Nikolaus Lenau, Jhumpa Lahir, Jane Gardam

Dolce far niente

 

 
Na de regen door German Tatarinov, 1980

 

Stimme des Regens

Die Lüfte rasten auf der weiten Heide,
Die Disteln sind so regungslos zu schauen,
So starr, als wären sie aus Stein gehauen,
Bis sie der Wandrer streift mit seinem Kleide.

Und Erd und Himmel haben keine Scheide,
In eins gefallen sind die nebelgrauen,
Zwei Freunden gleich, die sich ihr Leid vertrauen,
Und Mein und Dein vergessen traurig beide.

Nun plötzlich wankt die Distel hin und wider,
Und heftig rauschend bricht der Regen nieder,
Wie laute Antwort auf ein stummes Fragen.

Der Wandrer hört den Regen niederbrausen,
Er hört die windgepeitschte Distel sausen,
Und eine Wehmut fühlt er, nicht zu sagen.

 

 
Nikolaus Lenau (13 augustus 1802 – 22 augustus 1850)
Lenauheim (Hongaars Csatád) Nikolaus Lenau werd geboren in Lenauheim.

Doorgaan met het lezen van “Nikolaus Lenau, Jhumpa Lahir, Jane Gardam”

E.B. White

De Amerikaanse schrijver publicist, essayist Elwyn Brooks (E.B.) White werd op 11 juli 1899 geboren in Mount Vernon, New York, als zoon van een pianohandelaar. White studeerde kunstgeschiedenis aan de Cornell-universiteit te New York. Na zijn studie werd hij journalist en redacteur bij diverse bladen en kranten, vanaf 1925 bij het bekende tijdschrift The New Yorker, waar hij naam maakte met uiterst gevarieerde essays, satirische bijdragen en commentaren. White had ook veel succes als schrijver, voor volwassenen (onder andere schreef hij het Freudiaans-satirische Is Sex Necessary? Or, Why You Feel the Way You Do, 1929), maar vooral als auteur van kinderboeken. Het meest bekend zijn “Charlotte’s Web” (1952, over de vriendschap tussen een varkentje en een spin op een boerderij) en “Stuart Little” (1945, over een muisje geboren uit menselijke ouders). “Charlotte’s Web” (1973) en “Stuart Little’ (2000) werden beide succesvol verfilmd. White kreeg in 1978 de Pulitzerprijs voor zijn volledige oeuvre. Hij overleed in zijn eigen huis na een lange strijd tegen de ziekte van Alzheimer.

Uit:Charlotte’s Web

“I’m staying right here,” grumbled the rat. “I haven’t the slightest interest in fairs.”
“That’s because you’ve never been to one,” remarked the old sheep .
“A fair is a rat’s paradise. Everybody spills food at a fair. A rat can creep out late at night and have a feast. In the horse barn you will find oats that the trotters and pacers have spilled. In the trampled grass of the infield you will find old discarded lunch boxes containing the foul remains of peanut butter sandwiches, hard-boiled eggs, cracker crumbs, bits of doughnuts, and particles of cheese. In the hard-packed dirt of the midway, after the glaring lights are out and the people have gone home to bed, you will find a veritable treasure of popcorn fragments, frozen custard dribblings, candied apples abandoned by tired children, sugar fluff crystals, salted almonds, popsicles,partially gnawed ice cream cones,and the wooden sticks of lollypops. Everywhere is loot for a rat–in tents, in booths, in hay lofts–why, a fair has enough disgusting leftover food to satisfy a whole army of rats.”
Templeton’s eyes were blazing.
” Is this true?” he asked. “Is this appetizing yarn of yours true? I like high living, and what you say tempts me.”
“It is true,” said the old sheep. “Go to the Fair Templeton. You will find that the conditions at a fair will surpass your wildest dreams. Buckets with sour mash sticking to them, tin cans containing particles of tuna fish, greasy bags stuffed with rotten…”
“That’s enough!” cried Templeton. “Don’t tell me anymore I’m going!”
(…)

“This is a very serious thing, Edith,” he replied. “Our pig is completely out of the ordinary.” “What’s unusual about the pig?” asked Mrs. Zuckerman, who was beginning to recover from her scare. “Well, I don’t really know yet,” said Mr. Zuckerman. “But we have received a sign, Edith—a mysterious sign. A miracle has happened on this farm. There is a large spider’s web in the doorway of the barn cellar, right over the pigpen, and when Lurvy went to feed the pig this morning, he noticed the web because it was foggy, and you know how a spider’s web looks very distinct in a fog. And right spang in the middle of the web there were the words ‘Some Pig.’ The words were woven right into the web. They were actually part of the web, Edith. I know, because I have been down there and seen them. It says, ‘Some Pig,’ just as clear as clear can be. There can be no mistake about it. A miracle has happened and a sign has occurred here on earth, right on our farm, and we have no ordinary pig.” “Well,” said Mrs. Zuckerman, “it seems to me you’re a little off. It seems to me we have no ordinary spider.” “Oh, no,” said Zuckerman. “It’s the pig that’s unusual. It says so, right there in the middle of the web.” “Maybe”

 
E.B. White (11 juli 1899 – 1 oktober 1985)

Jennifer Grotz

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jennifer Grotz werd geboren op 11 juli 1971 in Canyon, Texas. Zij groeide op in kleine stadjes in Texas maar woonde ook lang in Frankrijk en Polen, waarvan haar gedichten getuigen. Grotz behaalde diploma’s aan de Tulane University (BA), de Indiana University (MA en MFA), en de Universiteit van Houston (PhD). Zij studeerde ook literatuur aan de Universiteit van Parijs (La Sorbonne), waar ze haar interesse voor het vertalen van Franse Poëzie ontdekte. Haar gedichten, vertalingen en recensies zijn verschenen in vele literaire tijdschriften en bladen, en haar werk is opgenomen in Best American Poetry. Zij is de eerste vrouw die leiding gaf aan de Breadloaf Writers Conferences. Grotz doceert Engels en creatief schrijven aan de Universiteit van Rochester.

