Hans Plomp, Saskia de Coster, Willem Hussem, Lennaert Nijgh, Anton Tsjechov, Olga Tokarczuk, Hubert K. Poot, Romain Rolland, Germaine Greer

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Plomp werd op 29 januari 1944 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Hans Plomp op dit blog.

Uit: Jezus en zijn band

“Door de paarsbruine wolkenflarden snijden schichtige trekvogels een rafelige ‘V’, uiteengejaagd door laagvliegende vliegtuigen en de termiese windkolken tussen de hoge gebouwen.
De oude boomgeesten langs de grachten laten hun bladeren los, mismoedig. ‘Dit is geen leven voor een boom,’ bromt er een. ‘Ik houd al drie jaar een lek in de gasleiding met mijn wortel dicht en toch sta ik het langzaam maar zeker af te leggen. En dat terwijl ik Lodewijk Napoleon nog langs heb zien gondelen in mijn jeugd.’
‘En ik Descartes en de ouwe Spinoza en de dikke Barleus,’ lispelt een boom, bevend over zijn hele gebladerte.
‘Tegen mij heeft Hadjememaar nog staan pissen, maar tegenwoordig heb ik alleen het hondje van Mr. Hilterman, een schraal plasje.’
Zo brommen de boomgeesten onder elkaar, en als ze zwijgen, kietelen ze elkaar onder de grond met de duizenden haarworteltjes en ze laten de dikkere wortels mistroostig in in het laagveen hangen. Zelfs diep onder de grond is schraalhans keukenmeester geworden.
Op het Damrak voelt Larrie zich opeens een toerist. Bij dozijnen schuifelen de gezelschappen af en aan. ‘In de rij! In de rij blijven daar!’ gilt een parmantige gidse schel. Er schiet een echtpaar betrapt terug in de slagorde. ‘Mij willen slechts paar klompjes kopen voor nichtje met klompvoetjes,’ hoort Larrie de bedremmelde man mompelen, hoewel hij ruim buiten gehoorsafstand sjokt.
Hij draait een steeg in naar de Nieuwendijk, waar de geuren uit de keukens van de eetgelegenheden een heel ander verhaal vertellen dan de neonreklames op de voorgevels.
Hier huizen de aasgieren, die rusteloos in de voorbijtrekkende stroom spieden, die met een feilloos oog de voorbijgangers takseren en om de haverklap snel en schoon hun slag slaan.
‘Ze hebben het graag, een vleugje crime,’ grijnslacht een van de kruimelratten tegen Larrie. ‘Ze voelen zich belazerd als ze niet beroofd worden in de buurt van het Anne Frankhuis. Allemaal dikke reisverzekeringen. Je hoeft ze tegenwoordig niet eens meer te róllen, ze drukken je hun gouden klokkies zo in de hand. Allemaal zwáár oververzekerd. En als je moeite hebt met hun zak, maken ze graag het knoopje voor je open. En de anderen maar filmen.”

 

 
Hans Plomp (Amsterdam, 29 januari 1944)

 

De Vlaamse schrijfster Saskia de Coster werd geboren in Leuven op 29 januari 1976. Zie ook alle tags voor Saskia de Coster op dit blog.

