Altweibersommer (Carl Busse), Dolce far niente

Dolce far niente

 

 
Indian Summer door George Inness, 1894

 

Altweibersommer

Nun tönt schon mählich mehr und mehr
Der Klang der Drescher aus den Scheunen,
Und müde zieht schon hin und her
Altweibersommer an den Zäunen.
Ich that den Weg heut aufwärts gehn,
Da ward mir bitter weh zu Mute,
Als ich zum ersten Mal gesehn
Das weiße Garn an meinem Hute.

In Fäden flattert es zu Thal,
Die Sehnsucht nach dem Sommer wecken,
Und blitzt und spielt im Sonnenstrahl
An herbstgeküßten Weißdornhecken.
Es schwingt sich auf wie Blumenduft,
Vom Wind geführt, dem wandermüden,
Und über ihm in weißer Luft
Ziehn Vogelschwärme nach dem Süden.

Wie das so kommt, mahnt dann und wann
Mich an ein Lied die Sommerseide,
Das süß und wunderbar begann
Und mählich sich verlor im Leide.
Das ist das Glück, das schwebt vorbei,
Drum falte betend beide Hände,
Daß dir der Herrgott gnädig sei –
Sonst klingt dein Sommer auch zu Ende.

 

 
Carl Busse (12 november 1872 – 3 december 1918)
Birnbaum (nu: Międzychód in Polen) Busse werd in Lindenstadt bij Birnbaum geboren.

 

Zie voor de schrijvers van de 24e september ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Joke van Leeuwen, Mark Boog, A.L. Snijders, Alejandro Zambra, F. Scott Fitzgerald, Shamim Sarif

De Nederlandse dichteres, schrijfster, illustrator en cabaretière Johanna Rutgera van Leeuwen werd geboren op 24 september 1952 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Joke van Leeuwen op dit blog.

Melden

Is dus wel verplicht ja. In gebouw a staat b
als het daar niet tussen x en y uur dicht is
wegens middageten. Wat gemeld moet
want geweten: onder meer waarom niet
op de plaats gebleven, bewijs van nog
bestaan en mate van verstoren.

Is er een krijgen ook? Jazeker. Te noemen:
kansen. Maar hangt er wel van af. En wel.
Van af. Natuurlijk is er ook een wachten.
Er zijn rijen dus. Een rij is onvermijdelijk.
Een rij. Wordt genoeg afgehandeld? Schuiven
de wachtenden gestaag naar voren?

Men wordt verwerkt. Er wordt ingegrepen.
Maar melden moet eerst, want anders
geen beginnen aan. Ook niet ten overstaan
van wie bestaan ziet en in vel zal knijpen.
Vel telt niet. Nee. Helaas. Dus eerst bewijzen
er te zijn, want ooit te zijn geboren.

 

Daar

Hadden er lang naar gezocht, maar wat lag
het daar prachtig, precies op zijn plaats.
Overal groeisel, verschiet en bedoening.
Alles kon rijmen, ook als het niet.

Zaten daar gretig te willen ontvangen
aan lange ontsplinterde tafels waarop,
nog gesloten, schenkbaar te tillen getink.
Kregen te lezen wat eetbaar kon, drinkbaar kon,

alles beschreven. Keken soms over de regels heen,
zagen daar groeisel, verschiet en bedoening.
Iemand riep: Drinkt u maar, drink maar, ik
kom dalijk bij u! – terwijl hij verdween.

 

Opname

Uw bruikbaarste woorden zijn er bij gaan
liggen. Genoeg gebruikt, denken ze, neem maar
de onbeschadigde om te herhalen. Herhalen
doen ze op de televisie ook. Maar die
kapotte kleerhangers vraagtekens.

Wat het was waar u zich vijftig jaar
aan heeft geërgerd. Waar u uw man heeft
neergelegd. Er prijken al zo lang met haast
beschreven ansichtkaarten in uw territorium.
Mooie uitzichten, prachtige hoeheethet.

 
Joke van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952)

Continue reading “Joke van Leeuwen, Mark Boog, A.L. Snijders, Alejandro Zambra, F. Scott Fitzgerald, Shamim Sarif”

Hendrik Tollens, Fernand Ouellette, Yves Navarre, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Szilvia Molnar

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2010 en eveneens alle tags voor Hendrik Tollens op dit blog.

Geluk en deugd (Fragment)

de grijsaard
Och, meer niet dan een schone bloem,
maar die van verf verschiet,
verwaaiend loof is aardse Roem
en wat gij najaagt niet.-
’t Was ook ’t Geluk niet, neen voorwaar!
Die opschik droeg het nooit!
Dat droombeeld met juweel in ’t haar,
met loovren gouds bestrooid:
dat was de Rijkdom. – Arme dwaas
die, ’t hart vertuit aan pracht,
uit klei en mijnkloof zich, helaas!
’t geluk te delven tracht!
Neen, neen, mijn zoon! vertrouw op mij:
’t geluk stak nooit in ’t goud!
Het hang’ de pels u om de pij,
het laat u ’t harte koud.
Niet zoeter smaakt des levens zuur
schoon gij ’t uit zilver drinkt;
niet zachter valt hem ’t scheidensuur
wie op een goudbaar zinkt.
Neen, neen, mijn zoon! wat faalt en vliedt
wanneer gij ’t bijstand vraagt,
wat in de nood u ’t eerst verliet,
dat is ’t Geluk voorzeker niet,
waarnaar gij smacht en jaagt.
de jongeling
Maar dan die derde schoonheid toch,
slechts met een roos in ’t haar…?
Dát was voorzeker geen bedrog:
dát was ’t Geluk voorwaar!
Neen, nimmer joeg mij ’t hart zo snel
als toen dat beeld verscheen!
Dat is ’t Geluk! ik dacht het wel!
Ontdek mij ’t pad erheen.

