Summer Solstice (Stacie Cassarino), Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Adam Zagajewski

Dolce far niente

 

 
Soleil couchant door Pierre Bonnard, 1913

 

Summer Solstice

I wanted to see where beauty comes from
without you in the world, hauling my heart
across sixty acres of northeast meadow,
my pockets filling with flowers.
Then I remembered,
it’s you I miss in the brightness
and body of every living name:
rattlebox, yarrow, wild vetch.
You are the green wonder of June,
root and quasar, the thirst for salt.
When I finally understand that people fail
at love, what is left but cinquefoil, thistle,
the paper wings of the dragonfly
aeroplaning the soul with a sudden blue hilarity?
If I get the story right, desire is continuous,
equatorial. There is still so much
I want to know: what you believe
can never be removed from us,
what you dreamed on Walnut Street
in the unanswerable dark of your childhood,
learning pleasure on your own.
Tell me our story: are we impetuous,
are we kind to each other, do we surrender
to what the mind cannot think past?
Where is the evidence I will learn
to be good at loving?
The black dog orbits the horseshoe pond
for treefrogs in their plangent emergencies.
There are violet hills,
there is the covenant of duskbirds.
The moon comes over the mountain
like a big peach, and I want to tell you
what I couldn’t say the night we rushed
North, how I love the seriousness of your fingers
and the way you go into yourself,
calling my half-name like a secret.
I stand between taproot and treespire.
Here is the compass rose
to help me live through this.
Here are twelve ways of knowing
what blooms even in the blindness
of such longing. Yellow oxeye,
viper’s bugloss with its set of pink arms
pleading do not forget me.
We hunger for eloquence.
We measure the isopleths.
I am visiting my life with reckless plenitude.
The air is fragrant with tiny strawberries.
Fireflies turn on their electric wills:
an effulgence. Let me come back
whole, let me remember how to touch you
before it is too late.

 

 
Stacie Cassarino (Hartford, 15 februari 1975)
Hartford.

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

Vroeg

Uit driftloos grijs bestaat
de morgen van het riet,
waaraan nog pluis van
schemer hecht, de resten
van verdriet in dunne
hersenschimmen.
Nevel van een ons
stijgt van het water op
om zich te voegen bij
geluid en bronst van
uitdijend ontwaken.
De eerste kraai forenst
van nacht naar licht
in de ternauwernood
onthouden plicht iets
van de doodsangst
ongedaan te maken.

 

De klas is kaal

De klas is kaal, de paar tekeningen
aan de wand zijn stuurs gekleurd
met een bevroren hand.
Een kluizenaar die wacht op een
verschijning, zo staart hij op uit
het correctiewerk.
Zij zijn de vogels die niet in
zijn landstreek horen – dwaalgasten
met geesten om de geest te
storen.
Het komt nooit goed,
hij zingt niet met ze
en de wereldkaart hangt scheef
tegen de bordwand
en in hun gemoed.

 

Plastiek van een tekenaar

Snel kneedde je dat portret,
kop die wel hersens hebben moet.
Het zwevend tekenen van de libel
beweegt onder die bronzen baskenpet.

De wenkbrauwen de zonneschermen,
een snor markies over de mond
om tegen inkijk te beschermen
wat een door drank verlamde tong
van de al sidderende wereld vond.

Geen lijf heeft dit gezicht
dan windgevoelig en langbenig.
Je vingers werkten in hun liefde
haast te lenig, maar hebben
zijn beschaamde blik, schuin dalend
in de grond, nog net op tijd naar
wat daar is en nog gebeuren moet
gericht.

 
Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

 

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Thomas Blondeau werd geboren in Poperinge op 21 juni 1978. Zie ook Zie ook alle tags voor Thomas Blondeau op dit blog.

