Bart Koubaa, Stephen Spender, John Montague, Josef Svatopluk Machar, Luc Dellisse, Marcel Pagnol, Bodo Morshäuser, Martin Suter, Yórgos Seféris

De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.

Uit: Een goede vriend

“Hij leidde me rond, gaf wat uitleg over de wasmachine en de oven en nam uit een la van een zware kast in de woonkamer een kaartje waarop de code voor de wifi stond. Ik zei dat ik geen internet nodig had, dat ik alleen een telefoon zou gebruiken. ‘No internet?’ zei hij bijna verontwaardigd terwijl hij zijn armen licht spreidde, waarop ik glimlachend ook mijn armen spreidde. Ivan bleef even in de gang staan voor hij me de sleutels gaf, de hand schudde en wegging. Vanaf de trap riep hij nog dat ik hem maar moest bellen als er iets was. Toen hoorde ik hem zacht vloeken en keerde hij terug. ‘Coffee,’ zei hij waarna hij zich op het voorhoofd sloeg en hij liep naar de keuken, terwijl hij me wenkte als een kleine jongen die zijn kamer aan een vriendje wil tonen. Hij legde uit hoe de espressomachine naast de koelkast werkte en gaf me twee blauwmetalen capsules. De capsules kon ik in de supermarkt kopen; in de koelkast stond een halve liter verse melk.
Het appartement was veel te groot voor mij alleen: een volledig uitgeruste lange keuken met rechts een balkonnetje dat uitzicht bood op een duistere binnenplaats, en links twee kleine kamertjes, met in het ene schoonmaakartikelen en in het andere een secretaire, een paar kartonnen dozen en een staande lamp. Aangrenzend aan de keuken was een zeer ruime slaapkamer met ertegenover een badkamer met douche, ligbad, bidet en toilet en daarnaast de entree met links ervan een tweede slaapkamer en een royale woonkamer met bank en leeslamp en een tafel met glazen blad waaromheen zes stoelen stonden, alles met elkaar verbonden door een ruime witte gang. De grootste slaapkamer, waarin twee opgemaakte eenpersoonsbedden stonden, had vier hoge ramen die uitkeken op het Moorse kasteel in de bergen en door een klein zijvenstertje kon je de Taag zien. De witgekalkte L-vormige kamer was rondom afgezet met een rand groenachtige bloemmotieftegels die perfect op de warme plankenvloer aansloten en in de vierkante ruimte voor de vier hoge ramen stonden op een Perzisch tapijt twee ligstoelen naast elkaar als in een sanatorium; in de ene lag een zwart schapenvel, in de andere een geelwit. In de kleinste slaapkamer, waarvan de muren waren afgezet met een rand blauwachtige tegels, bevond zich een mahoniehouten bureautje waarop een bankierslamp van groen glas op een bronzen voet naast een leren onderlegger stond.”

 
Bart Koubaa (Eeklo, 28 februari 1968)

Doorgaan met het lezen van “Bart Koubaa, Stephen Spender, John Montague, Josef Svatopluk Machar, Luc Dellisse, Marcel Pagnol, Bodo Morshäuser, Martin Suter, Yórgos Seféris”

Howard Nemerov, Daniel Handler, Dee Brown, Michel de Montaigne, Marin Sorescu, Saul Williams

De Amerikaanse dichter en literatuurdocent Howard Nemerov werd geboren op 29 februari 1920 in New York. Zie ook alle tags voor Howard Nemerov op dit blog.

Witnessing The Launch Of The Shuttle Atlantis

So much of life in the world is waiting, that
This day was no exception, so we waited
All morning long and into the afternoon.
I spent some of the time remembering
Dante, who did the voyage in the mind
Alone, with no more nor heavier machinery
Than the ghost of a girl giving him guidance;
And wondered if much was lost to gain all this
New world of engine and energy, where dream
Translates into deed. But when the thing went up
It was indeed impressive, as if hell
Itself opened to send its emissary
In search of heaven or ‘the unpeopled world’
(thus Dante of doomed Ulysses) ‘behind the sun.’
So much of life in the world is memory
That the moment of the happening itself—
So much with noise and smoke and rising clear
To vanish at the limit of our vision
Into the light blue light of afternoon—
Appeared no more, against the void in aim,
Than the flare of a match in sunlight, quickly snuffed.
What yet may come of this? We cannot know.
Great things are promised, as the promised land
Promised to Moses that he would not see
But a distant sight of, though the children would.
The world is made of pictures of the world,
And the pictures change the world into another world
We cannot know, as we knew not this one.

