Ethan Mordden, Rudolf Geel, Lewis Carroll, Leopold von Sacher-Masoch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Neel Doff, Samuel Foote, Eliette Abécassis, Mordecai Richler

 

De Amerikaanse schrijver Ethan Mordden werd geboren op 27 januari 1947 in Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Ethan Mordden op dit blog.

Uit: Some Men are Lookers

“Dennis Savage faced him down.
Virgil was watching them, and Cosgrove was watching Virgil.
“Maybe you could think about it,” Virgil said suddenly to Dennis Savage, “and maybe you would change your mind.”
“And maybe I won’t.”
Lionel nodded and left.
After closing the door, Virgil stood in thought, his back to us; Dennis Savage nudged me with a glance, indicating his lover. We all know one another so well that we sometimes operate like a mime troupe, entirely in visuals.
“Can I show my movie now?” Cosgrove asked. “It’s the first videotape that I really made myself.”
“I helped him,” said Virgil, still at the door.
“Virgil always helps me.”
“I’m not sitting through another Friday the 13th sequel,” said Dennis Savage, “I’ll tell you that.”
“It’s The Lost Boys.”
“Are you undergoing a mystical out-of-life experience with that door,” Dennis Savage asked Virgil, who hadn’t yet moved, “or would you like to join us on the couch?”
Virgil coolly came over, sitting on the far side of the couch from Dennis Savage.
“Hey!”
“Easy,” I said.
“Well, what’s he supposed to be, my eighth cousin thrice removed? Come over here, you.”
“Cosgrove,” said Virgil, staying put, “it’s movie time.”
“Were they misunderstood cuties,” Cosgrove cried, jumping up to make his presentation, “or mean ghouls? A magical club, or killers on the loose?”
“Let’s skip the trailer,” said Dennis Savage. “Just run the film.”
“This is becoming a very snarky apartment,” said Virgil.
Dennis Savage leaned over me and asked Virgil, “How come I don’t know what that word means?”
“Virgil and Cosgrove Productions present,” Cosgrove began, with a—at any rate trying to—flourish, and onto the television screen came the credits of Pee-wee’s Big Adventure.
“Sure,” said Dennis Savage. “The three things I most wanted to do tonight were go to the dentist for an emergency root canal, trade fashion tips with Prince, and see Pee-wee’s Big Adventure. That’s one down.”

 

 
Ethan Mordden (Pennsylvania, 27 januari 1947)

Continue reading “Ethan Mordden, Rudolf Geel, Lewis Carroll, Leopold von Sacher-Masoch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Neel Doff, Samuel Foote, Eliette Abécassis, Mordecai Richler”

Paolo Cognetti

 

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Op zijn 18e jaar begon hij te schrijven. Hij studeerde eerst wiskunde en Amerikaanse literatuur, studies die hij echter niet af maakte. in 1999 studeerde hij af aan de Civica Scuola di Cinema « Luchino Visconti » in Milaan. Vervolgens richtte hij zich op het maken van sociale, politieke en literaire documentaires. Hij debuteerde als schrijver in 2003 met het verhaal “Fare ordine”, waarvoor hij de Premio Subway-Letteratura literatuurprijs ontving. In de daarop volgende jaren volgden twee bundels met korte verhalen “Manuale per ragazze di successo” (2004) en “Una cosa piccola che sta per esplodere” (2007) en de “roman van korte verhalen” “Sofia si veste sempre di nero” (Sofia draagt altijd zwart, 2012). Na een reeks documentaires over de Amerikaanse literatuur (Scrivere/New York, 2004) publiceerde hij in 2010 “New York è una finestra senza tende”, gevolgd in 2014 door “Tutte le mie preghiere guardano verso ovest”, twee persoonlijke gidsen voor de stad New York. Een andere passie van Cognetti zijn de bergen, waar hij een paar maanden per jaar in eenzaamheid in doorbrengt. In deze tijden van afzondering ontstond in 2013 een dagboek, “Il ragazzo selvatico” (De wilde jongen). In 2014 verscheen “A pesca nelle pozze più profonde”, een meditatie over de kunst van het schrijven van korte verhalen. In 2016 Einaudi kwam zijn eerste roman in de strikte zin van het woord uit: “Le otto montagne” (De acht bergen), al in 30 landen verkocht vóór de publicatie. Hij ontving er in 2017 de prestigieuz Premio Strega voor.

