William Saroyan, Éric Zemmour, Wolfgang Hilbig, Elizabeth von Arnim, Théophile Gautier, Raymond P. Hammond

De Amerikaanse dichter en schrijver William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2010 en eveneens alle tags voor William Saroyan op dit blog.

Uit: The Daring Young Man on the Flying Trapez

“He (the living) dressed and shaved, grinning at himself in the mirror. Very unhandsome, he said; where is my tie? (He had but one.) Coffee and a gray sky, Pacific Ocean fog, the drone of a passing street car, people going to the city, time again, the day, prose and poetry. He moved swiftly down the stairs to the street and began to walk, thinking suddenly. It is only in sleep that we may know we live. There only, in that living death, do we meet ourselves and the far earth, God and the saints, the names of our fathers, the substance of remote moments: it is there that the centuries merge in the moment, that the vast becomes the tiny, tangible atom of eternity.
He walked into the day as alertly as might be, making a definite noise with his heels, perceiving with his eyes the superficial truth of streets and structures, the trivial truth of reality. Helplessly his mind sang, He flies through the air with the greatest of ease, the daring young man on the flying trapeze, then laughed with all the might of his being. It was really a splendid morning: gray, cold, and cheerless, a morning for inward vigor; ah, Edgar Guest, he said, how I long for your music.
In the gutter he saw a coin which proved to be a penny dated 1923, and placing it in the palm of his hand he examined it closely, remembering that year and thinking of Lincoln, whose profile was stamped upon the coin. There was almost nothing a man could do with a penny. I will purchase a motor-car, he thought. I will dress myself in the fashion of a fop, visit the hotel strumpets, drink and dine, and then return to the quiet. Or I will drop the coin into a slot and weigh myself.
It was good to be poor, and the Communists-but it was dreadful to be hungry. What appetites they had, how fond they were of food! Empty stomachs. He remembered how greatly he needed food. Every meal was bread and coffee and cigarettes, and now he had no more bread. Coffee without bread could never honestly serve as supper, and there were no weeds in the park that could be cooked as spinach is cooked.
If the truth were known, he was half starved, and there was still no end of books he ought to read before he died. He remembered the young Italian in a Brooklyn hospital, a small sick clerk named Mollica, who had said desperately, I would like to see California once before I die. And he thought earnestly, I ought at least to read Hamlet once again; or perhaps Huckleberry Finn.”

 
William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)
Standbeeld in Jerevan

Continue reading “William Saroyan, Éric Zemmour, Wolfgang Hilbig, Elizabeth von Arnim, Théophile Gautier, Raymond P. Hammond”

Sander Kok

De Nederlandse schrijver Sander Kok (ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Kok studeerde literatuurwetenschap en kunstgeschiedenis en liep vanaf 2006 een aantal seizoenen shows voor onder meer Armani. Ook speelde Sander Kok in campagnes voor Mercedes, Lacoste en Samsung. Voor zijn modellenwerk woonde hij in New York, Seoul en Milaan. In 2017 debuteerde hij met “de roman “Smeltende Vrouw. Naar aanleiding van het verschijnen van deze filosofische roman werd de schrijver opgenomen in de Jonge Schrijversgids van Vrij Nederland.

