Daniël Dee, Lize Spit, Lucia Berlin, Frank Witzel, Johnny van Doorn, Cristina Peri Rossi, Naomi Wolf

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

*

de fabriek waar compassie wordt geproduceerd
is stilgevallen en voor het eerst in eeuwen
komen de arbeiders naar buiten hun gezichten
ouder dan de tijd van woorden de arbeiders
ze schreeuwen niet maar in hun ogen staat
het verwijt te lezen: jullie zijn ons vergeten

 

Magie en hekserij

overblijvende
nachtschade

geneeskrachtig
helderziend

ei van de geest
liefdesplant
vertakt of gevorkt

ingesneden
afzonderlijk
ondergronds

giftig
hallucinogeen

duizeligheid
angstaanvallen
slapeloosheid
zware gevallen
woedeaanvallen
ademhalingsproblemen
delier
warmtegevoelens

heksenkruid
heksendrankjes en heksenzalf

miniatuurmensje
probeerseltje van de mens
bewerkt en besneden
 
het zeggen van speciale formules
en het dansen van bepaalde dansen

ijzingwekkende schreeuw
dodelijke schreeuw

lijkvocht
de urine en het zaad
galgenmannetje

 

 
Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

Continue reading “Daniël Dee, Lize Spit, Lucia Berlin, Frank Witzel, Johnny van Doorn, Cristina Peri Rossi, Naomi Wolf”

Hans Werner Richter, Michael Ende, Roland Barthes, Oskar Panizza, Juana Inés de la Cruz, Jacobus Bellamy

De Duitse dichter en schrijver Hans Werner Richter werd geboren op 12 november 1908 in Bansin op het eiland Usedom. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Hans Werner Richter op dit blog.

Uit: Spuren im Sand

„Er hielt sich stramm, wie sich alle damals strammhielten, mit durchgedrücktem Kreuz und stolzem, geradeaus gerichtetem Blick. Etwas von dem Stolz und der Macht des Kaiserreichs war um ihn. Er konnte nicht schwimmen und war doch Bademeister – aber was machte das schon, angesichts von soviel Haltung und Würde, die damals überall zum Ausdruck kam. Mit aufgekrempelten Hosen stand er barfuß auf der Treppe der Badeanstalt, eine Art Autohupe in der linken Hand, und sah aufs Meer hinaus. Wenn jemand zu weit hinausschwamm. führte er die Hupe an den Schnurrbart, plusterte die Backen auf und gab einen schauerlichen Ton von sich. Mir erschien es dann, als beruhige sich das Meer unter diesem gewaltsamen, herrischen Ton meines Vaters augenblicklich.
Damals war das Meer, das heißt ein Stück des Meeres, noch für die Badenden abgezäunt und mit Stacheldraht und Planken begrenzt. so daß eigentlich niemand weit hinausschwimmen konnte; aber es war anscheinend eine Zeit der verbotenen Wege. und so gelang es immer einigen Verwegcncn, das offene Meer zu erreichen. Meinem Vater mißlielen diese Leute außerordentlich, denn er hatte nun einmal bei den Ulanen in Prenzlau gestanden und das Gehorchen gelernt. Er amtierte in einem Familienbad. Es gab außerdem noch ein Herren- und ein Damenbad, denn damals wurden die Geschlechter noch säuberlich voneinander getrennt.
Das war mein Vater. Er hatte, wie die meisten Väter im Ort, acht Kinder. und einige hatten zehn oder zwölf. Es war eine Zeit des Überflusses. Der Kaiser ging mit einem gesunden Geburteniiberschuß voran – und alle, alle folgten ihm. Es herrschte Ruhe und Ordnung. und auch in unserem Ort gab es eine feststehende Hierarchie. die mit dem Gemeindevorste her und Feuerwehrhauptmann begann und mit dem ärmsten Valdarbeiter endete.
Eines Nachmittags, und dieser Nachmittag gehört zu meinen ersten unklaren Erinnerungen, saß ich zu Füßen meiner Mutter, die an einem Plättbrett stand und bügeltc, als eine Frau mit einem hochgeschnürten Busen eintrat und mit meiner Mutter ein Gespräch begann.
Anna«‚ sagte sie, »was ist denn nun mit Richard?«
Was soll schon mit Richard sein?«
Der Großherzog ist doch dagewesen?«
Du meinst den Großherzog von Mecklenburg?«

