Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Thierry Baudet, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

Broeders van liefde
(naar aanleiding van berichten over kindermisbruik binnen de Katholieke Kerk)

Probeer het eens. Je neemt een kind op schoot
zo’n ding dat nog doorschijnend is en broos
liefst blind of doof. Geslachtloos bijna.
Het zit daar maar, een zuiglam voor het oog.

Pak nu het hoofdje. Leid het zacht omlaag
tot aan de uitgang onzer naastenliefde.
Schuif het, prop het erdoor desnoods, niet bang zijn.
Vandaag mag het. Er zijn geen ouders bij.

Dit is de kracht van elk geloof. Te groot
om te bevatten stoot het vroeg of laat
tot daar waar wij ons soeverein nog dachten.

Ze zeggen: God werkt slechts met onze handen.
Wel God, dit kun je dan: een kind van acht
mishandelen en jaar na jaar verkrachten.

 

In memoriam mei
(bij de dood van Harry Mulisch, 30 oktober 2010)

Ik, Harry Kurt Victor Mulisch, volle zoon van alle muzen
ik was de gloeiende bode van vuur, komend van niets
was ik op weg naar een brandnieuwe mythe.

Ik was het goudstof en de wind, ik was ibis, piramiden
ik was een ommekeer in inkt, ik was het duizendjarig licht
ik was de pijp, het Leidseplein, ik was een pupil van
     onsterfelijkheid.

Ik was de kogelvrije vlinder en de kern van alle oorlog
vulkaanzwemmer, godeneter, ik, de keizer van het lot
ik was de heimat, ik was ballingschap: ik was de Paradox.

En hier, binnen in dit eenpersoonsheelal, mijn blauwe labyrint
waar alle vingers doven – langzaam op de tast, hier bleef ik over.
De dood is mijn broekzak: Grote Eén gaat trap na oneindige trap.

Met de tocht in mijn botten en een uitzicht zonder god zo blijf ik,
Harry Mulisch, de ontdekker van uw hemel.
Ik was de brenger van letter en stof. En als u sterft, dan leef ik nog.

 

Sonnet voor 456 letters

(ter gelegenheid van Gedichtendag 2012)

En hier gebeurt het allemaal: vanbinnen
liggen de zinnen doodstil ingeklapt
als chromosomen, diep onder mijn kaft.
Ze wachten op een oog om te beginnen.

U leest – en loom weet zich een vers te ontspinnen.
Het was een val, u bent erin getrapt.
Geen geld of eeuwigheid wordt u verschaft.
Hooguit een ander heeft hier bij te winnen.

Andersmans letters kapen uw gedachten:
mijn minutieus verzonnen DNA
heeft uit het niets al wat bestaat onttroond.

Mijn lichaam fonkelt op geroofde krachten.
Voel hoe ik groei en blakend openga.
Wie leest, wordt door het leven zelf bewoond.

 
Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)
Hier als acteur op een affiche van Toneelgroep Amsterdam

 

De Vlaamse dichter, romancier en theatermaker Peter Verhelst werd geboren op 28 januari 1962 in Brugge. Zie ook alle tags voor Peter Verhelst op dit blog.

Uit: De kunst van het crashen

“De lessen tekenen naar levend model gingen door in het reservepaviljoen van de leeuwen, omdat het licht er zo mooi door het vijvertje werd weerkaatst dat de naakte lichamen eerst zilverig en daarna doorschijnend werden. De Koninklijke Academie was enkele maanden voordien door nieuwe machthebbers bezet en diende nu als kazerne voor de garnizoenen die de hoofdstad in hun wurggreep hielden. Terwijl een model zich ontkleedde, oefenden snipers op de gipsen replica’s van antieke discuswerpers, denkers en gevleugelde vrouwen — hun schoten klonken als het geplok van tennisballen. Koolmezen hingen omgekeerd aan de takken om dauwdruppels te vangen. Het geluid van krijt op papier, een lichaam, ochtendlicht, af en toe een grom van een leeuw of de gil van een arend. Wat hield Raoul van die gestolen uren. Na de tekensessie verliet iedereen apart en via verschillende routes de dierentuin.
Begin maart werd Raoul voor de eerste tekenles uitgenodigd, s maanden nadat hij zich in de hoofdstad had ingeschreven aan de architectuurafdeling van de Vrije Universiteit, die nauwelijks 2 weken na zijn inschrijving tot Rijksuniversiteit werd omgedoopt en waar het merendeel van de professoren werd vervangen door hoeren van het nieuwe regime. Dat stond in hoekige viltstiftletters te lezen op de muur aan de ingang van de vakgroep stedenbouw. Enkele minuten later waren ze al uitgewist. In afwachting van zijn vaders bevel naar huis te komen, hield Raoul zich, timide provinciejongen, afzijdig van het geweld. Op zijn zolderkamer met eenpersoonsbed en wastafel nam hij zijn ontbijt en daarna ging hij naar het museum om zich daar aan de Vlaamse Primitieven te vergapen.”