Uit: Smeltende vrouw

“De mens spreekt vooral om zijn eigen stem te horen. Hij wil zijn stem horen om te controleren of hij nog deugt. Hij probeert zijn stem zoals een metaalbewerker op een stalen buis slaat om te controleren of ze hol is of massief, terwijl hij wel weet dat ze hol is. De buurmannen Andriessen en Reukens kenden elkaar al jaren, zonder ooit elkaar gesproken te hebben. Volgens Reukens lag dat aan de moderne tijd; de mensen spraken niet meer met elkaar. Als dat anders was geweest, wist hij, zou hij de eerste zijn om aan het gebruik een einde te maken — maar die waarheid hield hij in het onderste van zijn bewustzijn verborgen, als een vies tijdschrift dat onder op de stapel ligt en slechts eens in de zoveel tijd wordt opgepakt. Andriessen vond er niets van, hij hoefde niet zo graag te praten, met niemand eigenlijk, althans niet per se. De toevallige luisteraar was genoeg. Daarbij: hij dacht er niet eens over na. De buurman was zwijgzaam, zoveel was duidelijk, en dat was dat. Als de buurman niet sprak, waarom zou hij dan zelf spreken? Maar Reukens vond het vervelend. Elke keer dat hij Leo Andriessen zag, en ze zich binnen gehoorsafstand van elkaar bevonden, moest hij voorwenden met iets anders bezig te zijn, omdat het vreemd was om nu, na al die tijd, ineens tegen de buurman te praten. In de tien jaar dat Reukens en Andriessen in hun vrijstaande huizen naast elkaar woonden, was het contact nooit verder gekomen dan een klungelig handopsteken van een afstand: een groet in stilte, liefst zonder oogcontact, en in voorgewende drukte uitgevoerd. De echtgenote van de buurman, die door hem ‘Bella’ werd genoemd, was een slanke veertiger die zich buiten meestal op hoge hakken vertoonde. Ze liep altijd rechtop, de kin iets geheven. Naar de heersende maatstaven, dacht Reukens, was ze waarschijnlijk mooi, maar ze was het tegendeel van de vrouw die hem aantrok. Bella leek hem een barse vrouw. Bars, ja: een woord dat eigenlijk een man paste, maar misschien nog beter bij de agressieve, harde, afgelakte vrouwelijkheid van de buurvrouw. Bij haar man was ze anders. De strengheid in haar gezicht maakte plaats voor spot, maar een milde, haast lieve spot, een angstige spot ook, die zich nooit volledig als spot durfde te uiten. In de buurt van haar man kregen Bella’s bewegingen iets afwachtends en als zij dan bewoog, leek de beweging altijd in dienst van zijn wensen te staan.”

 
Sander Kok (Arnhem, 31 augustus 1981)

Dolce far niente, James Whitcomb Riley, Charles Reznikoff, François Cheng, Jiří Orten, Libuše Moníková, Mary Wollstonecraft Shelley

Dolce far niente

 

 
Streets in Late August door Daniel Robbins, 2013

 

August

A day of torpor in the sullen heat
Of Summer’s passion: In the sluggish stream
The panting cattle lave their lazy feet,
With drowsy eyes, and dream.

Long since the winds have died, and in the sky
There lives no cloud to hint of Nature’s grief;
The sun glares ever like an evil eye,
And withers flower and leaf.

Upon the gleaming harvest-field remote
The thresher lies deserted, like some old
Dismantled galleon that hangs afloat
Upon a sea of gold.

The yearning cry of some bewildered bird
Above an empty nest, and truant boys
Along the river’s shady margin heard–
A harmony of noise–

A melody of wrangling voices blent
With liquid laughter, and with rippling calls
Of piping lips and thrilling echoes sent
To mimic waterfalls.

And through the hazy veil the atmosphere
Has draped about the gleaming face of Day,
The sifted glances of the sun appear
In splinterings of spray.

The dusty highway, like a cloud of dawn,
Trails o’er the hillside, and the passer-by,
A tired ghost in misty shroud, toils on
His journey to the sky.

And down across the valley’s drooping sweep,
Withdrawn to farthest limit of the glade,
The forest stands in silence, drinking deep
Its purple wine of shade.

The gossamer floats up on phantom wing;
The sailor-vision voyages the skies
And carries into chaos everything
That freights the weary eyes:

Till, throbbing on and on, the pulse of heat
Increases–reaches–passes fever’s height,
And Day sinks into slumber, cool and sweet,
Within the arms of Night.

 

 
James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916)
Greenfield, Indiana, de geboorteplaats van James Whitcomb Riley

Continue reading “Dolce far niente, James Whitcomb Riley, Charles Reznikoff, François Cheng, Jiří Orten, Libuše Moníková, Mary Wollstonecraft Shelley”

Dolce far niente, Jennifer Grotz, Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, John Edward Williams, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn

Dolce far niente

 

 
Summer in the city (Cityscape 12) door Darren Thompson, 2012

 

Late Summer

Before the moths have even appeared
to orbit around them, the streetlamps come on,
a long row of them glowing uselessly

along the ring of garden that circles the city center,
where your steps count down the dulling of daylight.
At your feet, a bee crawls in small circles like a toy unwinding.

