Hester Knibbe, Elizabeth Strout, Khalil Gibran, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Philipp Friedrich Hiller, E. L. Doctorow

 

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

Laat winterlandschap

heeft soms het dunne landschap zich
vandaag gesneden aan het licht
en zit er zo een wakke plek
ginds in die ijzig strakke lijn
juist waar de zon nu snel verdwijnt?

waarschijnlijk zit daar het lek
kroop je er ongemerkt doorheen
(zoals nevel het land op trekt)
terwijl ik blijkbaar wat alleen
liep langs het vastgevroren riet

of is het dit verdrietig licht
waardoor je hier plots voor me staat
zonder gewicht en zo verweesd
dat schemer uit je ogen slaat

 

 

Thebe

Die ochtend gingen we naar Père Lachaise.
We dronken koffie in Café Rond Point
en staken bij het stoplicht over:
wie grafwaarts gaat wil er niet aan.

Wat ingestort was vonden we het mooist.
Jij nam wat foto’s: een gebroken zerk
met scheefgezakte zuilen, terwijl ik Thebe
schreef, de dood een stad vol heimelijk leven.

Een boom had zich genesteld rond een
steen, een naam omworteld, overschreven,
alsof dat hooguit breeduit bleef van
wie ooit stam zei, takken, blad.

We keken in een onafzienbaar gat en
spraken over dàt. Ik zou niet treuren
op je graf zei je, dat kan ik niet, ik zou
je missen, missen zou ik je.

 

 

We vroegen

We vroegen hoe laat komt de dood
voorbij en ze zeiden we weten het niet,

alles is voorbestemd nu en hier
dus we weten het niet. Waarom

is het zo stil verbaasden we ons, zelfs
de klokken slaan hun notie van tijd niet.

Alle uur zonder waarheid
is stilgezet, zeiden zei.

 

 
Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Strout werd geboren op 6 januari 1956 in Portland, Maine. Zie ook alle tags voor Elizabeth Strout opdit blog.

Uit: Ik heet Lucy Barton (Vertaald door Barbara de Lange)

“Eens – nu jaren geleden – moest ik bijna negen weken in het ziekenhuis blijven. Het was in New York en ’s nachts had ik vanuit mijn bed een ongehinderd uitzicht op het Chryslergebouw met zijn geometrisch schitterende lichtjes. Overdag verbleekte de schoonheid van het bouwwerk en geleidelijk werd het simpelweg een van de vele grote blokken tegen de blauwe lucht en leken alle gebouwen van de stad teruggetrokken, stil, veraf. Het was mei, en toen juni, en ik weet nog dat ik vaak voor het raam naar de straat beneden stond te kijken, naar de jonge vrouwen – van mijn leeftijd – in hun voorjaarskleren, buiten met lunchpauze; ik zag de hoofden in gesprek bewegen, de blouses rimpelen in de zachte wind. Ik dacht dat ik, als ik eenmaal uit het ziekenhuis was, nooit meer over straat zou lopen zonder dankbaar te zijn dat ik een van die mensen was, en dat was ik ook jarenlang – dan herinnerde ik me het uitzicht uit het ziekenhuisraam en was ik blij dat ik op straat liep.
Om te beginnen was het een simpel verhaal: ik was naar het ziekenhuis gegaan voor een blindedarmoperatie. Na twee dagen kreeg ik vast voedsel, maar dat kon ik niet binnenhouden. En toen kwam de koorts. Niemand kon een bacterie vinden of achterhalen wat er was misgegaan. Dat is ook nooit gelukt. Ik kreeg vocht via het ene infuus en antibiotica via het andere. De slangen hingen aan een metalen standaard op wiebelige wieltjes die ik met me meetrok, maar ik werd snel moe. Begin juli verdween de aandoening die me had beheerst. Maar tot die tijd verkeerde ik in een heel vreemde toestand – van letterlijk koortsachtig afwachten – waar ik vreselijk onder leed. Thuis had ik een echtgenoot en twee jonge dochtertjes; ik miste mijn meisjes verschrikkelijk en ik was zo bezorgd dat ik bang was er nog zieker van te worden. Toen mijn arts, aan wie ik erg was gehecht – hij was een Joodse man met hangwangen, die een last van zachtmoedige droefheid op zijn schouders droeg, en die ik aan een verpleegster had horen vertellen dat zijn grootouders en drie tantes in de kampen waren vermoord – deze aardige man, die een vrouw en vier volwassen kinderen had hier in New York, kreeg waarschijnlijk medelijden met me en zorgde ervoor dat mijn meisjes – die vijf en zes jaar waren – op bezoek mochten komen mits ze niet ziek waren.”