Uit: Wij en ik

“Dank u daarvoor, God. Ik verveel u met onbenulligheden. Ik wil u uw kostbare tijd niet afnemen. U hebt het te druk om naar zever te luisteren. Stel u eens voor dat iedereen met het kleinste onbenulligheidje bij u komt zagen. Nee, dat kan niet, zo kan u niet werken. Ik kom ter zake, God.’ Melanie Vandersanden-Plottier gelooft dat God alles kan verklaren en haar lot in de palm van zijn buitenmenselijk grote hand kneedt als een balletje gehakt. Hij heeft het laatste woord, al houdt hij vaak zijn mond. Zo wil hij al jaren niets lossen over de dood van haar vroeggestorven zoon Alain en haar geliefde man André. Nee, een pilaarbijter is Melanie niet, eerder een wanhopige gelovige, met grote pijnen opgesloten achter de loden deur van haar hart. Op een grijze woensdagochtend in 1990, luttele maanden nadat achthonderd kilometer verder naar het oosten de Berlijnse muur is neergehaald, een paar weken nadat over de oceaan Gloria Estefan uit het ziekenhuis mag na haar ongeluk en een paar dagen nadat de enorme Hubbletelescoop in het heelal zijn plaats heeft gevonden om naar de aarde te kijken, zit Melanie in het kleinste kamertje op de pot. Melanie is een Vlaamse vrouw die de leeuwenvlag uithangt op feestdagen, een vrouw die deals met God sluit als een maffioso met de rechter van het hoogste gerechtshof, een kloek vrouwtje dat door de wildernis in haar hoofd sjokt en daarbij een vochtig zwart-wit regenwoud in Congo ziet. `Grote God, nu moet u mij echt helpen. Het is een noodgeval. En tussen ons gezegd, u hebt mij toch ook al vaak niet geholpen. Als u mij dit keer wel helpt, vergeet ik dat allemaal. Ik meen het. Dan vergeet ik hoe u mijn lief manneke Alain in de steek heeft gelaten.”

 

 
Saskia de Coster (Leuven, 29 januari 1976)

 

 

De Nederlandse schilder en dichter Willem Hussem werd geboren in Rotterdam op 29 januari 1900. Zie ook alle tags voor Willem Hussem op dit blog.

 

vaar op de stroom

vaar op de stroom van de vergankelijkheid
heb geen verwachting heb geen vrees
nadert het einde laat het komen
zorgen worden overbodig

 

 

De takken van de treurwilg

de takken van de treurwilg
aan de slootkant
reiken naar de takken
van een treurwilg in de sloot
een vis hapt lucht
de waterkringen weiden er over uit

 

 
Willem Hussem (29 januari 1900 – 21 juli 1974)
Willem Hussem, Sonja Henie, ca. 1950

 

 

De Nederlandse tekstdichter, columnist en schrijver Lennaert Nijgh werd geboren in Haarlem op 29 januari 1945. Zie ook alle tags voor Lennaert Nijgh op dit blog.

 

Nou, dat was het dan

Nou, dat was het dan,
hij gaat de deur uit
na bijna twintig jaar,
nog pas gisteren kwam ie thuis met open knieën,
vuile handen en klitten in z’n haar.

Nou, dat was het dan,
zes jaren tobben,
tussen kerst- en eindrapport,
en telkens weer de angst dat ie bleef zitten,
en dromen van wat ie later wordt.

Nou dat was het dan,
’t is net als vroeger,
nu zijn we weer alleen,
net als vroeger in die eerste dolle jaren,
toen ’t leven nog zo avontuurlijk scheen.

Nou dat was het dan
’t is wel wat eenzaam
na bijna twintig jaar,
het huis lijkt plotseling koud en donker
en wij kruipen net als toen weer bij elkaar.

 

 

Rust en orde II

In zo’n buurt daar kan een dame
niet met goed fatsoen op straat,
want ze staan haar om elk hoekje op te wachten.
Waar zo’n viezerik meteen
z’n dinges aan d’r kijken laat,
als ze haar niet meteen verkrachten.
Er is echt niets verloren
aan die ouwe achterbuurt.
Dus er komen nette straten en geen sloppen,
zonder al die rare hoekjes
waar zo’n kerel dan uit gluurt,
in zo’n nieuwe wijk kan zich geen tuig verstoppen

’t Zijn de oproerkraaiers, armoedzaaiers
waar ik zo van walg.
Ja, die moeten allen opgehangen worden.
Want de nette mensen die leven
bij de gratie van de galg,
op voor rust en orde.

 

 
Lennaert Nijgh (29 januari 1945 – 28 november 2002)
Hier met Boudewijn de Groot (rechts)

 

 

De Russische schrijver Anton Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland. Zie ook alle tags voor Anton Tsjechov op dit blog.