Summer specializes in time, slows it down almost to dream.
And the noisy day goes so quiet you can hear
the bedraggled man who visits each trash receptacle

mutter in disbelief: Everything in the world is being thrown away!
Summer lingers, but it’s about ending. It’s about how things
redden and ripen and burst and come down. It’s when

city workers cut down trees, demolishing
one limb at a time, spilling the crumbs
of twigs and leaves all over the tablecloth of street.

Sunglasses! the man softly exclaims
while beside him blooms a large gray rose of pigeons
huddled around a dropped piece of bread.

 

 
Jennifer Grotz (Canyon, 11 juli 1971)
Canyon, Randall County Courthouse. Jennifer Grotz werd geboren in Canyon.

Continue reading “Dolce far niente, Jennifer Grotz, Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, John Edward Williams, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn”

Oliver Wendell Holmes Sr.

De Amerikaanse dichter, schrijver, arts en hoogleraar Oliver Wendell Holmes Sr. werd geboren in Cambridge op 29 augustus 1809. Hij was de vader van de jurist Oliver Wendell Holmes Jr. Holmes stond aan de basis van de moderne Amerikaanse geneeskunde en werd tezelfdertijd hooglijk als literator gewaardeerd. Zijn collega’s noemden hem zelfs een van de beste schrijvers van de 19e eeuw. Hij maakte deel uit van de groep Fireside Poets, samen met Henry Wadsworth Longfellow, William Cullen Bryant, John Greenleaf Whittier en James Russell Lowell. Een van zijn bekendste prozawerken is de serie “Breakfast-Table”, die hij in 1858 begon te publiceren in het maandblad The Atlantic Monthly. Hij nam ook deel aan debatten over geneeskunde en literatuur, theologie, psychologie en natuurwetenschappen. Door zijn redenaarstalent en humor werd hij veel gevraagd om publieke toespraken te houden bij banketten en andere gelegenheden, een rol die later overgenomen werd door Mark Twain.

 

The Last Reader

I sometimes sit beneath a tree
And read my own sweet songs;
Though naught they may to others be,
Each humble line prolongs
A tone that might have passed away
But for that scarce remembered lay.

I keep them like a lock or leaf
That some dear girl has given;
Frail record of an hour, as brief
As sunset clouds in heaven,
But spreading purple twilight still
High over memory’s shadowed hill.

They lie upon my pathway bleak,
Those flowers that once ran wild,
As on a father’s careworn cheek
The ringlets of his child;
The golden mingling with the gray,
And stealing half its snows away.

What care I though the dust is spread
Around these yellow leaves,
Or o’er them his sarcastic thread
Oblivion’s insect weaves
Though weeds are tangled on the stream,
It still reflects my morning’s beam.

And therefore love I such as smile
On these neglected songs,
Nor deem that flattery’s needless wile
My opening bosom wrongs;
For who would trample, at my side,
A few pale buds, my garden’s pride?

It may be that my scanty ore
Long years have washed away,
And where were golden sands before
Is naught but common clay;
Still something sparkles in the sun
For memory to look back upon.

And when my name no more is heard,
My lyre no more is known,
Still let me, like a winter’s bird,
In silence and alone,
Fold over them the weary wing
Once flashing through the dews of spring.

Yes, let my fancy fondly wrap
My youth in its decline,
And riot in the rosy lap
Of thoughts that once were mine,
And give the worm my little store
When the last reader reads no more!

 
Oliver Wendell Holmes Sr. (29 augustus 1809 – 7 oktober 1894)

Dolce far niente, Friedrich Hebbel, Johann Wolfgang von Goethe, Maria Barnas, A. Moonen, C. J. Kelk, Frederick Kesner

Dolce far niente

 

 
De rozentuin in Wargemont door Pierre Auguste Renoir, 1879

 

Sommerbild

Ich sah des Sommers letzte Rose stehen,
Sie war, als ob sie bluten könnte, rot
Da sprach ich schaudernd im Vorübergehen:
So weit im Leben, ist zu nah dem Tod!