Uit: eX

“Zoals mensen als maagd kunnen sterven, kunnen ze leven zonder ook maar één keer onderdeel te zijn geweest van iets meeslepends. Daar hoef je geen medelijden mee te hebben. Kijk maar naar kloosterlingen die hun mond niet kunnen over het genot van de berusting. Michel Quispel, de vader van David behoorde tot het slag mensen dat niet mist wat het niet kent. Na een mislukte rechtenstudie was hij een paar jaar handelsreiziger geweest in schoonmaakmiddelen. Het stoorde hem om zo’n weinig mannelijk product te slijten maar hij hield ervan onderweg te zijn. Om zijn aangeboren verlegenheid te overwinnen, begon hij bier te drinken. Zijn beroep gaf het volop gelegenheid om vaak in cafés te zijn. Wanneer hij een goede voormiddag had gehad, begon hij na twaalven met drinken.
Later begon hij ongeacht zijn voormiddag na twaalven te drinken. Na het overlijden van zijn vader verkocht hij diens kruidenierswinkel en begon een café dat hij De Vaderlander doopte. Vernoemd naar de zandzakjes die in de Eerste Wereldoorlog de wanden van de loopgraven tegen instorting beschermden. Hij was zo trots op deze vondst dat hij jarenlang nieuwe klanten vermoeide met zijn uitleg over het café als een wal tegen de wereld.
‘David, hebt ge tegen uw vriend al gezegd waarom uw vader zijn café zo genoemd heeft?’
‘Ja, pa.’
‘Ik bedoel niet waar het vandaan komt maar wat het symboliseert?’
‘Ja, pa!’
Eigenlijk zag David zijn vader alleen ’s ochtends bij het tandenpoetsen een glas water drinken. Zijn dictum was ‘’s Ochtends koffie om de dag goed in de ogen te kijken en ’s middags een pint omdat het gezicht van de dag u niet aanstaat.’ Hij was een gestaag drinker die nooit tot dronkenschap verviel. Hij leefde zogezegd op een respectabele afstand van de realiteit. Die afstand hield de middelmatige kwaliteit van zijn café, huwelijk en zijn relatie op een constant niveau. Geen uitzicht op verbetering maar ook geen kans op verslechtering. Zijn alcoholisme en omgang met klanten had hem een welwillende onverschilligheid gegeven. Een manier van omgang die bestond uit glimlachen en het minimum aan inspanning om een conversatie gaande te houden. En een manier van omgaan die hij ook op zijn leven en gezin toepaste.”

 
Thomas Blondeau (21 juni 1978 – 20 oktober 2013)

 

De Poolse dichter en essayist Adam Zagajewski werd geboren op 21 juni 1945 in Lwów, het huidige Lviv. Zie ook alle tags voor Adam Zagajewski op dit blog.

In schoonheid geschapen door vreemden

Alleen in schoonheid geschapen
door vreemden is troost, in muziek,
in gedichten geschreven door anderen.
Alleen bij anderen is redding te vinden,
ook al kan de eenzaamheid smaken als
opium. Niet de anderen zijn de hel,
als je hen ’s morgens ziet, wanneer
hun voorhoofd schoon is, gewassen
door dromen. Daarom denk ik lang na:
welk woord zal ik gebruiken, hij of jij. Elk hij
is het verraad van een ander jij, maar
trouw wacht op ons in een vreemd gedicht
de nuchtere dialoog.
Vertaald door Gerard Rasch

 

Morandi

Even at night, the objects kept vigil,
even as he slept, with African dreams;
a porcelain jug, two watering cans,
empty green wine bottles, a knife.
Even as he slept, deeply, as only creators
can sleep, dead-tired,
the objects were laughing, revolution was near.

The nosy watering can with its beak
feverishly incited the others;
blood pulsed wildly in the cup,
which had never known the thirst of a mouth,
only eyes, gazes, vision.

By day, they grew humble, and even took pride:
the whole coarse existence of the world
found refuge in them,
abandoning for a time the blossoming cherry,
the sorrowful hearts of the dying.

 
Adam Zagajewski (Lwów, 21 juni 1945)
Morandi-Natura-morta-1938-Vit.-231

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juni ook mijn blog van 21 juni 2014 deel 1, deel 2 en deel 3.