 
Hans Werner Richter (12 november 1908 – 23 maart 1993)
Portret door  Nils Burwitz, 1988

Continue reading “Hans Werner Richter, Michael Ende, Roland Barthes, Oskar Panizza, Juana Inés de la Cruz, Jacobus Bellamy”

Malcolm Guite

De Engelse dichter, singer-songwriter, Anglicaans priester en academicus Ayodeji Malcolm Guite werd geboren op 12 november 1957 in Ibadan in Nigeria. Bij de geboorte kreeg hij de voornaam Ayodeji wat “de tweede vreugde” betekent. Zijn ouders waren Britse expats en zijn vader werkte als Methodistisch predikant. Na 10 jaar Nigeria verhuisde het gezin naar Canada. Zijn ouders stuurden Guite echter naar een Britse kostschool, omdat zij vreesden dat hij zijn Engelse identiteit zou kwijtraken. Hij behaalde zijn MA in Engelse literatuur en promoveerde later in de filosofie op werk van Lancelot Andrewes, John Donne rn T.S. Eliot. Hij is momenteel een Bye-Fellow en aalmoezenier van Girton College, Cambridge en associate kapelaan van St. Edward Koning en Martyr in Cambridge. Ook werkte hij als gastdocent aan diverse hogescholen en universiteiten in Engeland en Noord-Amerika. Guite publiceerde o.a. “What do Christians Believe?” (2006), “Faith Hope and Poetry” (2010), “Sounding the Seasons; Seventy Sonnets for the Christian Year” (2012) en “The Singing Bowl; Collected Poems” (2013). Hij is ook werkzaam als librettist voor componist Kevin Flanagan en zijn Riprap Jazz Quartet, en heeft ook samengewerkt met de Amerikaanse componist J.A.C. Redford en met de Canadese singer-songwriter Steve Bell op zijn CD “Keening For The Dawn”. (2012) In 2015 was hij ‘Visionary in residence’ aan Biola University in Los Angeles.”

Silence

November pierces with its bleak remembrance
Of all the bitterness and waste of war.
Our silence tries but fails to make a semblance
Of that lost peace they thought worth fighting for.
Our silence seethes instead with wraiths and whispers,
And all the restless rumour of new wars,
The shells are falling all around our vespers,
No moment is unscarred, there is no pause,
In every instant bloodied innocence
Falls to the weary earth ,and whilst we stand
Quiescence ends again in acquiescence,
And Abel’s blood still cries in every land
One silence only might redeem that blood
Only the silence of a dying God.

 

Thanksgiving

Thanksgiving starts with thanks for mere survival,
Just to have made it through another year
With everyone still breathing. But we share
So much beyond the outer roads we travel;
Our interweavings on a deeper level,
The modes of life embodied souls can share,
The unguessed blessings of our being here,
The warp and weft that no one can unravel.
So I give thanks for our deep coinherence
Inwoven in the web of God’s own grace,
Pulling us through the grave and gate of death.
I thank him for the truth behind appearance,
I thank him for his light in every face,
I thank him for you all, with every breath.

 
Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)

A.J.D. van Oosten

De Nederlandse dichter en schrijver Abraham Jan Daniël van Oosten werd geboren op 12 november 1898 in Delft. Van Oosten was een autodidact die eerst werkte als huisschilder, maar later ambtenaar werd en journalist. Hij behoorde aanvankelijk tot de Jong Protestantse groep, maar ging in 1931 over tot de rooms-katholieke kerk en was van 1934 tot 1939 redacteur van De Gemeenschap. In de jaren dertig verschenen met vrij grote frequentie dichtbundels van hem: “Het vuurwerk” (1930), “Slagen op de ruit” (1935), “De dag beweegt” (1936), “Vuur en Droom” (1937), “Schip en Vrouw”(1937) en “Vuursteen”(1940).

Het idiote oude mannetje

Bidt voor ’t oud mannetje dat altijd beeft en knikt
zijn lieve zoontjes heeft hij beiden jong zien sterven
– de onnoozelen zullen Gods rijk beërven –
Als hij een ranke knaap ziet staat hij stil, verschrikt;
een ieder zegt dat hij van Lotje is getikt.