 

Poppies

There is a sadness everywhere present
but impossible to point to, a sadness that hides in the world
and lingers. You look for it because it is everywhere.
When you give up, it haunts your dreams
with black pepper and blood and when you wake
you don’t know where you are.

But then you see the poppies, a disheveled stand of them.
And the sun shining down like God, loving all of us equally,
mountain and valley, plant, animal, human, and therefore
shouldn’t we love all things equally back?
And then you see the clouds.

The poppies are wild, they are only beautiful and tall
so long as you do not cut them,
they are like the feral cat who purrs and rubs against your leg
but will scratch you if you touch back.
Love is letting the world be half-tamed.
That’s how the rain comes, softly and attentively, then

with unstoppable force. If you
stare upwards as it falls, you will see
they are falling sparks that light nothing only because
the ground interrupts them. You can hear the way they’d burn,
the smoldering sound they make falling into the grass.

That is a sound for the sadness everywhere present.
The closest you have come to seeing it
is at night, with the window open and the lamp on,
when the moths perch on the white walls,
tiny as a fingernail to large as a Gerbera daisy
and take turns agitating around the light.

If you grasp one by the wing,
its pill-sized body will convulse
in your closed palm and you can feel the wing beats
like an eyelid’s obsessive blinking open to see.
But now it is still light and the blackbirds are singing
as if their voices are the only scissors left in this world.

 

 
Jennifer Grotz (Canyon, 11 juli 1971)

Ann De Craemer

Onafhankelijk van geboortedata

De Vlaamse schrijfster Ann De Craemer werd geboren in Tielt in 1981. De Craemer studeerde Germaanse taal- en letterkunde en behaalde een master in amerikanistiek. In 2010 debuteerde ze als auteur met “Duizend-en-één dromen. Een reis langs de Trans-Iraanse Spoorlijn”, een journalistiek boek over de presidentsverkiezingen van 2009 in Iran. Haar eerste prozawerk volgde in 2011 met “Vurige tong”, waarin ze vertelt over haar katholieke jeugd in West-Vlaanderen. Het boek werd in het juryrapport van de Debuutprijs 2012 vermeld als runner-up. In hetzelfde jaar publiceerde ze ook “Het kleine zwarte visje”, een bewerking van een kinderverhaal van de Iraanse schrijver Samad Behrangi. In 2012 schreef ze de roman “De seingever”. In 2014 kwam “Kwikzilver” uit dat gaat over haar grootmoeder die op het Vlaamse platteland leefde. De Craemer is tevens actief als columniste voor de krant De Morgen. In 2012 nam ze deel aan de tv-quiz De Slimste Mens ter Wereld.

Uit: Vurige tong

“Mijn laatste Goede Vrijdag in het Sint-Jozefsinstituut begon net als de vijf die eraan voorafgingen. Door het raam keek ik naar de wijzers van de klok van de Onze- Lieve-Vrouwekerk. Het was halfdrie. Tijd om naar de schoolkapel te gaan. In rijen van twee daalden we de trappen af. Zwijgend, want het was onze taak droevig te zijn om wat straks stond te gebeuren. Beneden, op de grote betonnen speelplaats, wachtte zuster Francis ons op. Het was nog geen zomer, dus ze droeg haar donkerbruine nylonkousen, zwarte platte sandalen met dunne riempjes, een donkerblauwe rok tot halverwege de kuiten (die onvermoed sexy vrouwelijke lichaamsdelen), een witte blouse waarop een groot kruis hing te bengelen en een donkerblauw gilet. Toch zag ze er vandaag anders uit. Terwijl ze haar natuurlijke gezag altijd kracht bijzette door haar hoofd hoog in de lucht te houden, richtte ze haar blik nu strak op de grijze tegels, de mondhoeken net geen negentig graden naar beneden gekruld. Het moment van rouw was aangebroken. Bijna, bijna was het drie uur. De spanning steeg.
We volgden haar naar de kapel, waar het halfduister was. Ook de grote paaskaars was gedoofd, maar toch zag ik het al van ver opnieuw in zijn volle glorie, gruwel en grootheid: het koperen kruisbeeld. Ik ging zitten en wendde mijn blik af. Nog niet aan denken, aan de beproeving die straks zou komen, aan Mijn Lijden Omdat Ook Christus Heeft Geleden.
Juffrouw Lieve, onze eigen lerares van de zesde klas, moest zich straks weer van haar jaarlijkse taak kwijten. Ze deed het altijd met overtuiging en kon zich een heel vroom gezicht aanmeten, hoewel ze een paar maanden voordien over zuster Francis uit de biecht had geklapt toen ze ons vol trots het hartje liet zien dat aan de halsketting bengelde die ze onder haar kleren droeg. Onder, inderdaad, want met de man die ze beminde was ze niet getrouwd, dus moest het gouden bewijs van zijn liefde verborgen blijven. Dat moest van zuster Francis, die het hartje één keer had opgemerkt, en na dit verhaal werden de wangen van juffrouw Lieve vuurrood en zei ze dat we aan niemand mochten verklappen dat ze haar geheim met ons had gedeeld. Zij geloofde, in tegenstelling tot haar oversten, wel nog in jeugdige onschuld, al had ze natuurlijk beter moeten weten, want nog geen halve dag nadat ze ons in vertrouwen had genomen gonsde het hartjesverhaal de hele school rond.”

 
Ann De Craemer (Tielt, 1981)