 
Peter Verhelst (Brugge, 28 januari 1962)

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Maik Lippert op dit blog.

auch deine stirn ist

zerbrechlich
laß ruhig die bilder
nicht ein
in den kopf
ein haarriß genügt
am radkranz
zum entgleisen
wer zählt die abteile
weiß die knautschzone im voraus
nur die puppen
bleiben heil in leblosen armen
plüschtiere mit dem chip
am richtigen fleck
können noch sprechen
persönliche fahrtenschreiber
die schweigend einsatzhelfer dann auflesen
doch keiner kann dir die passende
mignonzelle reichen
damit du verheilst

 

(Pflegespülung)

dein haar mag ich
am liebsten
wie kupferdraht
spröde und elektrisch
so erträgst du es
nicht
ohne pflegespülung
etwas greift dir an die kopfhaut
schon beim bloßen
lesen der inhaltstoffliste
auf der haartönungspackung
ziehen dir die synapsen
blaue blitze ins hirn
du rufst nach der pflegespülung
frieden der salicylatderivate
den auch ich in mich
aufnehme
beim riechen


Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

De Nederlandse schrijver, historicus en jurist Thierry Baudet werd geboren in Heemstede op 28 januari 1983. Zie ook alle tags voor Thierry Baudet op dit blog.

Uit:Meer navolgers Gilles?

“De jaren ’20 gelden als ‘années folles’ – jaren van wilde feesten en onverantwoordelijkheid, ingegeven door een poging de Grote Oorlog te vergeten. Maar het was ook een tijd waarin velen op zoek gingen naar regeneratie via anti-democratische, vaak gewelddadige bewegingen. Men wilde de Oorlog vergeten; tegelijkertijd zocht men die weer op. Was dat uit angst, armoede of vijanddenken – zoals zo vaak wordt aangenomen? Kunnen we, analoog daaraan, het islamofascisme simpelweg verklaren uit sociale achterstelling, gebrek aan opleiding en boosheid over Westerse wereldheerschappij?
Ik denk het niet. Kijk naar Gilles, protagonist van de gelijknamige, beroemd geworden roman van de Franse schrijver Pierre Drieu la Rochelle (1893-1945). De burgerlijke samenleving heeft voor hem elke relevantie verloren na de onuitwisbare ervaring van het front. Hij struint wat over de Boulevards van Parijs, staart naar ‘jonge vrouwen en grote, luxe bomen’ en merkt verstild het ‘contrast met de bomen van Verdun’ op. Steeds pregnanter realiseert hij zich dat hij stukken gelukkiger was in de loopgraven dan in de burgerlijke maatschappij – omdat het leven daar, te midden van onweren van staal, veel meer betekenis had. Het gaat daarbij niet alleen om kameraadschap en avontuur: Gilles verlangt ook terug naar de momenten dat hij ‘geen brieven ontving en alleen Pascal had’ (doelend op zijn bundel geschriften van Blaise Pascal).
Elke ochtend als de wekker gaat, voeren we oorlog tegen onze luiheid. Elke dag vindt er genocide plaats in ons lijf – surrealistische aantallen bacteriën worden continu geliquideerd. Alles in het leven komt tot stand door strijd. Wie niet vecht gaat dood. En dan zouden we als maatschappij ‘vrede’ moeten willen? Gilles kan zich er niet mee verzoenen en kiest voor het fascisme – net als zijn literaire creator Drieu la Rochelle. Velen volgden hun voorbeeld, niet alleen in Frankrijk (Céline, Maurras), maar ook in Duitsland (Jünger, Von Salomon) en Italië (d’Annunzio, Malaparte). Anderen kozen voor een militant communisme dat al even weinig ophad met democratie. De liberale burgermaatschappij kwam steeds verder in de verdrukking.”

 
Thierry Baudet (Heemstede, 28 januari 1983)

 

De Albanese dichter en schrijver Ismail Kadare werd geboren in Gjirokastër op 28 januari 1936. Zie ook alle tags voor Ismail Kadare op dit blog.

Uit: Die Verbannte (Vertaald door Joachim Röhm)

