Robert Bly, Hans Kloos, Norman Maclean, Sara Coleridge, Donna Tartt, Tim Fountain, Marcelin Pleynet, J.J.L. ten Kate, Giuseppe Tomasi di Lampedusa

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Bly werd geboren op 23 december 1926 in Madison, Minnesota. Zie ook alle tags voor Robert Bly op dit blog.

Passing an Orchard by Train

Grass high under apple trees.
The bark of the trees rough and sexual
the grass growing heavy and uneven.

We cannot bear disaster like
the rocks-
swaying nakedly
in open fields.

One slight bruise and we die!
I know no one on this train.
A man comes walking down the aisle.
I want to tell him
that I forgive him that I want him
to forgive me.

 

Bach’s B Minor Mass

The Walgravian ancestors step inside Trinity Church.
The tenors, the horns, the sopranos, the altos
Say: “Do not be troubled. Death will come.”

The basses as they sing reach into their long coats
And give bits of dark bread to the poor, saying,
“Eat, eat, in the shadow of jethro’s garden.”

The Clarinets remind us of the old promise
That the orphans will be fed. The oboes reply,
“Oh, that promise is too wonderful for us!”

Don’t worry, my dears. The tidal wave that
Wipes out whole cities is merely the wood thrush
Lifting her wings to catch the morning sun.

We know that God gobbles up the Faithful.
The Harvesters on the sea floor are feeding
All of those ruined by the depth of the sea.

We know that people live and die. Even after
Their tree has splintered and fallen in the night, once
Dawn has come, the birds can do nothing but sing.

 

Watering the Horse

How strange to think of giving up all ambition!
Suddenly I see with such clear eyes
The white flake of snow
That has just fallen in the horse’s mane!


Robert Bly (Madison, 23 december 1926)

Doorgaan met het lezen van “Robert Bly, Hans Kloos, Norman Maclean, Sara Coleridge, Donna Tartt, Tim Fountain, Marcelin Pleynet, J.J.L. ten Kate, Giuseppe Tomasi di Lampedusa”

Volker Jehle

De Duitse schrijver, literatuurcriticus en redacteur Volker Jehle werd geboren op 23 december 1954 in Balingen. Jehle bracht zijn jeugd- en schooljaren door in Ebingen (tegenwoordig: Albstadt). Hij studeerde Duits, Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap, Slavische talen en musicologie aan de universiteiten van Regensburg, Tübingen, Wenen, Mainz, Bamberg. De Master of Arts behaalde hij in 1983 in Mainz. Hij promoveerde in 1990 in Tübingen bij Walter Jens. 1982-1984 beheerde hij de muziekhistorische collectie Jehle in kasteel Stauffenberg in Albstadt-Lautlingen. In 1982 richtte hij het Hildesheimer archief en gaf er leiding aan. Hij was archivaris, bibliograaf en uitgever van Wolfgang Hildesheimer. Het archief bevindt zich sinds 1993 in het archief van de Academie van Beeldende Kunsten, Berlijn. Sinds 1993 is Jehle ook actief als freelance schrijver en journalist. Uit het verhaal “Susanne” in zijn boek “Größerer Dachschaden” ontstond het gelijknamige toneelstuk. Voor zijn boek “Ulrike” schreef hij het scenario “Ulrike”, dat onder de titel” Komm, wir träumen!” werd verfilmd door Leo Hiemer. Sinds 2008 is Jehle werkzaam als wetenschappelijk beheerder van de muziekhistorische collectie Jehle in kasteel Stauffenberg.

Uit: Ulrike

“In Eckarts zweiter Woche hatte Porzig Urlaub. Alle atmeten auf.
Eckart nutzte die Gelegenheit, denn Ulrike saß zufällig ruhig bei ihrer Arbeit, näherte sich vorsichtig und erklärte, ihre Ausbruchsversuche seien jetzt sinnlos.
Sie sah ihn an, als habe sie ihn noch nie gesehen, zweifelnd und zögernd, machte wort­los eine ungeduldige Handbewegung, als wolle sie eine Fliege verscheuchen, und beachtete ihn nicht mehr.
Früher, sagt Eckart und lehnt sich zurück, habe er behauptet, nur wer durch diese Schule gelaufen sei, habe überhaupt etwas zu sagen. Heute sei er sich da nicht mehr sicher. Er spreche nicht mehr oft davon.
Aber da gebe es noch Mappen voll von Zetteln, Gemälden, Briefen, Fotos. Er habe keinen einzigen Fuzel weggeworfen.
Er höre aber sofort wieder auf, wenn ich noch einmal von so einer Scheiße wie dem wieder-
vereinigten Deutschland anfangen würde. Einer, er wisse genau wer, schreibe irgend­wo, „Heil Hitler!“ sei ein kategorischer Imperativ. In Wirklichkeit sei’s eine kategorische Vergeblichkeit. Die Mauer stehe noch, höher und breiter denn je.
Eckart tippt sich an den Kopf.
Neulich seien Tomek – ein Achtelsdeutscher, geboren nach dem Krieg in Sczcecin –, eine Deutsche – geboren vor dem Krieg in Stettin – und er – wider Willen ein Vertreter jener Idioten, die diesen Mist angerührt hätten – hinausgefahren zum toten Haff. Die Deutsche habe seit der Flucht ihr Heimatdorf zum ersten Mal besucht, Tomek habe sich als Dolmetscher zur Verfügung gestellt und er – Eckart – sei der Chauffeur gewesen.
Die alte Schule, das Haus des Großvaters, das Haus ihrer Eltern, Häuser der Kindheit, die geschnitzten Holztüren windschief, die Scheiben zerbrochen, die offenstehenden Keller bis unter die Decke voller Schutt und Gerümpel, die Gärten erledigt, viele Häuser überhaupt verschwunden, Baumaterial für die nahegelegene Fabrik, der Friedhof auch ver­schwunden, zugewachsen. Die Dorfstraße unter Bäumen öde, kein Bus, kein Auto, kein Mensch, nicht einmal ein Hund. Gespenstische Stille.
Plötzlich sei aus dem letzten Haus ein alter Mann gekommen und habe sich neben sie auf die Straße gestellt. Die ehemals weiße Jacke mangels Knöpfen offen, der Trommel­bauch von einem Kleidungsstück, das gewiß seit Monaten nicht abgelegt worden war, kaum bedeckt, die löchrige verkrustete Hose von breiten Trägern mühsam hochgeschnallt, der Hosenbund viel zu weit, ein freier Blick an der schmierigen Unterhose den Beinen entlang auf die ausgetretenen Latschen, im Gesicht lange weiße Stoppeln, und ein Zahn­verhau daß Gott erbarm, die rechte obere und linke untere Reihe weg, der Rest gelb und schwarz, in alle Richtungen.“