Uit: Kruisbessen (Vertaald door Marja Wiebes en Yulanda Bloemen)

“De hemel was sinds de vroege morgen bedekt met regenwolken; het was rustig weer, niet heet en druilerig, zoals zo vaak op van die grijze betrokken dagen wanneer de wolken al een hele tijd boven het veld hangen en je wacht op de bui die niet komt. Ivan Ivanytsj, de veearts, en Boerkin, de gymnasiumleraar, waren vermoeid van het lopen en dachten dat er geen eind aan het open veld zou komen. Voor hen uit waren net de windmolens van het dorp Mironositskoje te onderscheiden, rechts strekte zich een rij heuvels uit die verderop achter het dorp verdween, en ze wisten allebei dat daar de oever van de rivier lag, dat daar weiden, groene wilgen en hoeven lagen, en dat, als je op een van die heuvels klom, je daarvandaan een uitzicht had over weer zo’n enorm open veld, op telegraafpalen en een trein die uit de verte op een kruipende rups leek, en bij helder weer kon je daarvandaan zelfs de stad zien. Bij dit rustige weer, nu de natuur zo vriendelijk en nadenkend leek, waren Ivan Ivanytsj en Boerkin vervuld van een diepe liefde voor dit open veld en ze dachten allebei bij zichzelf hoe mooi dit land was. `Toen we de vorige keer in de schuur van Prokofi, de dorpsoudste, zaten,’ zei Boerkin, ‘stond je op het punt een verhaal te vertellen.’ `Ja, ik wilde toen vertellen over mijn broer.’ Ivan Ivanytsj slaakte een langgerekte zucht en stak een pijpje op om zijn verhaal te beginnen, maar op dat moment begon het te regenen. En een minuut of vijf later goot het, en het viel niet te voorzien wanneer het zou ophouden. Ivan Ivanytsj en Boerkin bleven aarzelend staan; de honden, ook al nat, stonden met de staart tussen de benen en keken smachtend naar hen op. `We moeten ergens schuilen,’ zei Boerkin. ‘Laten we naar Aljochin gaan. Dat is vlakbij.’ `Doen we.’

 

 
Anton Tsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)
Cover

 

 

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk is in Sulechów, dichtbij Zielona Góra, geboren op 29 januari 1962. Zie ook alle tags voor Olga Tokarczuk op dit blog

Uit: Runners (Vertaald door Jennifer Croft)

“There are 64 of them. He doesn’t delete any. They come up automatically, for 10-12 seconds each. The pictures are boring. Their one merit is that they fix instants that would otherwise have vanished completely. But would it be worth it to copy them? Although. Kunicki copies them to a CD, turns off the computer and sets off for home.
All his actions he performs automatically: he turns the key in the ignition, turns off the alarm, fastens his seatbelt, flips on the radio, puts the car in first gear. It immediately rolls along from the parking lot into the busy street, in second gear. They’re doing the weather on the radio. They’re saying it’s going to rain. And sure enough it starts to rain, as if all the drops of rain had just been waiting to be conjured up by the radio; the windshield wipers come on.
And suddenly something changes. It’s not the weather, not the rain, not the view from the car, but somehow, in a single moment, he sees everything differently. It’s as if he’s taken off his sunglasses, or as if the windshield wipers have scraped off more than their usual skimming of urban grunge. He feels hot and steps on the gas in spite of himself. People are honking at him. He pulls himself together and tries to catch up with the black Volkswagen. His hands start to sweat. He would happily pull over, but there’s nowhere to pull over to, he has to keep going.
He sees with terrible clarity that the road, so familiar to him, is suffused entirely with lurid signs. These signs are messages for him alone. The one-legged circles, the yellow triangles, the blue squares, the green and white markers, the arrows, the indicators. The lights. The lines painted on the asphalt, the highway markers, warnings, reminders. The smile on the billboard, not immaterial either. He saw them this morning, but he didn’t understand them then, this morning he could ignore them, but now, now there is no way for him to do that. Now they are all communicating with him, quietly, categorically, there are so many more of them, in fact there is no space they do not inhabit. The names of stores, the ads, the post office symbol, the drugstores, the bank, the lifted STOP paddle of the preschool teacher overseeing the children cross the crosswalk, sign goes through sign, across sign, sign indicating other sign–a little further on, sign taken up by other sign, passed further along, a conspiracy of signs, a network of signs, an understanding between signs behind his back. Nothing is innocent, and nothing is insignificant, it’s all a big endless puzzle.”

