Pol Hoste, Menno Van der Beek, Flannery O’Connor, Jaime Sabines, Peter Van Straaten, Toni Cade Bambara, Antonio Fogazzaro

De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Zie ook alle tags voor Pol Hoste op dit blog.

Uit: Tel

“- Hoe gaat het met je?
Je weet dat ik daar niet graag op antwoord, ik heb je al uitgelegd waarom.
– Is het zo erg dat ik gewoon eens vraag hoe het met je gaat, mag dat ook al niet meer?
– Het is helemaal niet erg, alleen hadden we afgesproken dat je het me niet meer zou vragen. Dat is alles. Als je me dus vraagt hoe het met me gaat herinner ik je alleen maar aan onze afspraak. Niet meer of niet minder. Dat hoef je dus helemaal niet erg te vinden.
– Dat weet ik, maar wind je niet meteen zo op, want dat is echt geen normale reactie meer, sta me toe dat ik dat zeg. Ik vraag gewoon even hoe het met je gaat en in plaats van te zeggen, zo of zo, maak je een drama alsof ik je geen ogenblik met rust laat. En het is al zo lang geleden dat we nog eens met elkaar gepraat hebben.
– Ik maak helemaal geen drama, ik herinner je alleen maar aan onze afspraak dat je me niet meer zou vragen hoe ik het maak. Want daarover gaat het en over niets anders.
– Is dat dan zo’n verschrikkelijke vraag? Straks ga ik nog denken dat ik helemaal abnormaal ben omdat ik gewoon even zeg: ‘Dag, hoe maak je het?’ Ik word er ziek van als ik daaraan denk. Ik begrijp helemaal niet waarom je me niet gewoon zegt, het gaat me goed of slecht of maar zo zo. Je mag het me gerust zeggen als het je slecht gaat. Misschien zit je in geldnood, sta je op het punt van ziek te worden, hoe kan ik dat weten, ik maak me alleen soms zorgen, dat is alles, dat kan toch, of mag ik dat ook niet meer? Ik kan je toch niet opbellen en dan doen alsof het helemaal niet om jou gaat? Alsof je er niet bent. Dat zou me een toestand worden. Ik ben niet gek.
– Ik ook niet.
– Kijk, als jij nu gewoon op mijn vraag had geantwoord: het gaat me zo of zo, ik verwacht daar helemaal geen uitgebreid antwoord op, denk dat maar niet, je hoeft me zeker niet alles te vertellen, helemaal niet, nee, alleen even gewoon hoe het met je gaat. Zo of zo, het zal me een zorg zijn, je beslist toch zelf wat je daarop antwoordt, ik zeg toch niet wat je me moet zeggen, integendeel, je hoeft me niet te sparen, ik bedoel, als je daar nu gewoon even kort op had geantwoord, dan hadden we er al lang over gezwegen in plaats van alweer zo tegen elkaar tekeer te gaan. Dat vind ik echt niet prettig.”

 
Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)

Doorgaan met het lezen van “Pol Hoste, Menno Van der Beek, Flannery O’Connor, Jaime Sabines, Peter Van Straaten, Toni Cade Bambara, Antonio Fogazzaro”

Jacques Bens, Jacques Audiberti, Filip De Pillecyn, Erica Pedretti, Evliya Çelebi, Anne Fanshawe, Daniel Schiebeler, Mary Webb

De Franse dichter en schrijver Jacques Bens werd geboren op 25 maart 1931 in Cadolive (Bouches-du-Rhône). Zie ook alle tags voor Jacques Bens op dit blog.

Melancholy

So I’ll once more find my old horizons,
cherished scent of winds and habitations.
Fear not if it seems I’m quitting the place.

I leave Paris just to love it better.

One tends to hurry a banal embrace.
But what’s this pride worth that’s past all seasons?
Try to unite the heart with its reasons.
The city, while smiling, leaves a rough trace.

I leave Paris just to love you better.

To love you better, I couldn’t picture—
Now I see the present whisks us away.
To see you, I have to step back a bit.
I lock up my regrets, as will be fit,
Slipping my key under your entryway.