 

 
Elizabeth Strout (Portland, 6 januari 1956)

 

 

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

 

Aarde (Fragment)

Je lente heeft me gewekt en me naar je velden geleid
Waar je geurende adem opstijgt
Als wierook.
Ik heb de vruchten gezien van je zomerarbeid.
In de herfst, in je wijngaarden, zag ik je
Bloed vloeien als wijn.
Je winter droeg me in je bed, waar de sneeuw getuig¬de van je zuiverheid.
In je lente ben je een geurende olie; in je zomer ben je vrijgevig;
In je herfst ben je een bron van over¬vloed.

Op een kalme en heldere nacht
Opende ik de ramen en deuren
Van mijn ziel en ging
Naar buiten om je te ontmoeten,
Mijn hart gespannen met lust.
Ik zag je staren naar de sterren die naar jou lachen.
Zo wierp ik mijn boeien weg, want ik
Ontdekte dat de woonplaats van de ziel in jou is.
Haar verlangen groeit in jouw verlangen; haar
Vrede rust in jouw vrede; en haar geluk is in het
Goudstof dat de sterren uitstrooien boven jouw Lichaam.

Op een nacht, toen de lucht grijs werd, en mijn ziel
Vol verdriet was, ging ik naar je toe.
En je verscheen voor me als een reus, gewapend met
Woedende stormen, het verleden bevechtend
Met het heden,
Het oude vervangend door het nieuwe, terwijl je
et sterke het zwakke liet verstrooien.

Zo leerde ik dat de wet van de mensen
Jouw wet is.
Ik leerde dat wie droge takken niet laat breken
In de storm, vermoeid zal sterven.
En wie de revolutie niet gebruikt om de
Droge bladeren te verwijderen, langzaam zal vergaan.
Hoe vrijgevig ben je, aarde, en hoe sterk is jouw
Verlangen naar je kinderen, die verdwaald zijn tussen
Wat ze hebben verworven en dat wat ze niet konden verwerven.
Wij klagen en jij lacht; wij fladderen weg
Maar jij blijft!

 

 
Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)
Portret door Priapo Longoni

 

 

De Franse schrijver Romain Sardou werd geboren op 6 januari 1974 in Boulogne-Billancourt. Zie ook alle tags voor Romain Sardou op dit blog.

Uit:Das dreizehnte Dorf (Vertaald door Karin Meddekis)

«Für den größten Teil des Abendlandes war der schreckliche Winter im Jahre 1284 eine Katastrophe. Für die Einwohner von Draguan bedeutete er einen weiteren Fluch.
Die Eisschicht, die die kleine, verwitterte Statue der heiligen Jungfrau Maria seit mehreren Wochen einhüllte, zerbrach. Die Kälte spaltete diese arme Gottesmutter aus Gips, die einsam auf dem flachen Land stand, dort, wo die Wege nach Domines und Befayt sich kreuzten.
Die Trümmer wurden nicht aufgesammelt. Man ließ sie dort wie eine Mahnung liegen, um diejenigen zu entmutigen, die sich noch in die Diözese Draguan wagten.
Niemals zuvor hatte es eine solche “Teufelskälte” gegeben. Die Familien, die in der Einsamkeit wohnten, suchten in den Gemeinden Schutz. Unzählige Feuerstellen auf den Feldern warfen einen roten Schein auf das Land. Die Menschen bedeckten die Dächer mit Ölpapier und getrockneten Binsen. Das ganze Volk schmiegte sich an Strohballen und das warme Fell der Tiere, die in die Hütten geholt worden waren. Der strenge Winter in jenem Jahr war schlimmer als die Hungersnöte des schwarzen Jahrhunderts.
Ein gutes Jahr nach den beunruhigenden Ereignissen am Damm von Domines dachte der Bischof von Draguan, Monseigneur Haquin, noch immer, dass sich zu viele Mächte gegen seine kleine Diözese verschworen. Wie alle Menschen hier trug er eine dicke Fellmütze und sorgte sich um die zersplitterten Jungfrauen und die “höllische” Kälte.
Als der Frost einsetzte, musste er seinen Bischofssitz verlassen und in eine kleine Zelle im zweiten Stock des Domstiftes ziehen. Die enge, niedrige Kammer war frisch gekalkt und einfacher zu wärmen als seine eigentliche Wohnstatt. Er gewöhnte sich schnell an die Bedingungen seines neuen Zufluchtsortes: Ein Stuhl, ein Tisch und eine Truhe, alles aus einfachem Holz, genügten für sein Amt. Sein einziger Luxus war ein breiter Chorstuhl, von dem sich der alte Mann niemals trennte. Diesen Holzstuhl, der für ihn zugleich ein Erinnerungsstück und ein geweihter Gegenstand war, nahm er überallhin mit. Besonders in diesen Zeiten. Haquins Charakter hatte sich beträchtlich verändert, seitdem man die drei Leichen im Montayou gefunden hatte. Der Mann, der bislang nicht nur als mächtig, sondern auch als entschlusskräftig und geistesgegenwärtig gegolten hatte, verwandelte sich plötzlich in einen alten, weißhaarigen Einsiedler, der seine Schäfchen vergaß und immerzu vor seinen heiligen Büchern hockte. Seine Augen nahmen die undurchdringliche Tönung der Kirchenfenster an. Sein Blick verhärtete sich. Niemand verstand, warum der etwa achtzigjährige Bischof sich das Schicksal der im Montayou aufgefundenen Leichen so sehr zu Herzen nahm und die Christenschuld so umfassend auslegte.“