 
Volker Jehle (Balingen, 23 december 1954)

Hans Tentije

De Nederlandse dichter en schrijver Hans Tentije (pseudoniem van Johann Krämer) werd geboren in Beverwijk op 23 december 1944. Hij groeide op in Wijk aan Zee en las al vroeg poëzie van Slauerhoff, Achterberg en de Vijftigers. Na zijn opleiding werd hij leraar Nederlands en richtrw zich op een schrijverscarrière. Aanvankelijk leek het erop of Tentije een prozaïst werd: in 1970 publiceerde hij enkele romanfragmenten in De Gids. Yoen de roman voltooid was vond Tentije deze zo experimenteel van karakter dat hij de enige was die hem kon lezen. In 1975 debuteerde Tentije met de poëziebundel “Alles is er en andere gedichten”. De bundel werd zeer goed ontvangen en werd bekroond met zowel de Van der Hoogtprijs als de Herman Gorterprijs.  De tweede bundel van Tentije, “Wat ze zei en andere gedichten” (1978), werd eveneens goed ontvangen in de pers. De volgende bundels echter, waaronder “Nachtwit” (1982) en “Schemeringen (1987) worden een stuk minder goed besproken. De humoristische ondertoon van de vorige bundels maakt plaats voor een meer melancholische inslag. Tentije stelt zich als dichter afstandelijker op: als commentator en beschouwer. In 1990 debuteerde Tentije toch nog als prozaïst met zijn roman “De innerlijke bioscoop. Het boek kreeg enkele positieve besprekingen, maar werd verder weinig opgemerkt. In 1994 verscheen er, buiten de bloemlezing “Drenkplaatsen: gedichten1975-1987”, ook de bundel “Van liefde en sterfte”. In opdracht van het Amsterdams Fonds voor de Kunst ontstond een samenwerking tussen Hans Tentije en kunstenaar Rob Verkerk, hij maakte schilderijen bij de bundel “Hoe het leven geleefd wordt”. Tentije ontving meerdere prijzen voor zijn dichtbundels, zo won hij in 1979 zowel de Van der Hoogtprijs als de Herman Gorterprijs voor “Wat ze zei en andere gedichten”. Ook zijn bundel “Deze oogopslag” werd in 2005 bekroond met de Guido Gezelleprijs van de stad Brugge.

Hieromtrent

Langgerekte schaduwen en de mensenschuwe
straat verdwijnt voorbij de duinenrij, het naaldbos ginds
maar keert via slinkse omwegen
toch weer midden tussen de huizen terug

in een verzonnen of net even te hardop gedroomde
werkelijkheid valt een wonderlijke gloed over alles, de tijd moet
de tegengestelde richting zijn ingeslagen
om op deze vroegere ochtend verzeild te raken
waardoor dadelijk het vermoeden rijst
dat het verleden onveranderlijk synchroon met ons loopt –

wind trekt golven door de dennen en ondergronds
heeft de zee schelpenbanken, helse
brekers en muien afgetekend misschien

ook hier is geen plaats genoeg om het vele te bewaren en zoekt
stuifzand vergeefs achter de stoepranden
beschutting, terwijl rook van loof dat verstookt wordt
komt overgewaaid van de landjes
en er rond een lantaarnpaal heelhuids
een sleetse fietsband ligt –

hoeveel moeite getroosten de dingen zich niet

 

Insula dei

In gestichtskleren hebben ze hun armen voorwaarts gestrekt
brengen ze hun vingertoppen boven hun hoofd bij elkaar
zoals ze geleerd is: rij om rij

de zuster bij ’t wandrek heeft iets in haar blik van geknoei
met zeepsop of breinaalden, maar dan van jaren later
ordeoefeningen van de Kleine Weesjes

of neem de meisjes van de afdeling Burger Naaischool
zoveel zijn ’t er dat de meesten zelfs op de foto
nog niet tot hun recht komen

bloesjes en jurken trots uitgestald voor zich op de bank
ieder een klosje heel wit garen, een centimeter
haast symbolies om de hals

terwijl er daarbinnen met gloed verteld wordt van de hel
betekent straf eenzame opsluiting bij de briketten
in ’t kolenhok

gezichten van die nonnen, hun advertenties in De Volkskrant
straks; stel je voor dat de klok eens echt was
blijven stilstaan op bijna half vier

 
Hans Tentije (Beverwijk, 23 december 1944)