 
Howard Nemerov (29 februari 1920 – 5 juli 1991) 
Hier met zijn zoontjes Jeremy en Alexander rond 1967

Doorgaan met het lezen van “Howard Nemerov, Daniel Handler, Dee Brown, Michel de Montaigne, Marin Sorescu, Saul Williams”

Sylvie Marie

De Vlaamse dichteres Sylvie Marie (pseudoniem van Sylvie De Coninck) werd geboren in Tielt op 28 februari 1984. Na haar middelbare schooltijd in haar geboorteplaats ging zij naar Gent om er aan de universiteit Politieke en Sociale Wetenschappen te studeren. Het laatste jaar van die studies bracht ze als Erasmusstudente door in Rijsel. Aan de VLEKHO in Brussel voltooide ze haar studententijd met een postgraduaat journalistiek. Marie publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. Ze won ook enkele poëziewedstrijden en staat regelmatig op het podium, zoals op het poëziefestival “Onbederf’lijk Vers” in Nijmegen in 2006 en in ‘s-Hertogenbosch in 2009. In 2009 kwam ook haar debuutbundel “Zonder” uit. Twee jaar later verscheen “Toen je me ten huwelijk vroeg”, dat genomineerd werd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline Van Haarenprijs. Voor “Altijd een raam” kreeg zij in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost-Vlaanderen. Tussen november 2009 en juni 2011 schreef Sylvie Marie als huisdichteres regelmatig gedichten voor het weekblad Humo. Vandaag werkt ze als leerkracht literaire creatie aan de academies van Tielt en Ieper en geeft ze regelmatig workshops poëzie.

 

de nacht is een kofferbak waarin ik klaarlicht liggen moet.
het stapelt zich op. etter. builen.
de dood is groot, geen hand strooit zand.

met mijn hoofd in de kom van je oksel zie ik je mond,
die trekt samen soms; snokjes van een hond
aan de leiband.

niet het bed, deze vorm kraakt.
mijn kaak, jouw schouder, mijn heup, je ellepijp,
tandvlees op tandvlees en stilaan prikken vingers,
slaat slaap me in de benen.

maar ik blijf zoeken naar vergeten,
excuseer, vergeven, naar je kijken zonder zwaartekracht
op mijn oogleden, de hoeken van mijn mond.

*

welkom in onze flat
dit huis heeft kelder noch zolder, niemand
die naar boven of benden
vlucht, we verzamelen

ons aan tafel om er steevast
te zitten, oog in oog, tand op tand.

wat op het blad wacht, staat er om te verteren.

en neen, er is geen hond
om stiekem restjes aan te schuiven.

 
Sylvie Marie (Tielt, 28 februari 1984)

Cynan Jones, John Steinbeck, Ruy Belo, Lawrence Durrell, André Roy, Henry Longfellow, Elisabeth Borchers, James T. Farrell, Irwin Shaw

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: Cove

He swings the fish from the water, a wild stripe flicking and flashing into the boat, and grabs the line, twisting the hook out, holding the fish down in the footrests. It gasps, thrashes. Drums. Something rapid and primal, ceremonial, in the shallow of the open boat.
Flecks of blood and scales loosen, as if turning to rainbows in his hands as he picks up the fish and breaks its neck, feels the minute rim of teeth inside its jaw on the pad of his forefinger, puts his thumb behind the head and snaps.
The jaw splits and the gills splay, like an opening flower. He was sure he would catch fish. He left just a simple note, ‘Pick salad x’.
He looks briefly towards the inland cliffs, hoping the peregrine might be there, scanning as he patiently undoes the knot of traces, pares the feathers away from each other until they are free and feeds them out. The boat is flecked. Glittered. A heat come to the morning now, convincing and thick.
The kayak lilts. Weed floats. He thinks of her hair in water. The same darkened blonde colour.
It’s unusual to catch only one. Or it was just a straggler. The edge of the shoal.
He retrieves a carrier bag from the drybag in back and puts the fish safe, the metal of it dulling immediately to cloth in his hands. Then he bails out the blood-rusted water that has come into the boat.
Fish don’t have eyelids, remember. In this bright water, it’s likely they are deeper out. He’s been hearing his father’s voice for the last few weeks now. I’ve got this one, though. That’s enough. That’s lunch anyway. The bay lay just a little way north. It was a short paddle from the flat beach inland of him, with the caravans on the low fields above, but it felt private. His father long ago had told him they were the only ones that knew about the bay and that was a good thing between them to believe.
You’ll set the pan on a small fire and cook the mackerel as you used to do together, in the pats of butter you took from the roadside cafe. The butter will be liquid by now, and you will have to squeeze it from the wrapper like an ointment.
He smiled at catching the fish. That part of the day safe.
I should bring her here. All these years and I haven’t. It’s different now. I should bring her.
The bones in the cooling pan, fingers sticky with the toffee of burnt butter.