“Bis zum Ende der Dibraner Straße glaubte er tatsäch­lich, es sei ihm gelungen, seinen Denkapparat abzu­schalten. Erst vor dem Hotel Tirana an der Nordseite des Skanderbegplatzes erfaßte ihn eine von gelegentlichen Panikattacken unterbrochene Anspannung. Nur der Platz trennte ihn noch von dem Eingangsportal des Parteikomitees. Seine angestrengte, mit einem ruhigen Gewissen nicht hinreichend begründbare Gelassenheit zerstob. So weit sich der Platz vor ihm auch dehnte, für jemand, den man ohne Nennung von Gründen ins Par­teikomitee zitiert hatte, dauerte die Überquerung auf jeden Fall nicht lange genug.
In irrwitziger Hast, als lasse sich nur so die verlorene Zeit wieder aufholen, resümierte er in Gedanken die möglichen Ursachen für all die Scherereien. Es gab zwei: Sein jüngstes Theaterstück, dessen Aufführgeneh­migung schon seit zwei Wochen überfällig war, und seine Affäre mit Migena.
Unter normalen Umständen hätte ihm diese mehr Sorgen bereitet als das Stück. Er kam zur Nationalbank, und sein Gedächtnis reproduzierte mit unerträglicher Genauigkeit ihren letzten Streit. An der gleichen Stelle, dort, wo das Bücherregal einen Winkel mit dem Fenster bildete, hatten sie sich bereits das erste Mal gezankt. Auch die Vorwürfe waren fast dieselben gewesen und ebenso ihre Tränen. Diese Tränen hatten ihn mürbe ge­macht. Ohne sie wäre er wahrscheinlich bereits zwei Wochen früher zu einem Schlußstrich bereit gewesen. Er hätte sie für eine überspannte Kunststudentin gehal­ten, die nicht wußte, was sie wollte, und noch weniger, warum sie bei jeder kleinsten Gelegenheit losheulte. Je­desmal hoffte er aufs neue, herauszufinden, was dahin­tersteckte, wenn überhaupt etwas dahintersteckte. So konnte es auf jeden Fall nicht weitergehen, das stand für ihn fest. Also, was hast du? fuhr er sie an. Wenn etwas ist, laß mich nicht im unklaren darüber. Wenn ich es nur wüßte, antwortete sie. Ach, du weißt es gar nicht? Das ist ja toll! Kann es sein, daß du alles ein bißchen komplizierst? Ständig diese Zettel à la Marlene Diet­rich, ich liebe dich, ich liebe dich nicht … Ist es nicht so?
Er merkte, daß er dabei war, die Beherrschung zu ver­lieren. Hör zu, du bist nicht kompliziert, du bist bloß … Er wollte eigentlich »ein provinzielles Huhn« sagen, verkniff es sich aber im letzten Augenblick. Du bist bloß schizophren. Oder ein Spitz…“

 
Ismail Kadare (Gjirokastër, 28 januari 1936)
Sculptuur door Qazim Arifi, 2012

 

De Vlaamse dichter en schrijver Wies Moens werd geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde op 28 januari 1898. Zie ook alle tags voor Wies Moens op dit blog.

Vers voor het voorjaar

Vandaag zal ik gaan buiten de stad
om de specht te horen kloppen op het hout
en mijn pijp te ontsteken aan de brand in de pijp van de landman
die even uitrust aan de rand van zijn veld.

Dit is een dag om met een knapzak uren wijd te wandelen
tot waar de stad en haar vesten vergeten liggen in een pril wit en blauw
van wolken en verse landouwen,
een bruine stip, heel even vermoedbaar in de verte, op de scherpe klank van sirenen te middag.

Alles wat ik zal zien vandaag moet worden tot een vroom gebed:
Heer, trek Gij mijn leven voort door de harde dagen en de lichte
zoals deze gebogen schipperszoon het vaartuig zijns vaders voorttrekt, langs de rivier,
maal mij lijk het graan dat wast, brijzel mij als de roggestuit tussen de tanden van het boerekind.
Een donkere vogel slaat ergens in het struikgewas:
zet mij zo langs het pad der mensen verscholen, zing mijn keel ten bloede.

Ik weet: het fijne bloed dat ik zing zal ruisen in de twijgen,
het zuivere bloed zal ruisende stijgen
in de kruinen, en in het enkelvoudig blad.
En elke drop die op de aarde spat
zal wekken het leven voor een bloem of een wuivend gras!

Want ik wil leven met alles het leven dat Gij geeft en neemt,
de wijsheid der jaargetijden staag in mij vergaren
tot ik als een rijpe nazomer vol vrucht en spijs
mag vallen in Uw schoot, en Gij de herfst maakt
mild en schoon voor al mijne geliefden.

 
Wies Moens (28 januari 1898 – 5 februari 1982)
Op een postkaart

 

De Cubaanse dichter en schrijver José Martí werd geboren op 28 januari 1853 in Havanna. Zie ook alle tags voor José Martí op dit blog.

I Have a Dead Friend (Verse VIII)

I have a dead friend who lately
Has begun to visit me:
My friend sits down and sings to me,
Sings to me so dolefully.

‘Upon the double-winged bird’s back
I am rowing through skies of blue:
One of the bird’s wings is black,
The other, gold of Cariboo.’

‘The heart’s a madman that abhors
One color as one too few:
Either its love is two colors,
Or else it is not love’s hue.’

‘There’s a madwoman more savage
Than is the unhappy heart:
She that sucks the blood in rage,
And then a-laughing would start.’

‘A heart that has lost forever
The steadfast anchor of home,
Sails like a ship in fould weather,
And knows not to go or come.’

If his anguish should betray him,
The dead man will curse and weep:
I pat his skull and I lay him,
Lay the dead man down to sleep.


José Martí (28 januari 1853 – 19 mei 1895)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en eveneens mijn blog van 28 januari 2009.