 

Nostalgia

I’ll no longer haunt this lost location
Where my friends, gently, find some fixation,
Fixation I crave, though I play the stud,

For I love the smell of books most of all.

If I’ve swapped my pen for a plow and mud
(That is, lyric and inoculation),
If I’ve, I say, chosen field plantation,
I’ve not renounced my écriveron blood:

Still, I love the smell of books above all.

To regain that world that had me in thrall,
To meet, each day, my cousin the proofer!
To sniff the cold perfume of leather scrawl!
To relive, at last, the life I recall,
And egads! return like a proud victor!

 

Vertaald door Rachel Galvin

 
Jacques Bens (25 maart 1931 – 26 juli 2001)
Cadolive (Bouches-du-Rhône)

Doorgaan met het lezen van “Jacques Bens, Jacques Audiberti, Filip De Pillecyn, Erica Pedretti, Evliya Çelebi, Anne Fanshawe, Daniel Schiebeler, Mary Webb”

Paul Meeuws

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Meeuws werd geboren op 25 maart 1947 in Roermond. Van Paul Meeuws verschenen gedichten in Dietsche Warande & Belfort, De Vlaamse Gids, Tirade, de Poëziekrant, Het Moment en Meander. Eerder publiceerde hij twee bundels met korte verhalen, “Badhuis in de sneeuw” (1988) en “Jonge modinettes”(1994), beide bij Uitgeverij van Oorschot. Daarnaast publiceerde hij essays over beeldende kunst, zoals “De aarde is plat “over perspectief en een schoolboek over kunst en cultuur. Meeuws was jarenlang werkzaam in het voortgezet onderwijs, als docent beeldende vorming en Nederlands.

Andere Tijden

We zien uw kinderjaren in zwart-wit.
Oud daglicht knippert als een uitgewreven oog.
Het heeft te lang geslapen
en haast zich door de straten van weleer.

Je kunt dat haasten zien.
Het licht slaat stappen over.
Het is niet eerlijk wat het met de mensen doet.

U neemt mij kwalijk dat ik erom lach,
dat koddige geren,
hoeden die alsmaar op en afgaan,
die knieval en dat rollen met de ogen
van meisjes met een slecht gebit.

U wilt de televisie uit.
Verleden hoort niet te bewegen.
Het hoort door de verhalen
als een kind in slaap gewiegd.

Natuurlijk doet het maar alsof.
Wij worden heimelijk bespied en leren
het al vroeg dat waarheid niet bestaat.

Of wel bestaat, maar zich
alleen maar openbaart in preken
en andere staaltjes godsgeloof.

U doet het sissen van zo’n oude gaslamp na.
Het withete bollen van het nieuwe kousje
is maar een kleine stap verwijderd
van de glazen peer die ons nu in een lichtkring zet.

Kijk, onze jongensgezichten nog,
verrukt van zoveel technische vooruitgang,
weerspiegeld door het raam!

 

Wals

Zonnige zaterdag, twaalf uur.
Het wiel draait aan de orgelman,
de zon draait om de straat.

Een houten herderin leert mij een wals,
de pirouette van een boor.

De klank vliedt van het middelpunt,
flegmatisch mechaniek,
dat over ziel en zaligheid
de wildste geruchten uitbraakt
door zijn pijpen.

 

 
Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)

 

Jung Chang

De Chinese schrijfster Jung Chang werd geboren in Yibin, Sichuan op 25 maart 1952. Haar ouders waren lid van de Communistische Partij van China. Tijdens de Culturele Revolutie werden zij allebei opgepakt en werd Chang zelf naar het platteland gestuurd. Na de Culturele Revolutie ging ze in 1978 naar Engeland en studeerde er taalwetenschap aan de Universiteit van York, waar ze in 1982 promoveerde. Sindsdien woont zij in het Verenigd Koninkrijk. Haar werken schrijft zij in het Engels. Chang kreeg grote internationale bekendheid door haar boek “Wild swans. Three daughters of China” uit 1991. Hierin beschrijft Chang de geschiedenis van China van het begin van de 20e eeuw tot aan het eind van de Culturele Revolutie aan de hand van de levens van haar grootmoeder, haar moeder en haarzelf. Er verschenen meer dan vijftien miljoen exemplaren, in 40 talen. Van de Nederlandse vertaling werden er zo’n 600.000 verkocht. Het boek is in China verboden. Samen met haar man, historicus Jon Halliday, schreef Chang “Mme Sun Yat-Sen (Soong Ching-ling)” (1986), een biografie van Song Qingling, de vrouw van Sun. Samen schreven zij ook “Mao: The Unknown Story” (2005). Ook deze Mao-biografie is in China verboden. In 2013 verscheen Changs biografie van de invloedrijke Chinese keizerin Cixi: “Empress dowager Cixi: The concubine who launched modern China.”