 
Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

Doorgaan met het lezen van “Cynan Jones, John Steinbeck, Ruy Belo, Lawrence Durrell, André Roy, Henry Longfellow, Elisabeth Borchers, James T. Farrell, Irwin Shaw”

Mischa Andriessen

De Nederlandse dichter Mischa Andriessen werd geboren in Apeldoorn op 27 februari 1970. Zie ook alle tags voor Mischa Andriessen op dit blog.

Weg nach Innen
Voor Cees

Wer den Weg nach innen fand,
Wer in glühndem Sichversenken
Je der Weisheit Kern geahnt,
Daß sein Sinn sich Gott und Welt
Nur als Bild und Gleichnis wähle:
Ihm wird jedes Tun und Denken
Zwiegespräch mit seiner eignen Seele,
Welche Welt und Gott enthält.

Hermann Hesse

[I]
In de vermoeidheid van de vloer,
het gewicht van de koffers, hun
vastberaden ordening, vermoed je
het vertrek, contouren van een kamer.
Je zet de koffers neer en opent
de deuren, de tocht ten spijt.

[II]
Als een pootjebader, spreidt je
de tenen en met de ogen nog stijf
gesloten betreed je de scheiding
tussen wat werkelijk is en wereld.
Wat je weerhoudt, in de schemer
is niet meer dan een gelijkenis.


Mischa Andriessen (Apeldoorn, 27 februari 1970)

 

Michel Houellebecq, Victor Hugo, Adama van Scheltema, George Barker, Ulrike Syha, Hermann Lenz, Antonin Sova, Jean Teulé, Elias Annes Borger

De Franse dichter en schrijver Michel Houellebecq werd geboren in Réunion op 26 februari 1956. Zie ook alle tags voor Michel Houellebecq op dit blog.

Uit: Onderworpen (Vertaald door Martin de Haan)

“Gedurende alle jaren van mijn naargeestige jeugd bleef Huysmans voor mij een metgezel, een trouwe vriend; nooit voelde ik twijfel, nooit overwoog ik op te geven of me op een ander onderwerp te richten. Toen, op een namiddag in juni 2007, na lang te hebben gewacht en al even lang te hebben getreuzeld, wat langer zelfs dan toelaatbaar was, verdedigde ik voor de jury van de universiteit Paris IV-Sorbonne mijn proefschrift: Joris- Karl Huysmans, of het einde van de tunnel. Meteen de volgende ochtend (of misschien dezelfde avond nog, dat kan ik niet met zekerheid zeggen, de avond van mijn promotie was eenzaam en erg alcoholisch) begreep ik dat een deel van mijn leven ten einde was, en waarschijnlijk het beste deel.
Datzelfde geldt in onze nog altijd westerse en sociaaldemocratische samenlevingen voor iedereen die klaar is met zijn studie, maar de meeste mensen beseffen het niet, of niet meteen, verblind als ze zijn door de drang naar geld, of misschien naar consumptie bij de primitiefsten, degenen die het sterkst verslaafd zijn geraakt aan bepaalde producten (zij vormen een minderheid, de meesten zijn bedachtzamer en bedaarder en raken domweg gefascineerd door geld, die ‘onvermoeibare Proteus’), en nog meer verblind door de drang om zich te bewijzen, een benijdenswaardige sociale positie te verwerven in een wereld waarvan ze aannemen en hopen dat die competitief is, daartoe geprikkeld door hun verafgoding van wisselende iconen: sportlieden, mode. of websiteontwerpers, acteurs en modellen.
Om diverse psychologische redenen die ik niet kan en niet wil analyseren, week ik vrij ver van een dergelijk patroon af. Op 1 april 1866, toen hij achttien jaar oud was, begon Joris-Karl Huysmans zijn carriere als ambtenaar zesde klas bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Eredienst. In 1874 bracht hij in eigen beheer een eerste bundel prozagedichten uit, Le drageoir à épices, die weinig recensies kreeg, afgezien van een bijzonder vriendschappelijk artikel van Theodore de Banville. Zijn debuut in het bestaan had niets opzienbarends, zoveel moge duidelijk zijn.
Zijn ambtelijke leven verstreek, en ook zijn leven in het algemeen. Op 3 september 1893 werd hem het Legioen van Eer toegekend voor zijn verdiensten binnen het overheidsapparaat. In 1898 ging hij met pensioen, toen hij – na verrekening van de periodes van buitengewoon verlof – zijn reglementaire dertig jaar dienst erop had zitten.”

