Kees Fens, Nic Pizzolatto, Jan Wagner, Isabelle Autissier, Ntozake Shange, Terry McMillan, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit: Het beslissende boek

“Ik sprak zojuist over een tweede helft van de cirkel. Daarmee wil ik ook aangeven dat wie leest zichzelf uitbreidt, en wel met een gebied dat ineens ook zijn eigen gebied blijkt te zijn. Dat echt mooie, wat is dat? Ik geloof dat je dat kunt omschrijven als het passende, datgene wat voor jou is, het eigene. Op datzelfde moment wordt het boekenbestand opgedeeld in drie soorten, t.w. mijn boeken, jouw boeken en zijn of haar boeken; die drie zullen elkaar nooit ontmoeten, en dat is ook het fijne ervan. Nog een precisering van het beeld van die halve cirkel: die bestaat overigens natuurlijk wel uit heel veel kleine segmenten: want eenzijdig is de tweede helft vaak allerminst, al hebben de onderdelen ervan vaak wel veel met elkaar te maken.
Om te verduidelijken wat zich bij zo’n lezer afspeelt, wil ik hier nog enkele andere omschrijvingen aanvoeren, zoals: ‘Weggaan en toch thuiskomen’. Weggaan, naar plaats, tijd, en naar mensen en thuiskomen in andere tijden, op andere plaatsen, bij andere mensen. Ook heb ik het wel, vanuit het boek zelf denkend, als volgt voorgesteld: daar, ginds naar plaats of tijd genomen – vroeger dus – is met mij als lezer rekening gehouden. Het meest fascinerende is wel dat je als kind nog altijd – en hoe dat komt, wil ik straks proberen te verklaren – meer gestalten hebt en in meer tijden kunt bestaan.
Eindelijk vind je, zo is althans mijn ervaring, alles beschreven waarvan je altijd al gedacht hebt dat het bestond. Er ontstaat een soort bewustwording van bi-locatie en pluri-locatie. Soms lijkt het erop dat je – en dat is een heel sterke sensatie – uit die wereld van het boek hier en nu te vondeling bent gelegd. Daarmee wordt lezen de meest persoonlijke bezigheid; en daar komt geen opvoeder aan te pas, want jij bepaalt zelf welke jouw boeken zijn.
Waaruit bestaat dan de taak van de opvoeder? Vooral uit het niet opvoeden. Hoogstens levert de opvoeder de mogelijkheden tot keuze van die boeken. Dat hij dan ook de lezer beïnvloedt is niet juist, maar die eer moeten wij hem gunnen, want deze periode is zijn schijnbare glorietijd. Hij is de leverancier, de aanbrenger van de boeken die beslissend kunnen worden; met opzet druk ik mij hier erg voorzichtig uit. Die opvoeder werkt mee – of hij werkt niet mee: het kan natuurlijk ook dat de boeken er niet bij zijn – aan het mogelijk vóórkomen van het toeval; en het is helaas waar: van het toeval hangt alles af. Wie het treft, is dan zeer gelukkig.”

 
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

Doorgaan met het lezen van “Kees Fens, Nic Pizzolatto, Jan Wagner, Isabelle Autissier, Ntozake Shange, Terry McMillan, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold”

Helen Maria Hunt Jackson

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en activiste Helen Maria Hunt Jackson werd geboren als Helen Fiske in Amherst op 18 oktober 1830. Jackson beschreef de kwalijke gevolgen van het beleid ten opzichte van de indianen in “A Century of Dishonor” (1881). In haar roman “Ramona” (1884) schetste Jackson het zware leven van een meisje van gemengde Schots-indiaanse origine in Zuid-Californië in de periode na de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog. Hoewel de roman erin slaagde om voldoende aandacht te vestigen op de indiaanse zaak, werd “Ramona” vooral immens populair door de sterk geromantiseerde beschrijvingen van Zuid-Californië en niet door z’n politieke inhoud. “Ramon: a is naar schatting 300 keer herdrukt en heeft bijgedragen aan de groei in het toerisme in de regio.