Es regte sich kein Hauch am heißen Tag,
Nur leise strich ein weißer Schmetterling;
Doch, ob auch kaum die Luft sein Flügelschlag
bewegte, sie empfand es und verging.

 

 
Friedrich Hebbel (18 maart 1813 – 13 december 1863)
Wesselburen, de geboorteplaats van Friedrich Hebbel

Continue reading “Dolce far niente, Friedrich Hebbel, Johann Wolfgang von Goethe, Maria Barnas, A. Moonen, C. J. Kelk, Frederick Kesner”

Harro Harring

De Duitse dichter, schilder en revolutionair Harro Paul Harring werd geboren op 28 augustus 1798 op de Ibenshof in Wobbenbüll in Noord-Friesland, Hij was de jongste zoon van boer Harro Wilhelm Martens en zijn vrouw Margarethe Dorothea Sievers. Zijn vader werd later dijkmeester. Hij stierf in 1810, zodat Harro een halfwees werd. Bij het douanekantoor in Husum werd hij eerst tot klerk opgeleid.. Rond 1817 ontstond het verlangen om schilder te worden en ging hij studeren aan de kunstacademie in Kopenhagen en Dresden. Daar leerde hij Johan Christian Dahl kennen waarmee een vriendschap ontstond. Door contacten met de radicale vleugel van de Duitse studentenbond werd hij blijvend beïnvloed in zijn politieke denken. In 1819 werd hij lid van de Alte Dresdener Burschenschaft/Concordia. Hij was ook korte tijd lid van de Vrijmetselaarsloge Apollo in Leipzig. In 1820 bracht hij twee maanden door in Wenen, vervolgens ging hij naar Kopenhagen. In 1821 trad hij toe tot het Philhelleense Legioen en wilde deelnemen aan de Griekse strijd voor vrijheid tegen de Turken. In januari 1822 voer hij per schip vanuit Marseille naar Griekenland. Teleurgesteld vanwege de passiviteit van de Grieken, ging hij naar Italië en kwam hij in contact met de Duitse kunstenaarskolonie in Rome. Na een ontmoeting met de Engelse dichter Lord Byron probeerde Harring in München, waar hij van eind 1822 tot 1826 leefde, een ​​burgerlijk bestaan ​​op te bouwen en schreef hij drama’s voor het theater. Hij werkte vervolgens van 1826 tot 1827 als dramaturg in Wenen en werd uiteindelijk als demagoog door de regering Metternich verbannen. Toen de bevrijding van de Griekse vrijheidsstrijder Ypsilanti uit de kleine vesting Theresienstadt niet lukte, vluchtte hij naar München, waar hij Heinrich Heine en de Vormärzpoliticus Georg Fein ontmoette, met wie hij later bevriend raakte. In de jaren 1828-1830 diende Harring als officier in een Russisch regiment in Warschau. Hij werd een “professionele revolutionair”, die o.a. deelnam aan de juli-revolutie van 1830 in Leipzig en Brunswick. Met krantenbijdragen, pamfletten, gedichten en romans voerde hij campagne voor onderdrukte volken. Zijn geschriften waren gedeeltelijk verboden en hij zelf werd meerdere malen gearresteerd en verbannen. Het idee om de mensen te bevrijden van hun afhankelijkheid werd een idee fixe. Harring reisde in 1840 naar Rio de Janeiro en voerde campagne voor de bevrijding van de slaven. Als medestrijder van Giuseppe Garibaldi wilde hij ook de oprichting van de Verenigde Staten van Zuid-Amerika realiseren. In 1843 vestigde hij zich als schrijver en schilder in New York. Bij het nieuws van het uitbreken van de Maartrevolutie in 1848 in Duitsland keerde hij terug naar Europa. Een van de hoogtepunten in zijn leven was zijn toespraak tot de Noord-Friezen op de Bredstedter markt op 23 juli 1848. Hij probeerde vergeefs een ​​Noord-Friese Vrijstaat uit te roepen; sinds 2016 herdenkt een “tijdvenster” op het marktplein in Bredstedt deze gebeurtenis. In Rendsburg was hij verantwoordelijk redacteur van de democratisch-republikeinse krant Das Volk. De laatste jaren van zijn leven bracht hij in volledige armoede en isolement door op het kanaaleiland Jersey. Hij was ziek en leed aan paranoia. Op de leeftijd van 71 jaar maakt hij zelf een einde aan zijn leven.