Uit: Acht Berge (Vertaald door Christiane Burkhardt)

“Mein Vater ging auf seine Art in die Berge: Er war weniger ein Mann der Meditation als ein Dickkopf und Draufgänger. Er begann den Aufstieg, ohne seine Kräfte einzuteilen, stets im Wettlauf gegen irgendwen oder was, und wenn ihm ein Weg zu lang war, nahm er die direkte Abkürzung. Bei ihm war es verbten zu rasten, verboten über Hunger, Kälte oder Erschöpfung zu klagen, dafür durfte man ein schönes Lied singen, besonders bei Gewitter oder dichtem Nebel. Und sich laut johlend die Schneefelder hinabstürzen.
Meine Mutter, die ihn schon von klein auf kannte, erzählte, dass er schon damals auf niemanden warten wollte, so wild war er darauf, jeden einzuholen, den er vor sich hatte. Deshalb musste man gut zu Fuß sein, um in den Augen meines Vaters Gnade zu finden. Mit einem Lachen gab sie mir zu verstehen, dass sie ihn so erobert hatte. Später zog sie es vor, keine Wettläufe mehr zu veranstalten, sondern sich auf einer Wiese niederzulassen, die Füße in einen kalten Wildbach zu hängen oder Kräuter und Blumen zu bestimmen. Auch auf dem Gipfel bewunderte sie am liebsten die Kuppen in der Ferne, dachte an die Berge ihrer Jugend zurück und versuchte sich daran zu erinnern, wann sie mit wem wo gewesen war, während mein Vater in diesem Moment nichts als Ernüchterung empfand und nur noch nach Hause wollte.
Zwei unterschiedliche Reaktionen auf dasselbe Heimweh vermutlich. Meine Eltern waren mit Anfang dreißig in die Stadt gezogen, fort aus dem ländlichen Veneto, wo meine Muttergeboren und mein Vater als Kriegswaise aufgewachsen war.
Ihre ersten Berge, ihre erste große Liebe, waren die Dolomitengewesen. Sie erwähnten sie manchmal in ihren Gesprächen, als ich noch zu klein war, ihnen zu folgen, aber manche Worte ragten eindeutig heraus, weil sie sonorer, gewichtiger waren: Rosengarten, Langkofel, Tofana, Marmolada. Es genügte, dass mein Vater einen dieser Namen nannte, und die Augen meiner Mutter begannen zu leuchten.
Das waren die Orte, an denen sie sich verliebt hatten, wie auch ich irgendwann begriff. Ein Pfarrer hatte sie in jungen Jahren mit dorthin genommen, derselbe, der sie später auch
traute: am Fuß der Drei Zinnen, dort vor der kleinen Kirche, eines Morgens im Herbst. Diese Hochzeit im Hochgebirge war der Gründungsmythos unserer Familie – boykottiert von den Eltern meiner Mutter, ohne dass ich gewusst hätte, warum, gefeiert im Kreis weniger Freunde, mit Anoraks statt Hochzeitsgewändern und mit einem Bett in der Auronzohütte in ihrer ersten Nacht als Mann und Frau. Auf den Felsbändern der Großen Zinne glitzerte bereits Schnee. Es war ein Samstag im Oktober ’71, das Ende der Klettersaison – damals, aber auch noch für viele Jahre danach: Wenig später verfrachteten sie die ledernen Bergstiefel, die Kniebundhosen, ihren schwangeren Bauch und seinen Arbeitsvertrag ins Auto und zogen nach Mailand.“

 