Uit:Wilde zwanen. Drie dochters van China (Vertaald door Paul Syrier)

“Op vijftienjarige leeftijd werd mijn grootmoeder de concubine van een oorlogsheer met de rang van generaal, tevens hoofd van de politie van een onbeduidende nationale regering van China. Het was 1924 en het land verkeerde in een staat van chaos. Een groot deel ervan, met inbegrip van Mantsjoerije, waar mijn grootmoeder woonde, werd bestuurd door oorlogsheren die elkaar het licht in de ogen niet gunden. De huwelijksovereenkomst werd geregeld door haar vader, een politiefunctionaris in het provinciestadje Yixian in het zuidwesten van Mantsjoerije, ongeveer honderdvijftig kilometer ten noorden van de Grote Muur en driehonderdvijfenzeventig kilometer ten noordoosten van Peking. Zoals de meeste Chinese steden was Yixian als een fort gebouwd. Het werd omgeven door muren van negen meter hoog en drieënhalve meter dik uit de tijd van de Tang-dynastie (618-907 na Christus), bekroond met transen, op regelmatige afstanden door zestien bastions onderbroken en zo breed dat een paard er met gemak overheen kon rijden. De stad had vier poorten, een voor elke windrichting, met beschermende voorpoorten, en de fortificaties als geheel waren door een diepe gracht omgeven. De opmerkelijkste trek van de stad was een hoge, rijkgedecoreerde klokketoren van donkerbruine natuursteen, die was gebouwd in de zesde eeuw, toen het boeddhisme in het gebied was geïntroduceerd. Iedere nacht werd de klok geluid om de tijd aan te geven en verder deed de toren dienst om te waarschuwen voor branden en overstromingen. Yixian was een welvarende marktplaats. De vlakten in de omgeving produceerden katoen, maïs, sorghum, sojabonen, sesam, peren, appels en druiven. Op de stukken grasland en in de heuvels in het westen fokten de boeren schapen en koeien. Mijn overgrootvader, Yang Ru-shan, was geboren in 1894, toen China in zijn geheel werd bestuurd door een keizer, die in Peking resideerde. De keizerlijke familie bestond uit Mantsjoes, die China in 1644 hadden veroverd vanuit Mantsjoerije, dat hun basis was. De Yangs waren Han-Chinezen, etnische Chinezen, en waren op zoek naar middelen van bestaan het land ten noorden van de Grote Muur in getrokken. Mijn overgrootvader was enig kind, en op grond hiervan was hij voor de familie uiterst belangrijk. Alleen een zoon kon de familienaam voortzetten —zonder hem zou de familielijn tot een einde komen, hetgeen in de ogen van Chinezen het grootste verraad was dat je je voorouders kon aandoen. Hij werd naar een goede school gestuurd. De bedoeling was dat hij het examen zou doen en mandarijn werd, ambtenaar, wat destijds de aspiratie van de meeste Chinese mannen was. Het ambtenarenbestaan bracht macht met zich mee, en macht geld. Zonder macht of geld voelde geen enkele Chinees zich veilig voor de chicanes van het openbaar gezag of het willekeurige geweld. Er had nooit een rechtsstelsel in eigenlijke zin bestaan. De rechtspraak vond lukraak plaats en wreedheden waren zowel geïnstitutionaliseerd als willekeurig. Een ambtenaar met macht wás de wet. Het mandarijnschap was voor een kind van niet-adelijke familie de enige manier om aan deze cyclus van onrecht en angst te ontsnappen.”

 
Jung Chang (Yibin, 25 maart 1952)