Uit: Die Schwarzen von Giessen, oder der Deutsche Bund

„Trägt er das eiserne Kreuz?” fragte Laura rasch, indem sie nachsinnend stehen blieb. „Darnach habe ich noch nicht gesehen, aber es wäre mir doch schon in die Augen gefallen, wenn er es an sich hätte,” meinte die Alte. „Bitte, Frau Garda! Sie müssen sich umkleiden” — fuhr Laura zu ihrer Erzieherin fort. „Sie müssen den Fremden empfangen — ich bin begierig, zu wissen, wer das seyn mag.” Nicht unangenehm beschäftigt durch diesen Besuch in ihrer ländlichen Einsamkeit, eilten die Damen auf ihre Zimmer. Es war keine halbe Stunde vergangen, als ein alter Diener, ebenfalls eine Erscheinung aus dem vorigen Jahrhundert zu dem Unbekannten ins Fremdenzimmer trat und ihn ersuchte, sich zur Frau Garda in das Visitenzimmer zu verfügen. In den Willen des Schicksals ergeben, dem sich der Flüchtling unbedingt anheimgestellt, folgte er der verschossenen Livré an besagten Ort. > Die Frau Garda, welche das Benehmen einer Dame vom Stande seit länger als funfzig Jahren an vorzüglichen Vorbildern im Gouvernantenleben studiert hatte, blieb vornehm in der Mitte des Zimmers stehen, als der Gast die Schwelle betrat und sich kaum merklich verbeugend, (denn sein Nacken war dieser Bewegung entwöhnt,) mit bescheidenem Gruße zu erkennen gab: „Ich hatte die Ehre, unter dem Befehl des Herrn Obristen meinen ersten Feldzug zu bestehen; damals war der Herr Obrist noch Hauptmann und führte die Copragnie.” „Es wird dem Herrn Obristen recht sehr angenehm seyn, Sie so unerwartet auf Urstein zu sehen,” erwiederte die Frau Garda, indem sie nicht ohne Grazie einen Wink zum Sitzen gab, und das Canapee einnahm. „Sie stehen vielleicht noch in Diensten —? Darf ich bitten — welche Charge führen Sie?” Der Schwarze schüttelte seine langen Locken, die füglich schon im Voraus jene Frage verneinten. „Meine Charge ist keine militärische,” war die Antwort. „Ich war Gemeiner aus freiem Willen, Madam! und ward Officier, als die Kugel um mich her das Avacement beförderte.”
„Gemeiner!” entgegnete die Frau Garda lang, sam, und betrachtete das Antlitz des Unbekanten um so aufmerksamer, indem sie keine Spur von Gemeinheit in seinen großartigen Zügen fand. ,Mon Dieu!” begann sie nach kurzer Betrachtung — „Es ist zwar kein Compliment, wenn man Jemanden sagt, schon irgendwo eine seltsame Aehnlichkeit seiner Physiognomie gesehen zu haben — allein, jedoch — Verzeihen Sie mir die Behauptung — es ist mir durchaus, als wären Mir Ihre Züge nicht unbekannt —” „Es giebt der menschlichen Gesichter in großer Auswahl, Madam, und daher ist es gar leicht möglich, daß ein Duplikat meines Angesichts irgendwo vorhanden.” Frau Garda wurde immer mehr nachdenkend und konnte nicht länger umhin, sich über das strenge Incognito des Fremden mit dem Fräulein zu berathen, worauf sie die Existenz der Tochter vom Hause (wie sie sie nannte) berührte, und um die Erlaubniß bat, dieselbe zu dem Emgfange des Ankömmlings herzuführen.“

 
Harro Harring (28 augustus 1798 – 15 mei 1870)