 
Michel Houellebecq (Réunion, 26 februari 1958)
Cover van de Hongaarse uitgave

Doorgaan met het lezen van “Michel Houellebecq, Victor Hugo, Adama van Scheltema, George Barker, Ulrike Syha, Hermann Lenz, Antonin Sova, Jean Teulé, Elias Annes Borger”

De verheerlijking op den berg (Nicolaas Beets)

 

Bij de tweede zondag van de vasten

 

 
De gedaanteverandering van Christus door Titiaan, ca. 1560

 

De verheerlijking op den berg
Matth. XVII. v. 1-9.

II.
Treed naderbij, aanschouw den Heer,
Daar Hij op Thabor staat!
Een lichtgloed blinkt om zijn gelaat;
Het is de mensch niet meer,
Die, in ’t gewaad eens Joodschen mans,
Op aarde ronddoolt zonder glans;

Het is des Allerhoogsten Zoon,
Die ’s Vaders zetel deelt,
Om wien het licht des Hemels speelt,
Gods eigen stralenkroon;
Voor wien, van heilge vrees bezield,
De rei der zaalgen nederknielt.

Twee daalden er, op reine vlerk,
Uit bovenaardsche sfeer,
En juichen in zijn heilig werk,
En brengen hulde en eer
Aan Hem, die kwam tot heil en troost
Van arm, gevallen menschenkroost.

Door hen was óók een zware strijd
Op deze onze aard volbracht.
Zoo donker was de gruwelnacht,
De poort des kwaads zoo wijd,
Alsof heel ’t menschdom God vergat,
En dood noch straf te vreezen had.

Toen riep Hij Mozes tot zijn tolk.
Door hem heeft Hij zijn Wet;
Op Horebs bergtop ingezet.
Voor ’t uitverkoren volk;
Opdat het, door zijn God geleid,
Zou wandlen in gehoorzaamheid.

Maar ach! dat volk, verblind en stout,
Doolt af van ’s Heeren pad,
Verzaakt wie hen gezegend had,
En knielt voor steen en hout,
En tergt, tot ieder kwaad gereed,
Den Heil’gen, dien hun hart vergeet.

Daar zendt de Heer Elias af,
Zijn strengen boetprofeet,
Met goddelijk gezag bekleed,
Wie Baäl dient ten straf;
Dat hij nog eens van Hem getuig’,
En waan en hoogmoed nederbuig’!

Wel was de strijd dier mannen zwaar,
Gestreden voor Gods eer!
Doch ’t eind is goed; Hij vergt niet meer;
De tijd der rust is daar!
Maar, schoon hen Abrams schoot ontving,
Nog moeide hun de sterveling.

Ach! wanneer zou aan ’t arme volk
Verlossing zijn bereid
Van zondeschuld en dienstbaarheid,
Als ’t Licht brak door de wolk,
Dat met zijn zegenrijken gloed
Een troost zou zijn voor ’t vroom gemoed?

Het komt. Gods Zoon, ziedaar dat Licht!
Zij dalen juichend neer,
En groeten Jezus, aller Heer,
En brengen hulde en plicht
Aan Hem, den Koning van ’t Heelal,
Die arme zondaars redden zal.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Sint Bavo kathedraal (koor) in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 25e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Karel Toman, Vittoria Colonna

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De rots van Tanios (Vertaald door Eef Gratama)