 

 
Romain Sardou (Boulogne-Billancourt, 6 januari 1974)

 

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

Three Ghosts

Three tailors of Tooley Street wrote: We, the People.
The names are forgotten. It is a joke in ghosts.

Cutters or bushelmen or armhole basters, they sat
cross-legged stitching, snatched at scissors, stole each
other thimbles.

Cross-legged, working for wages, joking each other
as misfits cut from the cloth of a Master Tailor,
they sat and spoke their thoughts of the glory of
The People, they met after work and drank beer to
The People.

Faded off into the twilights the names are forgotten.
It is a joke in ghosts. Let it ride. They wrote: We,
The People.

 

 

Three Balls

Jabowsky’s place is on a side street and only the rain washes the dusty three balls.
When I passed the window a month ago, there rested in proud isolation:
A family bible with hasps of brass twisted off, a wooden clock with pendulum gone,
And a porcelain crucifix with the glaze nicked where the left elbow of Jesus is represented.
I passed today and they were all there, resting in proud isolation,
the clock and the crucifix saying no more and no less than before,
and a yellow cat sleeping in a patch of sun alongside the family bible with the hasps off.
Only the rain washes the dusty three balls in front of Jabowsky’s place on a side street.

 

 

Stars, Songs, Faces

Gather the stars if you wish it so.
Gather the songs and keep them.
Gather the faces of women.
Gather for keeping years and years.
And then . . .
Loosen your hands, let go and say goodby.
Let the stars and songs go.
Let the faces and years go.
Loosen your hands and say goodbye.

 

 
Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)
Standbeeld in Galesburg

 

 

De Duitse schrijver Jens Johler werd geboren op 6 januari 1944 in Neumünster. Zie ook alle tags voor Jens Johler op dit blog.

