheid veroorzaakt door zijn militaire dienst In 1896 bezocht Sherman de uitgeverij van Bliss Carman, Copeland and Day, in Boston. Deze publiceerdee zijn eerste bundel “Matins”. Copeland and Day werd vervolgens de reguliere uitgever van het werk van Sherman. Sherman’s volgende publicatie, “In Memorabilia Mortis”, ook gepubliceerd in 1896, was een elegie die hij slechts twee maanden had geschreven.De elegie bestaat uit zes coupletten, die elk ook een technisch perfect sonnet zijn. Zijn lange gedicht “A Prelude” werd privé gepubliceerd door Copeland and Day in 1897. Drie jaar later werd (wederom privé) “The Deserted City” gepubliceerd, beschreven door Roberts als het werk van een “meester-sonneteer”. Sherman’s laatste bundel was “A Canadian Calendar: XII Lyrics”, privé gepubliceerd in Havana in 1900. In deze cyclus beschreef hij de Canadese natuur gedurende een heel jaar. ‘An Acadian Easter’, gepubliceerd in The Atlantic Monthly in 1900, wordt beschouwd als het sterkste werk van Sherman. Het gedicht is een dramatische monoloog, uitgesproken door Madame LaTour, “met verschillende stanzavormen die doen denken aan Morris ‘Sir Peter Harpdon’s End’ en ‘Rapunzel’.

A Song In August

O gold is the West and gold the river-waters
Washing past the sides of my yellow birch canoe.
Gold are the great drops that fall from my paddle,
The far-off hills cry a golden word of you.

I can almost see you! Where its own shadow

Creeps down the hill’s side, gradual and slow,
There you stand waiting; the goldenrod and thistle
Glad of you beside them—the fairest thing they know.

Down the worn foot-path, the tufted pines behind you,
Gray sheep between,—unfrightened as you pass;

Swift through the sun-glow, I to my loved one
Come, striving hard against the long trailing grass.

Soon shall I ground on the shining gravel-reaches;
Through the thick alders you will break your way;
Then your hand in mine, and our path is on the waters,—

For us the long shadows and the end of day.

Whither shall we go? See, over to the westward,
An hour of precious gold standeth still for you and me;
Still gleams the grain, all yellow on the uplands;
West is it, or East, O Love, that you would be?

West now, or East? For, underneath the moonrise,
Also it is fair; and where the reeds are tall,
And the only little noise is the sound of quiet waters,
Heavy, like the rain, we shall hear the duck-oats fall.

And perhaps we shall see, resign slowly from the driftwood,

A lone crane go over to its inland nest;
Or a dark line of ducks will come in across the islands
And sail overhead to the marshes of the west.

Now a little wind rises up for our returning;
Silver grows the East, as the West grows gray;

Shadows on the waters, shades are the meadows,
The firs on the hillside— naught so dark as they.

Yet we have known the light!—Was ever such an August?
Your hand leaves mine; and the new stars gleam
As we separately go to our dreams of opened heaven,—

The golden dawn shall tell you that you did not dream.

 

On The Hillside

October’s peace hath fallen on everything.
In the far west, above the pine-crowned hill,
With red and purple yet the heavens thrill―
The passing of the sun remembering.
A crow sails by on heavy, flapping wing,

(In some land, surely the young Spring hath her will!)
Below, the little city lieth still;
And on the river’s breast the mist-wreaths cling.
Here, on this slope that yet hath known no plough,
The cattle wander homeward slowly now;

In shapeless clumps the ferns are brown and dead.
Among the fir-trees dusk is swiftly born;
The maples will be desolate by morn.
The last word of the Summer hath been said.

 
Francis Joseph Sherman (3 februari 1871 – 15 juni 1926)