Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher, Guillermo Martínez, Marja Brouwers, Wolfgang Bittner

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: De ontdekking van de hemel

“Nooit gaf Onno antwoord op belangstellende vragen naar zijn ontdekking. ‘Lees dat maar na,’ placht hij te zeggen, ‘in de Journal of Near Eastern Studies. Ik maak geen overuren.’ Maar nu, op Max’ vraag hoe hij dat schrift ontcijferd had, legde hij geduldig uit dat er geen sprake was van ontcijferen, aangezien het sinds jaar en dag leesbaar was. Het bestond in grote trekken uit het griekse alfabet, maar het was geen grieks, het was onbegrijpelijk. Het was zoals wanneer iemand die geen grieks kende, het griekse alfabet leerde en dan zou proberen de Ilias te lezen. De etrusken waren een italisch volk, doceerde hij, dat in het huidige Toscane leefde: Tusci noemden de romeinse veroveraars hen. Het latijn zat vol etruskische leenwoorden, zoals persona voor ‘masker’, maar verder was alleen van een paar woorden de betekenis bekend, zoals van die voor ‘god’, ‘vrouw’, ‘zoon’. Het probleem was, dat een lange bilingue ontbrak, zoals Champollions Steen van Rosette, met eenzelfde tekst in het etruskisch en in een bekende taal. Zij hadden dus iets met de grieken te maken, en tegelijk had hun taal niets te maken met het grieks. Zij schreven hun taal fonetisch met griekse letters, zoals gymnasiasten uit de eerste klas met hun naam deden, en zoals nederlanders deden met latijnse letters. Het volk kwam omstreeks de negende eeuw voor Christus dus ergens vandaan, waar ook grieken waren. Maar — en dat was de beslissende inval — het was natuurlijk ook mogelijk, dat de grieken ooit hun alfabet van de etrusken hadden overgenomen, om daarmee fonetisch hun eigen taal te schrijven: grieks dus. Dat was natuurlijk te gek om los te lopen; maar langs die weg, gesteund door allerlei archaeologische overwegingen, kwam hij terecht bij de kretische talen: lineair-B uit de vijftiende eeuw voor Christus, vijftien jaar geleden door wijlen zijn collega Michael Ventris ontcijferd, en lineair-A uit de achttiende eeuw, —waarachter weer semitische oorsprongen schuilgingen… ‘Kortom, mijn beste Watson,’ zei hij, toen zij Schiphol passeerden, ‘door combineren en deduceren en een hoop geluk en wijsheid kwam ik er achter. De hooggeleerde Pellegrini beschouwt mij weliswaar nog steeds als een fantast en een charlatan, maar dat wijst voornamelijk op zijn autistische aard.’ Wat heb je gestudeerd?’ `Rechten.’ `Rechten?’ ‘Dat is een familiekwaal.’ ‘Maar al die talen…’ ‘Liefhebberij. Ik ben een amateur, net als de grote Ventris, die was architect van huis uit. Als het moet, leer ik een taal in een maand. Ik kon al lezen toen ik drie was.’ ‘Hoeveel talen beheers je dan?’ ‘In tellen ben ik slecht. Dat lijkt mij meer iets voor jou. Hoeveel sterren zijn er?’ ‘We hebben ze nog niet allemaal geteld. Het aantal is trouwens niet constant.“

 
Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)
Affiche voor de film

Continue reading “Harry Mulisch, Chang-Rae Lee, Thomas Rosenlöcher, Guillermo Martínez, Marja Brouwers, Wolfgang Bittner”

Stanley Kunitz, Sten Nadolny, Eyvind Johnson, Michail Zostsjenko, August Stramm, Walter van den Berg

De Amerikaanse dichter en vertaler Stanley Jasspon Kunitz werd geboren in Worcester, Massachusetts, op 29 juli 1905. Zie ook alle tags voor Stanley Kunitz op dit blog en ook mijn blog van 29 juli 2010

The Layers

I have walked through many lives,
some of them my own,
and I am not who I was,
though some principle of being
abides, from which I struggle
not to stray.
When I look behind,
as I am compelled to look
before I can gather strength
to proceed on my journey,
I see the milestones dwindling
toward the horizon
and the slow fires trailing
from the abandoned camp-sites,
over which scavenger angels
wheel on heavy wings.
Oh, I have made myself a tribe
out of my true affections,
and my tribe is scattered!
How shall the heart be reconciled
to its feast of losses?
In a rising wind
the manic dust of my friends,
those who fell along the way,
bitterly stings my face.
Yet I turn, I turn,
exulting somewhat,
with my will intact to go
wherever I need to go,
and every stone on the road
precious to me.
In my darkest night,
when the moon was covered
and I roamed through wreckage,
a nimbus-clouded voice
directed me:
“Live in the layers,
not on the litter.”
Though I lack the art
to decipher it,
no doubt the next chapter
in my book of transformations
is already written.
I am not done with my changes.

 
Stanley Kunitz (29 juli 1905 – 14 mei 2006)

Continue reading “Stanley Kunitz, Sten Nadolny, Eyvind Johnson, Michail Zostsjenko, August Stramm, Walter van den Berg”