Aimé Césaire, Jacqueline van der Waals, Yves Beauchemin, Elisabeth Büchle, Laurie Lee, Pearl S. Buck, Stefan Andres, Martin Andersen-Nexø, Branwell Brontë

De Afrocaraïbische schrijver en politicus Aimé Césaire werd geboren op 26 juni 1913 in Basse-Pointe, Martinique. Zie ook alle tags voor Aimé Césaire op dit blog.

It is Myself, Terror, It is Myself

Stranded dried up dreams flush with the muzzles of rivers create
formidable piles of mute bones
the too swift hopes crawl scrupulously
like tamed snakes
one does not leave one never leaves
as for me I have halted, faithful, on the island
standing like Prester John slightly sideways to the sea
and sculptured at snout level by waves and bird droppings
things things it is to you that I give
my crazed violent face ripped open in the whirlpool’s depths
my face tender with fragile coves where lymphs are warming
it is myself terror it is myself
the brother of this volcano which certain without saying a word
ruminates an indefinable something that is sure
and passage as well for birds of the wind
which often stop to sleep for a season
it is thyself sweetness it is thyself
run through by the eternal sword
and the entire day advancing
branded with the red-hot iron of foundered things
and of recollected sun

 

. . . On the State of the Union

I imagine this message in Congress on the state of the Union:
situation tragic,

left underground only 75 years of iron
50 years of cobalt
but 55 years worth of sulfur and 20 of bauxite
in the heart what?
Nothing, zero,
mine without ore,
cavern in which nothing prowls,
of blood not a drop left.

 

Vertaald door Clayton Eshleman en Annette Smith

 
 Aimé Césaire (26 juni 1913 – 17 april 2008)

Doorgaan met het lezen van “Aimé Césaire, Jacqueline van der Waals, Yves Beauchemin, Elisabeth Büchle, Laurie Lee, Pearl S. Buck, Stefan Andres, Martin Andersen-Nexø, Branwell Brontë”

Annie Salomons

De Nederlandse schrijfster, dichteres en vertaalster Annie Salomons (eigenlijk Anna Maria Francisca van Wageningen-Salomons) werd geboren in Rotterdam op 26 juni 1885. Annie Salomons haalde haar HBS-diploma in 1901. Als extraneus aan het Erasmiaans Gymnasium behaalde zij in 1905 het diploma gymnasium-alfa, waarna zij Nederlandse letteren studeerde, eerst in Leiden (1905-1907), later in Utrecht. Zij beëindigde in 1910 de studie voortijdig. Daarna woonde zij bij haar ouders tot aan haar huwelijk op 27 november 1924 met de jurist Henri (Han) van Wageningen. Van 1924 tot 1927 verbleven zij in Medan op Sumatra, in Nederlands-Indië. Han van Wageningen kon een goede carrière maken bij de Rechterlijke Macht, maar Annie Salomons verdroeg de hitte slecht. Na drie jaar keerden zij terug naar Nederland om zich in Den Haag te vestigen, waar Van Wageningen tot rechter was benoemd. Salomons werkte al vroeg mee aan tal van tijdschriften. Onder invloed van de Tachtigers en aangemoedigd door Johan de Meester sr. was zij aanvankelijk dichteres. Later maakte zij echter vooral naam door haar romans. Salomons heeft de vele groten van de generatie na Tachtig persoonlijk gekend: Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden, Louis Couperus, J.H. Leopold, P.C. Boutens, Nico van Suchtelen, Carel Gerretson (Geerten Gossaert), Slauerhoff, J.C. Bloem en Adriaan Roland Holst. Van de schrijfsters kende zij vooral Top Naeff, Ina Boudier-Bakker, Carry van Bruggen en Margo Scharten-Antink. Verder de Vlamingen August Van Cauwelaert, Felix Timmermans, Karel van de Woestijne en Herman Teirlinck. Al deze ontmoetingen maakten indruk op Salomons en velen werden door haar bewonderd. In “Herinneringen uit de oude tijd aan schrijvers, die ik persoonlijk heb gekend” vertelt zij over deze kleurrijke mensen die haar leven en werken hebben beïnvloed en gevormd.

 

Zigeunerweisen van Sarasate

De klanken klagen door den zwaren nacht
Hun zoelen zang van ongetroost verlangen….

Ik bid je, leg je hand niet aan mijn wangen,
Ook ik heb jarenlang vergeefs gewacht,
En bij de eentonig-uitgehuilde klacht
Voel ik mijn ziel door ouden waan bevangen.

De klanken stijgen tot een sterken stroom,
Die zich een bres breekt door het steil berusten.
Ik wéét niet meer, met welken verren droom
Ik vroeger steeds mijn heet verlangen suste….
De stroom is niet te stuiten; – liefde kóóm’,
En néém mijn mond, die hunkert naar haar lusten.

 

Wreede liefde

III
Wij, die elkaar in droomen minden,
Buiten den dwang van ruimte en tijd,
Hoe zullen wij bevreed’ging vinden
In deze arme werklijkheid?

Uw hoofd, in mijnen arm gedoken,
Lijkt als een vrucht zoo broos en klein;
Gij houdt uw oogen vroom geloken;
Kan daar mijn hééle wereld zijn?

Er ligt een trots van troostend weten
In uwer handen vasten druk.
Maanden van hunkring, fel verbeten,
Heeft rustloos mij de drang bezeten
Naar dit onmogelijk geluk.

Maar, bang en blij tot u gekomen,
Zooals een kind naar ’t eerste feest,
Lijkt liefde’s liefste mij ontnomen:
Gij maakt een eind aan al mijn droomen….
Ik ben nog nooit zóó arm geweest.

 

 
Annie Salomons (26 juni 1885 – 16 januari 1980)