 
Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

Harvey Shapiro

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Hij sprak jiddisch. Toen hij een jongen was, verhuisde zijn familie naar Manhattan en later naar Long Island. Hij studeerde aan de Yale University maar ging tijdens WO II in dienst bij de luchtmacht. Hij vloog 35 missies over Europa als een B-17 schutter en ontving het Distinguished Flying Cross. Hij keerde terug naar Yale en behaalde in 1947 een bachelorgraad in Engels en een masters in de Amerikaanse literatuur aan Columbia University in 1948. Shapiro doceerde de eerste helft van de jaren 1950 Engels aan Cornell University en Bard College. Hij werd vervolgens assistent redacteur bij Commentary magazine, poëzieredacteur bij The Village Voice en fictie editor bij The New Yorker voordat hij in 1957 bij de New York Times werd aangesteld. Hij werkte daar in diverse redactionele posities – bij The New York Times Magazine, The New York Times Book Review (van 1975 tot 1983) en ook als plaatsvervangend redacteur van het tijdschrift. Misschien was de meest opmerkelijke prestatie bij The New York Times er een die niet in het blad terecht kwam. Toen hij in 1962 had gelezen dat Dr. Martin Luther King, Jr. in de gevangenis was gezet belde hij de stichting van King, de Southern Christian Leadership Conference, en stelde voor om de volgende keer dat King in de gevangenis werd gezet, een brief te schrijven, die hij dan zou publiceren. Deze brief werd, nadat King in april 1963 voor de campagne van Birmingham gearresteerd werd, de “Letter from Birmingham Jail”, De superieuren van Shapiro lieten niet toe dat de brief in The New York Times gedrukt werd, maar de brief werd wel elders 50 keer gedrukt, in 325 edities, inclusief Dr. King’s eigen boek “Why We Can’t Wait.” Shapiro bleef poëzie schrijven terwijl hij werkzaam was als redacteur en publiceerde een dozijn boeken, zoals “The Eye” (1953), “The Light Holds” (1984) en “National Cold Storage Company” (1988). Hij heeft ook een anthologie getiteld “Poets of World War II” geredigeerd. Sapiro’s poëzie vertoont vaak een subtiel gevoel voor humor.

 

Key West

At the corner of Simonton and Amelia
there is a small junkyard that is
as beautiful to me as the deep
blue sea stretching from here to Cuba.
It has an arching tree over it
and its shards of old cars, tractors,
boating gear shine in the tropic sun
but with an American splendor
like rolling waves of grain. How odd
to have been taught to respond to
junk by my culture, and with
a patriotic fervor, so that the colors
red, white, and blue blaze through the rust.

 

 

The Mother of Invention

On my desk are the bills from the living
and in my sleep are the bills from the dead.

“Emptiness is the mother of invention”
says my fortune cookie. July 23, 2010.
Brooklyn. I walk in the slow rain,
never less accomplished, never happier.

Why should I doubt the world has meaning
when even in myself I see mysterious purposes.

A crow drops down for a moment,
black, rabbinical garb, croaking Kaddish.

 

 
Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

Arie van der Krogt

 

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler, zanger en liedjesschrijver Arie van der Krogt werd geboren in Zoeterwoude op 27 januari 1952. In Rotterdam is Van der Krogt stedenbouwkundige bij de gemeente en hij staat daar bekend als een zanger die op een kritische manier liedjes maakt over de stad. Zo bezingt hij op zijn tweede cd, “Zouwe de touwe ’t houwe” uit 1997, onder meer het Rotterdamse Schouwburgplein. Zijn liedteksten zijn in 2007 in boekvorm verschenen bij uitgeverij Ad. Donker, onder de titel “Rotterdam van feest tot feest”. Als dichter vestigde hij de aandacht op zich met zijn vertaling van Shakespeares sonnetten en de liefdesonnetten van Christina Rossetti. Hij vertaalde ook gedichten van de Engelse metafysche dichter George Herbert, die werden uitgegeven door “de Zaak Akkerman” onder de titel “De God van Herbert”.

 

Het allermooiste plekje

Ik zou haast niet kunnen zeggen
wat de mooiste plekjes zijn
Want een schilderij van Mondriaan
heeft toch ook geen mooiste lijn;
Toch is er een heel mooi plekje
waar ik uren zitten kan
’t is mijn favoriete plekje
in het hart van Rotterdam

’t Is het allermooist plekje van de stad
in de winkel van Van Gennep op de trap

Want je kan daar heerlijk zitten
met je rug tegen de muur
en omgeven door de schrijvers
van de wereldliteratuur;
Al die prachtige verhalen
in die boeken op een rij
Het is een soort Martyrium
en de hoofdpersoon ben jij