 

 
Olga Tokarczuk (Sulechów, 29 januari 1962)

 

 

De Nederlandse dichter Hubert Kornelisz. Poot werd geboren in Abtswoude op 29 januari 1689. Zie ook alle tags voor Hubert K. Poot en ook voor Hubert Poot op dit blog.

 

Wachten

Hier heeft mij Rozemond bescheiden,
Hier, bij deez’ boom, die welig wast.
Waar mag de schone zo lang beiden,
Dat zij niet op het uurtje past?
Of ben ik wat te vroeg gekomen,
Door drift der min, waar ik van kwijn?
ô Zalig veld, ô groene bomen,
’t Kost* hier te nacht wel bruiloft zijn.
Maar och, hoe lang zijn thans de stonden!
Elk omzien* duurt een jaar gewis.
Op achten was de komst gevonden:
Ik schat het ruim al negen is.
Val, avond. Zoudt ge uw’ plicht niet weten?
Of is de tijd zijn wieken kwijt?
Of heeft Apol* zijn zweep vergeten,
Dat hij dus traaglijk zeewaarts rijdt?
Dagvoerder*, laat u dit toch lusten:
Verkort de dag en rek de nacht.
Spoei voort: gij zult bij Thetys rusten,
En ik bij ’t meisje dat ik wacht.

 

 

Afgoderij

Hoe buigt zich, met verdwaald gebaar,
D’ Afgoderij voor ’t blind Altaar!
Hoe zwaait ze wierookvieren,
Wier stank de ware God verveelt,
Terwijl men zijne glorie steelt,
En schenkt aan stomme dieren!
Zo doolt men zeker al te wijd.
Dees godvergeten dolheid smijt
De wet uit Mozes’ handen.
Ontzinde mensen, laat u raên:
Gij stookt de helse vlammen aan
Met heilloos offerbranden.

 

 
Hubert K. Poot (29 januari 1689 – 31 december 1733)
Cover

 

 

De Franse schrijver Romain Rolland werd geboren op 29 januari 1866 in Clamecy. Zie ook alle tags voor Romain Rolland op dit blog.