“In het dorp waar ik ben geboren hebben de rotsen een naam. Je hebt er het Schip, de Berekop, de Hinderlaag, de Muur en de Tweelingen, ook wel de Boezem van de Vampier genoemd. En vooral niet te vergeten de Soldatensteen; daar stond men vroeger op de uitkijk wanneer de achtervolging op rebellen werd ingezet; geen enkele plek wordt meer geëerd, is zwaarder beladen met legenden. Maar toch, als het landschap van mijn jeugd in mijn dromen opnieuw aan mij voorbijtrekt, zie ik een andere rots voor me. Hij ziet eruit als een vorstelijke zetel, uitgehold en als het ware ingesleten op het zitvlak, met een hoge, rechte rugleuning, die aan weerszijden als het ware met armsteunen afloopt — het is, geloof ik, de enige rots die de naam van een mens draagt, de Rots van Tanios. Ik heb deze stenen troon lange tijd aanschouwd zonder erop te durven klimmen. Het was niet uit angst voor gevaar; de rotsen bij het dorp waren ons geliefde speelterrein en reeds als kind had ik de gewoonte om grotere jongens tot de gevaarlijkste beklimmingen uit te dagen; onze blote handen en voeten vormden onze enige uitrusting, maar onze huid wist zich aan de huid van de steen vast te hechten en geen kolos kon ons weerstaan. Nee, het was niet de angst om te vallen die mij tegenhield. Het was een geloof, en het was een eed. Afgedwongen door mijn grootvader, enkele maanden voor zijn dood. ‘Alle rotsen, maar nooit die!’ De andere jongens bleven net als ik op afstand, uit dezelfde bijgelovige vrees. Ook zij hadden dat moeten beloven, met hun hand op het donzige haar van hun snor. En ook zij hadden dezelfde uitleg gekregen: ‘Zijn bijnaam was Tanios-kichk. Hij was op die rots gaan zitten. Daarna is hij nooit meer teruggezien.’
Men had mij vaak verteld over deze figuur, held van talloze plaatselijke verzinsels, en telkens weer had zijn naam mij geïntrigeerd. Tanios, dat begreep ik goed, was een van de vele plaatselijke varianten van Anton, net als Antoun, Antonios, Mtanios, Tanos of Tannous … Maar waarom die spottende bijnaam lichk’? Dat had mijn grootvader me niet willen vertellen. Hij heeft alleen maar gezegd wat hij tegen een kind meende te kunnen zeggen: Tanios was de zoon van Lamia. Je hebt vast en zeker van haar gehoord. Het was heel lang geleden,”

 
Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

Doorgaan met het lezen van “Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Karel Toman, Vittoria Colonna”

Franz Xaver Kroetz, Gérard Bessette, Mary Chase, Carlo Goldoni, Karl Wilhelm Ramler, Friedrich von Spee, Quirinus Kuhlmann

De Duitse dichter, schrijver, regisseur en acteur Franz Xaver Kroetz werd geboren op 25 februari 1946 in München. Zie ook alle tags voor Franz Xaver Kroetz op dit blog.

Kirchberg

Da Dot is a schdada Hund.
As Bebi schreit.

As Bebi schreit, und da Dot
muaß wartn.

Da Dot is a schdada Hund,
der mogs ned laud.

Etzan laßtase in insam
Dorf nimma seng,
seit erm insa Bebi vadreibt.

A da Nachbarin ihra Dochta
kriagt ihra Bebi, a wenn da
Herr Arzt vum Trostberga
Grangahaus zu ihra gsogd hod,
wenns moing ned zim ausgrazn kemma,
nachat laft erna hoit da Baz
iwamoing iwa de Fiaß owe.

Sogor de kloa Katz
bracht a ganze Stund zin Dedn
vun oana schwarzn Feidmaus
drausd auf da Deraßn.

Da Dot is a schdada Hund,
vapfiffa isa worn aus insam Dorf.
Nicht daß es hier
nichts zu berichten gäbe.

Weiche sonnblaue Tage
im Mai.

Ich schüttete
sechs Liter
braunes Bier
in mich hinein.

Hellweiche Tage
im Wonnemonat Mai.

Ich möchte
im Birnbaum hängen
er blüht am schönsten.

Nicht daß es
hier nichts
zu berichten gäbe.

Meine anderthalb
jährige Tochter
sagt »heiß«.

Und heute
kam sie
und sagte
»papa heiß aua«.