Uit: Die Stimmung der Welt

„Am fünfzehnten  märz  des  jahres 1700,  kurz vor Sonnenaufgang, machte Bach sich auf den Weg. Johann Christoph begleitete ihn bis zum Stadttor und, da es immer noch nicht hell werden wollte, auch darüber hinaus. Als sie auf der Höhe des Berges anhielten, sahen sie, wie die Sonne ihre ersten Strahlen über den Saum des Waldes schickte. Kommst du allein zurecht?
Bach antwortete nicht. Räuber und Zigeuner waren in diesem Wald zu Hause und warteten nur darauf, ihm den Ranzen und die Geige wegzunehmen. Sowie Johann Christoph ihn allein gelassen hätte, würden sie sich auf ihn stürzen.
Du zitterst ja. Ist dir kalt?
Ihm war nicht kalt, er zitterte nur. Er würde sofort losrennen, wenn sein Bruder gegangen wäre.
Also dann, Kleiner, Gott befohlen.
Bach erwiderte die Umarmung seines Bruders und rannte los.
Warte!
Johann Christoph zog ein gerolltes Papierbündel aus seinem Wams hervor. Fast hätte ich es vergessen, sagte er. Da, nimm. Jetzt gehört es dir.
Bach wich einen Schritt zurück und starrte auf das Bündel. Soll ich es dir in den Ranzen stecken?
Bach wischte sich, während Johann Christoph den Ranzen aufschnürte und die Rolle darin verstaute, verstohlen eine Träne aus dem Augenwinkel.
Und immer fleißig sein, hörst du?
Er nickte.
Du sagst ja gar nichts. – Und dann, bevor er sich endgültig auf den Weg zurück nach Ohrdruf machte, sagte Johann Christoph beiläufig, mehr gemurmelt als gesprochen: Hüte dich vor Hochmut, Kleiner. Du wirst uns einmal alle übertreffen.
Bach blickte dem Bruder verwundert nach. Johann Christoph war sein Lehrer gewesen, fünf Jahre lang, ein strenger Lehrer, der kaum je ein Lob über die Lippen gebracht hatte. Und nun dies? Und was war es, das der Bruder da gesagt hatte? Eine Prophezeiung, ein Wunsch, ein Auftrag, ein Befehl?“

 
Jens Johler (Neumünster, 6 januari 1944)
Neumünster

 

 

De Duitse dominee en dichter van (geestelijke) liederen Philipp Friedrich Hiller werd geboren op 6 januari 1699 Mühlhausen an der Enz, nu een voorstad van Mühlacker. Zie ook alle tags voor Philipp Friedrich Hiller op dit blog.

 

O Lebenswort! Wer dankt genug

O Lebenswort! wer dankt genug,
Daß Du im Fleisch gekommen,
Und nach der Liebe tiefstem Zug
Das Knechtsbild angenommen!
Du schämtest Dich der Sünder nicht,
Gingst selber für sie ins Gericht
Und starbst für ihre Sünden.

Kein Mensch dies Wunder fassen kann,
Kein Engel kann’s verstehen.
Der Glaube schaut’s und betet an,
Bewundert, was geschehen.
Drum sei Dir unser Lob geweiht,
Denn Dir, dem Herrn der Herrlichkeit,
Lob, Ehr’ und Ruhm gebühret.

 

 
Philipp Friedrich Hiller (6 januari 1699 – 24 april 1769)

 

 

De Amerikaanse schrijver Edgar Laurence Doctorow werd geboren op 6 januari 1931 in New York. Zie ook alle tags voor E. L. Doctorow en alle tags voor EL Doctorow op dit blog.

Uit:Andrew’s Brain

« I can tell you about my friend Andrew, the cognitive scientist. But it’s not pretty. One evening he appeared with an infant in his arms at the door of his ex-wife, Martha. Because Briony, his lovely young wife after Martha, had died.
Of what?
We’ll get to that. I can’t do this alone, Andrew said, as Martha stared at him from the open doorway. It happened to have been snowing that night, and Martha was transfixed by the soft creature-like snowflakes alighting on Andrew’s NY Yankees hat brim. Martha was like that, enrapt by the peripheral things as if setting them to music. Even in ordinary times, she was slow to respond, looking at you with her large dark rolling protuberant eyes. Then the smile would come, or the nod, or the shake of the head. Meanwhile the heat from her home drifted through the open door and fogged up Andrew’s eyeglasses. He stood there behind his foggy lenses like a blind man in the snowfall and was without volition when at last she reached out, gently took the swaddled infant from him, stepped back, and closed the door in his face.
This was where?
Martha lived then in New Rochelle, a suburb of New York, in a neighborhood of large homes of different styles—Tudor, Dutch Colonial, Greek Revival—most of them built in the 1920s and ’30s, houses set back from the street with tall old Norway maples the predominant trees. Andrew ran to his car and came back with a baby carrier, a valise, two plastic bags filled with baby needs.
He banged on the door: Martha, Martha! She is six months old, she has a name, she has a birth certificate. I have it here, open the door please, Martha, I am not abandoning my daughter, I just need some help, I need help!

The door opened and Martha’s husband, a large man, stood there. Put those things down, Andrew, he said. Andrew did as he was told and Martha’s large husband thrust the baby back into his arms.”

 

 
E. L. Doctorow (6 januari 1931 – 21 juli 2015)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn vorige blog van vandaag

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 6 januari 2007 en ook mijn blog van 6 januari 2008 en eveneens mijn blog van 6 januari 2009.