’t Is het allermooiste plekje van de stad
bij Maria en Andrea op de trap

Als je daar een uur blijft zitten
trekt de hele stad voorbij,
altijd vragend weer naar boeken,
altijd bezig als een bij;
“Heeft u boeken over paarden”
“Nee, die hebben wij hier niet
Moet u maar bij Donner vragen”
Ja, zo gaat die zaak failliet

Staat de hele zaak vol boeken
vragen ze om een cd
want ……leuke vlotte liedjes
ja, daar haal je omzet mee;
“Wilt u hem laten signeren”,
hoor ik om de haverklap,
“want de zanger van de liedjes
zit toevallig op de trap”

’t Is het allermooiste plekje van de stad
bij Maria en Andrea op de trap

En ik kan je wel vertellen
waar ik ’t meeste van geniet
Van de koffie van Louise
en de kopjes van Piet

 

 
Arie van der Krogt (Zoeterwoude, 27 januari 1952)

VSB poëzieprijs voor Hannah van Binsbergen

 

VSB poëzieprijs voor Hannah van Binsbergen

De Nederlandse dichteres Hannah van Binsbergen heeft donderdag de VSB Poëzieprijs gewonnen, de prijs voor de beste dichtbundel. Van Binsbergen krijgt de prijs voor haar debuutbundel “Kwaad gesternte”. Hannah van Binsbergen werd geboren in 1993. Zij studeerde wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Van Binsbergen schreef o.a. al voor Trouw en De Groene Amsterdammer. Haar eerste gedichten publiceerde zij op het internettijdschrift Samplekanon en zij schrijft ook voor  Tirade en dw B. In 2016 debuteerde zij met de bundel “Kwaad gesternte”, die haar meteen een nominatie voor de VSB Poëzieprijs 2017 opleverde.

Uit: Kwaad gesternte

 

Nu iedereen met me meekijkt kan ik eindelijk beginnen
te groeien naar de markt. Ze weten allemaal waar ik mee bezig
ben en vinden het niks: de tijd dat de postbode de arme
burger achternazat, de tijd dat de goede postbode
symbool stond voor de dood, hebben we toegestaan
te transformeren tot de nadagen van een hippe planeet.
Ik hoef mijzelf niet meer te dwingen een gezicht op te
zetten om naar buiten te gaan. Al mijn gezichten zijn bekend,
gezien in medische catalogi, besproken in ondergrondse
correspondenties, beproefd in het gebruik. Ik wil eruit
maar nergens ben ik veilig, mijn geweten is iets lichts
geworden nu ik mijzelf altijd moet zien en zien hoe ik door
iedereen gezien word. Sinds de tijd dat de ptt het embleem
was van de dood is veel vergeten dat herinnerd had moeten
blijven, nu te lezen in de levende archieven verspreid over
Europa. Ik steek mijn hand door de brievenbus, voel voor het eerst
het afscheid van mijn onverstuurde brieven.

 

 

Vroeger had ik iets

het was niet groot maar groot genoeg om niet verwacht te worden
het was taai en zorgde dat ik met een schoon geweten
die rooie op zijn bek kon slaan
niemand die het zag
hij zou het nooit vertellen en niemand zou mij ooit geloven
(zo onwaarschijnlijk was het niet, ik was een half hoofd groter
en duizend keer slechter opgevoed)

ik kies julia
ik kies ervoor om op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat niet
enkel in mijn handen ligt
mijn voorkeur hebben mannen die op apen lijken boven
mannen die op honden lijken
ik kies ervoor om terug te gaan naar voorhistorische debatten
ik kies de dood die mij voorspeld is door een sticker
te aanvaarden met een beetje waardigheid
ik kies ervoor om daarna op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat
niet enkel in mijn handen ligt

het was mijn eerste vuistgevecht
een dag tevoren had ik wel een jongen voor zijn scheen geschopt
ik was niet trots
nu wel

ik kijk hem aan – het is nu zes jaar later –
en zie dat hij het meer verdient dan ooit maar vroeger had ik iets
wat net buiten mijn handen lag en dingen voor me deed die niemand zag

 

 

 
Hannah van Binsbergen (1993)