 
Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)
Litho Rijswijk ca. 1840-’50. Links het huis waar Tollens vanaf 1846 tot zijn dood leefde.

Continue reading “Hendrik Tollens, Fernand Ouellette, Yves Navarre, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Szilvia Molnar”

Frances Harper

De Amerikaanse dichteres, schrijfster,suffragette en abolitioniste Frances Ellen Watkins Harper werd geboren in Baltimore op 24 september 1825 als enig kind van twee vrije zwarte ouders. Veel zwarte mensen waren in die tijd slaaf. Haar moeder overleed in 1828 toen Frances pas drie jaar oud was en ze werd opgevoed door haar moeders tante en oom, dominee William Watkins, een burgerrechtenactivist. Ze werd opgeleid in zijn Academy for Negro Youth en hij zou een belangrijke invloed hebben op haar leven en werk. Op 14-jarige leeftijd begon ze te werken als naaister. Haar eerste dichtbundel “Forest Leaves” werd gepubliceerd in 1845, haar tweede “Poems on Miscellaneous Subjects” (1854), was heel populair en werd in de loop van de volgende jaren verscheidene malen herdrukt. In 1859 werd haar kort verhaal “The Two Offers” gepubliceerd in Anglo-African Magazine, waardoor ze de eerste Afro-Amerikaanse vrouw was die een kort verhaal publiceerde.Drie van haar romans werden van 1868 tot 1888 als serie uitgebracht in het christelijk tijdschrift Christian Recorder. Haar bekendste werk “Iola Leroy” (alternatieve titel Shadows Uplifted) werd als roman in 1892 gepubliceerd, toen Harper 67 jaar oud was. Het werd lang beschouwd als de eerste roman, uitgebracht door een Afro-Amerikaanse auteur (latere onderzoeken vonden nog vroegere werken van Harriet E. Wilson en William Wells Brown). Naar de conventies van die tijd behandelde ze ernstige sociale kwesties zoals onderwijs voor vrouwen, rassenvermenging, passing, afschaffing van de slavernij, wederopbouw, matigheid met alcohol en sociale verantwoordelijkheid. In 1850 verhuisde Watkins naar Ohio waar ze de eerste vrouwelijke docent werd aan het Union Seminary. Frances Harper was een groot voorvechter van het abolitionisme en het vrouwenkiesrecht. Ze was ook actief in de Unitarian Church, die de afschaffing van de slavernij ondersteunde. Samen met Mary Church Terrell hielp Harper met de oprichting van de National Association of Colored Women (Nationale vereniging van gekleurde vrouwen) in 1896 en ze werd in 1897 verkozen tot vicepresident.

 

The Slave Auction

The sale began—young girls were there,
Defenseless in their wretchedness,
Whose stifled sobs of deep despair
Revealed their anguish and distress.

And mothers stood, with streaming eyes,
And saw their dearest children sold;
Unheeded rose their bitter cries,
While tyrants bartered them for gold.

And woman, with her love and truth—
For these in sable forms may dwell—
Gazed on the husband of her youth,
With anguish none may paint or tell.

And men, whose sole crime was their hue,
The impress of their Maker’s hand,
And frail and shrinking children too,
Were gathered in that mournful band.

Ye who have laid your loved to rest,
And wept above their lifeless clay,
Know not the anguish of that breast,
Whose loved are rudely torn away.

Ye may not know how desolate
Are bosoms rudely forced to part,
And how a dull and heavy weight
Will press the life-drops from the heart.

 

Learning to Read

Very soon the Yankee teachers
Came down and set up school;
But, oh! how the Rebs did hate it,—
It was agin’ their rule.

Our masters always tried to hide
Book learning from our eyes;
Knowledge did’nt agree with slavery—
’Twould make us all too wise.

But some of us would try to steal
A little from the book.
And put the words together,
And learn by hook or crook.

I remember Uncle Caldwell,
Who took pot liquor fat
And greased the pages of his book,
And hid it in his hat.

And had his master ever seen
The leaves upon his head,
He’d have thought them greasy papers,
But nothing to be read.

And there was Mr. Turner’s Ben,
Who heard the children spell,
And picked the words right up by heart,
And learned to read ’em well.

Well, the Northern folks kept sending
The Yankee teachers down;
And they stood right up and helped us,
Though Rebs did sneer and frown.

And I longed to read my Bible,
For precious words it said;
But when I begun to learn it,
Folks just shook their heads,

And said there is no use trying,
Oh! Chloe, you’re too late;
But as I was rising sixty,
I had no time to wait.

So I got a pair of glasses,
And straight to work I went,
And never stopped till I could read
The hymns and Testament.

Then I got a little cabin
A place to call my own—
And I felt independent
As the queen upon her throne.

 
Frances Harper (24 september 1825 – 25 februari 1911)