Uit: Ramona

“It was sheep-shearing time in Southern California, but sheep-shearing was late at the Senora Moreno’s. The Fates had seemed to combine to put it off. In the first place, Felipe Moreno had been ill. He was the Senora’s eldest son, and since his father’s death had been at the head of his mother’s house. Without him, nothing could be done on the ranch, the Senora thought. It had been always, “Ask Senor Felipe,” “Go to Senor Felipe,” “Senor Felipe will attend to it,” ever since Felipe had had the dawning of a beard on his handsome face.
In truth, it was not Felipe, but the Senora, who really decided all questions from greatest to least, and managed everything on the place, from the sheep-pastures to the artichoke-patch; but nobody except the Senora herself knew this. An exceedingly clever woman for her day and generation was Senora Gonzaga Moreno,—as for that matter, exceedingly clever for any day and generation; but exceptionally clever for the day and generation to which she belonged. Her life, the mere surface of it, if it had been written, would have made a romance, to grow hot and cold over: sixty years of the best of old Spain, and the wildest of New Spain, Bay of Biscay, Gulf of Mexico, Pacific Ocean,—the waves of them all had tossed destinies for the Senora. The Holy Catholic Church had had its arms round her from first to last; and that was what had brought her safe through, she would have said, if she had ever said anything about herself, which she never did,—one of her many wisdoms. So quiet, so reserved, so gentle an exterior never was known to veil such an imperious and passionate nature, brimful of storm, always passing through stress; never thwarted, except at peril of those who did it; adored and hated by turns, and each at the hottest. A tremendous force, wherever she appeared, was Senora Moreno; but no stranger would suspect it, to see her gliding about, in her scanty black gown, with her rosary hanging at her side, her soft dark eyes cast down, and an expression of mingled melancholy and devotion on her face. She looked simply like a sad, spiritual-minded old lady, amiable and indolent, like her race, but sweeter and more thoughtful than their wont. Her voice heightened this mistaken impression. She was never heard to speak either loud or fast. There was at times even a curious hesitancy in her speech, which came near being a stammer, or suggested the measured care with which people speak who have been cured of stammering. It made her often appear as if she did not known her own mind; at which people sometimes took heart; when, if they had only known the truth, they would have known that the speech hesitated solely because the Senora knew her mind so exactly that she was finding it hard to make the words convey it as she desired, or in a way to best attain her ends.”


Helen Maria Hunt Jackson (18 oktober 1830 – 12 augustus 1885)

Man Booker Prize 2017 voor George Saunders

Man Booker Prize 2017 voor George Saunders

De Man Booker Prize voor de beste Engelstalige roman is dit jaar toegekend George Saunders voor zijn roman “Lincoln in the Bardo”. George Saunders werd geboren op 2 december 1958 in Chicago. Zie ook alle tags voor George Saunders op dit blog en ook mijn blog van 2 december 2009.

Uit: Lincoln in the Bardo

“Mouth at the worm’s ear, Father said:
We have loved each other well, dear Willie, but now, for reasons we cannot understand, that bond has been broken.
But our bond can never be broken. As long as I live, you will always be with me, child.
Then let out a sob
Dear Father crying    That was hard to see    And no matter how I patted & kissed & made to console, it did no
You were a joy, he said. Please know that. Know that you were a joy. To us. Every minute, every season, you were a—you did a good job. A good job of being a pleasure to know.
Saying all this to the worm!    How I wished him to say it to me    And to feel his eyes on me    So I thought, all right, by Jim, I will get him to see me And in I went It was no bother at all    Say, it felt all right   Like I somewhat belonged in
In there, held so tight, I was now partly also in Father
And could know exactly what he was
Could feel the way his long legs lay     How it is to have a beard      Taste coffee in the mouth and, though not thinking in words exactly, knew that
the feel of him in my arms has done me good. It has. Is this wrong? Unholy? No, no, he is mine, he is ours, and therefore I must be, in that sense, a god in this; where he is concerned I may decide what is best. And I believe this has done me good. I remember him. Again. Who he was. I had forgotten some- what already. But here: his exact proportions, his suit smelling of him still, his forelock between my fingers, the heft of him familiar from when he would fall asleep in the parlor and I would carry him up to—

It has done me good.
I believe it has.
It is secret. A bit of secret weakness, that shores me up; in shoring me up, it makes it more likely that I shall do my duty in other matters; it hastens the end of this period of weakness; it harms no one; therefore, it is not wrong, and I shall take away from here this resolve: I may return as often as I like, telling no one, accepting whatever help it may bring me, until it helps me no more.
Then Father touched his head to mine.
Dear boy, he said, I will come again. That is a promise.”

 

 
George Saunders (Chicago, 2 december 1958)