 
Franz Xaver Kroetz (München, 25 februari 1946)

Doorgaan met het lezen van “Franz Xaver Kroetz, Gérard Bessette, Mary Chase, Carlo Goldoni, Karl Wilhelm Ramler, Friedrich von Spee, Quirinus Kuhlmann”

Gerald Murnane

De Australische schrijver Gerald Murnane werd geboren op 25 februari 1939 in Coburg, Victoria, een voorstad van Melbourne, en heeft de staat Victoria bijna nooit verlaten. Delen van zijn jeugd werden doorgebracht in Bendigo en de Western District. In 1956 studeerde hij af aan het De La Salle College in Malvern. Murnane studeerde daarna kort voor het rooms-katholieke priesterschap. Hij verliet dit pad echter en werd leraar op basisscholen (van 1960 tot 1968) en in de Apprentice Jockeys ‘School van de Victoria Racing Club. Hij behaalde in 1969 een Bachelor of Arts aan de University of Melbourne en werkte vervolgens tot 1973 in de Victorian Education Department. Vanaf 1980 begon hij creatief schrijven te doceren aan verschillende instellingen voor hoger onderwijs. De eerste twee boeken van Murnane, “Tamarisk Row” (1974) en “A Lifetime on Clouds” (1976), lijken semi-autobiografische verslagen te zijn van zijn kindertijd en adolescentie. Beide zijn grotendeels samengesteld uit zeer lange maar grammaticale zinnen. In 1982 bereikte hij zijn volwassen stijl met “The Plains”, een korte roman over een naamloze filmmaker die naar ‘Inner Australia’ reist, waar hij de vlaktes probeert te filmen onder het beschermheerschap van rijke landeigenaren. “The Plains” werd gevolgd door: “Landscape With Landscape” (1985), “Inland” (1988), “Velvet Waters” (1990) en “Emerald Blue” (1995). Een essaybundel, “Invisible Yet Enduring Lilacs”, verscheen in 2005. Deze boeken houden zich allemaal bezig met de relatie tussen geheugen, beeld en landschap, en vaak met de relatie tussen fictie en non-fictie. In 2009 verscheen, na meer dan een decennium, pas weer opnieuw fictioneel werk van Murnane: “Barley Patch”, gevolgd door “A History of Books” in 2012 en “A Million Windows” in 2014.

Uit: Invisible Yet Enduring Lilacs

On the road to Bendigo: Kerouac’s Australian life
Like other children of my time and place, I watched films from Hollywood in the first years after World War II, although I believe I watched fewer than most children. I watched perhaps twenty double-feature programs from 1946 to 1948. The films were mostly cowboy films, in black and white, and I watched them on Saturday afternoons in the Lyric Theatre, Bendigo, of which I remember only that the floor was quite level, so that the screen always seemed high above me and remote. The films I watched made me discontented. Scene after scene disappeared from the screen before I had properly appreciated it; the characters moved and spoke much too fast. I hardly ever got the hang of a film, as my brother would say afterwards when I asked him to explain what I had missed. What I looked for in films was what I called pure scenery. I thought of pure scenery as the places safely behind the action: the places where nothing seemed to happen. Occasionally I glimpsed the kind of scenery I wanted. Behind the men on horses or the encampment of wagons was a broad tract of tall grass leading back to a line of hills. When I saw any such banal arrangement of grassy middle distance and hilly background, I tried to do to it something for which the simplest word I could have found was swallow. I wanted to feel that waving grass and that line of hills somewhere inside me. I wanted grass and hills fixed inside the space that began, as I thought, behind my eyes. I was not so literal-minded that I was troubled by cartoon images of a greedy boy with his cheeks swollen by a segment of landscape-pie. Yet the word swallow was not inapt. Getting the scenery from outside to inside seemed to engage me in some kind of bodily effort. And if I did not actually think of mouth or stomach, I could still see myself crouching over scenery made somehow conve-niently tiny; the scenery brought so close to my face that the familiar became blurred, and strange details filled my eyes; some crucial moment arriving for which I had no words; and finally the scenery safely mine, a piece of plain with a rim of hills floating inside my private space, and rather higher than lower, as though my space was a sort of appropriate that an early Australian poet should have put on racing silks and ridden at Flemington and Coleraine. The racecourse must have seemed sometimes to Gordon his landscape of last resort. A man who had been born in Ballarat in the 1890s once told me that he had heard from a former jockey who rode with Gordon. At the barrier before a steeplechase one day at Dowling Forest, Gordon announced that this would be his last race. When he urged his horse like a madman at the first jump, the other riders knew what he had meant. That was the last they saw of him — in racing parlance. He won that day by a great space.


Gerald Murnane (Coburg, 25 februari 1939)