Uit: Jean Christophe

« Dans cet égoïsme universel, quel ineffable bien peut faire une simple parole de tendresse, une attention délicate, un regard qui a pitié et qui vous aime ! On sent alors le prix de la bonté. Et que tout le reste est pauvre, à côté !… Elle rapprochait Olivier de Mme Arnaud, plus que de son Christophe. Cependant Christophe s’obligeait à une patience méritoire ; il lui cachait, par affection, ce qu’il pensait de lui. Mais Olivier, avec l’acuité de son regard que la souffrance affinait, apercevait le combat qui se livrait en son ami, et combien sa tristesse lui était à charge. C’était assez pour l’écarter à son tour de Christophe, et lui souffler l’envie de lui crier : — Va-t’en ! Ainsi, le malheur sépare souvent les coeurs qui s’aiment. Comme le vanneur trie le grain, il range d’un côté ce qui veut vivre, de l’autre ce qui veut mourir. Terrible loi de vie, plus forte que l’amour ! La mère qui voit mourir son fils, l’ami qui voit son ami se noyer, — s’ils ne peuvent les sauver, n’en continuent pas moins de se sauver soi-mêmes, ils ne meurent pas avec eux. Et pourtant, ils les aiment mille fois mieux que leur vie… Malgré son grand amour, Christophe était obligé de fuir Olivier. Il était très fort, il se portait trop bien, il étouffait dans cette peine sans air. Qu’il était honteux de lui ! Il enrageait de ne pouvoir rien pour son ami ; et comme il avait besoin de se venger sur quelqu’un, il en voulait à Jacqueline. En dépit des paroles clairvoyantes de Mme Arnaud, il continuait de la juger durement, comme il sied à une âme jeune, violente et entière, qui n’a pas encore assez appris de la vie, pour n’être pas impitoyable envers ses faiblesses. Il allait voir Cécile et l’enfant qui lui était confié. Cécile était transfigurée par sa maternité d’emprunt ; elle paraissait toute jeune, heureuse, affinée, attendrie. Le départ de Jacqueline n’avait pas fait naître en elle un espoir inavoué de bonheur. Elle savait que le souvenir de Jacqueline éloignait d’elle Olivier plus encore que Jacqueline présente. D’ailleurs, le souffle qui l’avait troublée était passé : c’était un moment de crise, que la vue de l’égarement de Jacqueline avait contribué à dissiper ; elle était rentrée dans son calme habituel, et elle ne comprenait plus très bien ce qui l’en avait fait sortir. Le meilleur de son besoin d’aimer trouvait à se satisfaire dans l’amour de l’enfant. Avec le merveilleux pouvoir d’illusion —l’intuition — de la femme, elle retrouvait celui qu’elle aimait, au travers de ce petit être ; ainsi, elle l’avait faible et livré, tout à elle : il lui appartenait ; et elle pouvait l’aimer, passionnément l’aimer d’un amour aussi pur que l’étaient le coeur de cet innocent et ses limpides yeux bleus, gouttelettes de lumière… Non qu’il ne se mêlât à sa tendresse un regret mélancolique. »

 

 
Romain Rolland (29 januari 1866 – 30 december 1944)
Cover

 

 

De Australische literatuurwetenschapper en publiciste Germaine Greer werd geboren in Melbourne op 29 januari 1939. Zie ook alle tags voor Germasine Greer op dit blog.

Uit: How to Bring a Devastated Forest Back to Life

“Once great wrongs are done, it’s rarely possible to undo them. Earth, the most exuberant planet known to exist in any galaxy, carries great wounds upon its lovely face: denuded hills, fertile farmlands being washed into the sea or turned to dust, treasure houses of biodiversity annihilated, air, land and water poisoned. It seems that nobody knows how to reverse any of it.
And yet, in the cracks between the pavement of the expanding cities, seedlings of long-gone forest giants continue to emerge. Earth keeps on trying to renew itself, after radioactive leak, after nuclear explosion, after earthquake and eruption, flood and tsunami. The planet’s powers of recuperation and restoration are almost unbelievable. Give it an inch and it will give you a mile.
Field flowers no longer grow amid the crops in England’s fields, but once the backhoes are withdrawn from roadworks, poppies spring from the disturbed ground. The seed they have grown from blew off the fields maybe a generation ago, and has lain in the soil ever since, waiting for someone or something to break the sod. Year on year the poppies keep turning up, every time bringing their promise of resurrection.
The dead hedgehog on the road cannot be brought back to life, but creating habitat for hedgehogs will give other hedgehogs a better chance of breeding successfully so that numbers can build up again.
In suburban gardens across the country people are making tunnels under their fences so that hedgehogs can travel without having so often to cross roads. It doesn’t take much and costs nothing, but it puts the householder on the side of Earth, which is the hedgehogs’ home as much as it is ours.
The swallows that have nested at my place in Essex ever since I have didn’t turn up one year. Or the next. Ten springs passed, and I thought they couldn’t possibly remember the barn where they had built their mud nests so many years before. I stopped scanning the sky for them.”

 
Germaine Greer (Melbourne, 29 januari 1939)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e januari ook mijn blog van 29 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 29 januari 2007 en ook mijn blog van 29 januari 2008 en eveneens mijn blog van 29 januari 2009.