Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: De tuin der fantasie

“..Er is zoveel. dat vertelt op het ogenblik… Kijk eens naar buiten. Luister eens naar de stilte, en luister eens naar die vogel. die daar heel ver weg in avondzang zit te fluiten… En kijk eens naar de lucht. en zeg dan maar, dat de dichter van die psalm het wel geweten heeft toen hij zong: De hemelen verkondigen Gods eer, en het uitspansel Zijner handen werk… De dag aan de dag stort overvloediglijk sprake uit, de nacht aan de nacht toont weten-schap… Geen spraak, en geen woorden zijn er. waar hun stem niet wordt gehoord…” En de stem dezer stilte. de heerlijkheid van de sterrenhemel. en de wonderen der natuur in berg en bos. — dat alles is in Indië nog weer zo anders dan hier… Er is geen stilte zo stil als die van de Indische avonden. als de hemel helder en klaar is. en niets. niets beweegt rondom ons… Als er geen geluid klinkt, geen vogel zingt. geen kikvors roept… Alleen zit daar ergens in de verte een mens. en je weet niet waar. en die maakt op zijn gamelang die heel weemoedige. wonderlijke muziek bijna zonder melodie… 0 jongens. dat is onuitsprekelijk. deze stilte van de avonden in het gebergte van Sumatra of van Java…” ..Wat is er toch verschrikkelijk veel moois in de wereld.” zei Tom zacht en als in zich zelf. ,.Grootvader. zou U denken. dat ik daar nog wel eens komen kon?” ..Hóór nou eens!” zei Wil plotseling luidruchtig…Dat is er nou een. die vanmiddag nog sprak van dat apenland…” Tom gaf geen antwoord. maar Grootvader zeide: ..Ja. we ver-nordeelen het allereerst wat we het allerminst kennen… Of jij er zoudt kunnen komen. Tom? Wel. natuurlijk kan dat. Als jij inge-nieur mag worden met Gods hulp, dan zijn er zeker in Indië allerlei betrekkingen voor je open… Maar, beste jongen. zolang. vooruit moeten we maar niet praten, dunkt me….er kan nog zoveel ge-beuren…” Tom zag Grootvader aan. Dat was nu de tweede maal al, dat hij dit antwoord hoorde vandaag. Kon Grootvader daarmeè iets bedoelen. iets bijzonders?”

 
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)

 

Doorgaan met het lezen van “Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer”

Sue Grafton

De Amerikaanse schrijfster Sue Grafton werd geboren in Louisville (Kentucky) op 24 april 1940 als dochter van schrijver C.W. Grafton en Vivian Harnsberger. Ze studeerde Engelse literatuur aan de universiteit van Louisville. Eind jaren zestig publiceerde ze twee niet zo succesvolle romans. Daarna legde ze zich jarenlang samen met haar echtgenoot Stephen Humphrey toe op het maken van tv-scenario’s. In 1982 verscheen “A Is for Alibi” (A van alibi), haar eerste roman over de vrouwelijke privédetective Kinsey Millhone. Deze verhalen spelen zich af in Santa Teresa, een fictieve stad die gebaseerd is op Santa Barbara (Californië) en reeds voorkwam in de detectiveromans van Ross Macdonald. Grafton’s romans zijn gepubliceerd in 28 landen en in 26 talen. Zij heeft altijd geweigers om de film- en televisierechten aan haar boeken te verkopen, omdat het schrijven van tv-scenario’s thaar had “genezen” van de wens om met Hollywood samen te werken. Ze voegde eraan toe dat ze haar kinderen zou achtervolgen als die de filmrechten na haar dood zouden willen verkopen.

Uit: Y Is for Yesterday

“In April, Iris was dumbfounded when she received yet another summons to the vice principal’s office. What’d she do this time? She hadn’t been called out on anything and she felt put upon and unappreciated. She’d been doing her best to blend in and behave herself.
Even Mrs. Malcolm seemed surprised. “We haven’t seen you for a while. What now?”
“No clue. I’m tooling along minding my own business and I get this note that Mr. Lucas wants to see me. I don’t even know what this is about.”
“News to me as well.”
Iris took a seat on one of the wooden benches provided for the errant and unrepentant. She had her books and her binder in hand so that once she was properly dressed down, she could report to her next class, which in this case was world history. She opened her binder, pretending to check her notes. She was careful to show no interest in the secretary’s disbursement of manila envelopes, but she knew what they contained: the Benchmark California Academic Proficiency Tests. These were administered at the beginning and ending of junior year, designed to measure each student’s mastery of math and English. Poppy had been bitching for weeks about having to perform up to grade level or suffer the indignities of remedial catch-up work.
Under certain circumstances, the test results would determine whether a junior was even allowed to advance to the senior year. Iris wondered if there was a way to get her hands on a copy. Wouldn’t that be a coup? Poppy was her best friend, a diligent student, but not all that bright. Iris could see her limitations, but overlooked her deficits in the interest of her status at Climp. Poppy’s boyfriend, Troy Rademaker, was in same boat. His grades were excellent, but he didn’t dare risk anything less than top marks. He attended Climp on a scholarship it was essential to protect. In addition, he and Austin Brown were among the nominees for the Albert Climping Memorial Award, given annually to an outstanding freshman, sophomore, junior, and senior based on academic distinction, athletic achievement, and service to the community. Austin Brown was the unofficial, but equally undisputed kingpin of the junior class, much admired and equally feared for his scathing pronouncements about his classmates.”


Sue Grafton (Louisville, 24 april 1940)