 

Het kantoor

Gods alziend oog vindt ons verdord van zin
gebogen over acten en statuten,
de dag verzwindt in rinzige minuten
en ’t klokgetik spint ons als muggen in,
hier is geen eind, hier is geen nieuw begin.

 

Augustus

Augustus heeft zijn tenten opgeslagen,
en heerscht doorluchtig over ’t heerlijk land,
heiden en hemel zieden te’ allen kant
van ’t goud en brons der schelle zonnevlagen.

Hoogzomer ment der dagen vuurgen wagen
de horizonnen rond, en wendt ten rand
der ijle kimmen ’s nachts den blanken brand
van ’t slapend licht tot nieuw en hèller jagen.

De dennen broeien, de erica vlamt paars,
’t fel vogellied vliet ’t bosch vol van geluiden,
’t groot levensland viert ’t koningsfeest des jaars.

Over ’t gekroonde koren op den enk
wuift warme wind zijn loomen groet uit ’t Zuiden
en kust de halmen in zijn zoelen zwenk.

 
A.J.D. van Oosten (12 november 1898 – 23 januari 1969)

Carl Busse

De Duitse dichter en schrijver Carl Hermann Busse werd geboren op 12 november 1872, waarschijnlijk in Lindenstadt bij Birnbaum in Posen. Busse bezocht het Gymnasium in Wongrowitz. Hij woonde vanaf 1893 in Berlijn en bezocht daar het Militärpädagogium. Vanaf 1894 studeerde hij filologie, geschiedenis en filosofie aan de Universiteit van Berlijn en publiceerde in 1898 met Wolfgang Golther aan de Universiteit van Rostock een werk over de lyrische poëzie van Novalis. Vanaf 1898 was hij actief als freelance schrijver en literatuurcriticus in Berlijn, mederedacteur van het Deutsche Wochenblatt, een tijdschrift voor politiek, kunst en literatuur, en medewerker van Velhagen & Klasings Monatsheften. Busse was mede-oprichter van het “Kartel van Duitse Lyrische Auteurs”. De componist Heinrich Kasperschmid zette in 1903 het gedicht “Schöne Nacht” voor stem en piano op muziek. Er volgden meer componisten die zijn werk op muziek zetten. Busse nam vanaf 1916 deel aan WO I en kreeg het IJzeren Kruis II-klasse uitgereikt. Hij stierf aan de Spaanse griep, die in 1918 in Europa woedde. In Berlijn is de Busseallee genoemd naar hem.

Schöne Nacht

Schöne Nacht, Gestirne wandeln
Heilig über dir,
Und des Tags bewegtes Handeln
Stillt zum Traum sich hier.

Was ich sehne, was ich fühle,
Ist nun doppelt mein,
Ach in deiner keuschen Kühle
Wird es gut und rein!

Und so bringst du diese Erde,
Bringst mein Herz zur Ruh,
Daß es still und stiller werde,
Schöne Nacht, wie du!

 

An einen Jugendfreund

Schon auf der Schulbank saßen wir zusammen
Und lasen uns die ersten Lieder vor,
Und in uns beiden schlugen wild die Flammen
Der ersten heißen Leidenschaft empor.
Du lieber Gott, was waren das für Zeiten!
Rapiere blitzten und der Becher klang,
Und trutzig brauste durch die Frühlingsweiten
Aus junger Brust der Sekundanersang.

Und hat das Leben uns auch längst vertrieben
Aus unsrer Jugend heitrem Blütenland,
Die alten Freunde sind wir doch geblieben,
Weil dich und mich der gleiche Schmerz verband.
In unsrer Seelen tiefverborgnem Grunde
Liegt still ein Grab, davor wir beten gehn
Und für die Liebe, die wir dort begruben,
Giebt es kein Ostern und kein Auferstehn.

So gehn wir einsam durch ein schweres Leben
Mit müdem Sinn, bis uns der Tod einst bricht,
Mir hat der Schmerz den Dichterkranz gegeben,
Dich ziert kein Kranz – dich ruft nur rauh die Pflicht.
Es trieb der Nacht tiefdunkelndes Gefieder
Zwei Freunde fort, weitfort von Glück und Haus,
Der eine singt noch wilde Sehnsuchtslieder,
Der andre weint sich nur im stillen aus.

 
Carl Busse (12 november 1872 – 3 december 1918)