A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog en alle tags voor van der Heijden op dt blog.

Uit: Kwaadschiks

“Er is geen geluid bij. Het scherm toont afwisselend een kleine boot met een lijkkist aan boord en een zwarte rouwkoets die zich, getrokken door een vierspan, over het pad langs de rivier beweegt. Het vaartuig wordt gefilmd vanaf de wal, het rijtuig vanaf de scheepsvloer, allebei door een lichte nevel en vervagende rietpluimen heen. Close-up koetsier: hij draagt een zwarte mantel en een driekantige steek omlijst met rafelige franje. Over de paarden zijn lila dekkleden gelegd, die op de ogen en de neusgaten na ook hun hoofden omhullen, als bij een middeleeuws toernooi.
Het camerastandpunt aan boord verandert enigszins, zodat nu de doodskist op de voorgrond in z’n geheel te zien is. Er ligt een Nederlandse vlag overheen, met op de witte baan een bloemstuk van rode rozen en blauwe linten. De lens richt zich weer op, en kijkt dan recht in het binnenste van de lijkkoets: leeg nog.
‘Beetje audio erbij?’ stelt Quispel zijn cliënt voor. ‘Ik mis het klossen van die knollen.’
Over het morsige tafelblad heen reikend steekt de advocaat zijn hand naar de muis uit, maar cliënt, die zich voortdurend al in bochten heeft zitten wringen om niets van het scherm te hoeven zien, schudt heftig het hoofd: ‘Alsjeblieft, Ernst, doe me ’n lol.’
Met zijn onderarmen steunend op de rug van een stoel blijft Quispel het filmverslag volgen. Linksonder in beeld geven witte computercijfers de datum en het tijdstip, tot op rennende tienden van seconden precies, maar hij hoeft zijn Rolex niet te raadplegen om te weten dat de opnames live zijn. Het bootje richt de steven naar de aanlegsteiger, waarbij het een moment dwars op de stroom ligt. Het cameraoog glijdt omhoog langs de open poort, en onthult de naam van de begraafplaats, in gietijzeren krulkapitalen:

commervlugt

Voordat de rechercheurs, De Knegt en Van Baars, de verhoorkamer verlieten, kreeg cliënt na aandringen van zijn advocaat toestemming om een sigaret op te steken. (De Knegt had met heel zijn rossige drift nog geprotesteerd: ‘Sinds begin deze maand geldt er een rookverbod voor de horeca… en dan zullen wij er hier even een doorgepaft hol van laten maken’ – maar de buikige Van Baars, de veronderstelde good cop van de twee, deed het met een sussend gebaar af: ‘Een saffie maakt hem misschien wat spraakzamer.’)”

 
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Doorgaan met het lezen van “A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov”

Italo Calvino, Tessa de Loo, P.G. Wodehouse, Mario Puzo, Vergilius, Kees Beekmans

De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Italo Calvino op dit blog.

Uit:Invisible Cities (Vertaald door William Weaver)

“And these innovations do not disturb your city’s astral rhythm?” I asked.
“Our city and the sky correspond so perfectly, ” they answered, “that any change in Andria involves some novelty among the stars.” The astronomers, after each change takes place in Andria, peer into their telescopes and report a nova’s explosion, or a remote point in the firmament’s change of color from orange to yellow, the expansion of a nebula, the bending of a spiral of the Milky Way. Each change implies a sequence of other changes, in Andria as among the stars: the city and the sky never remain the same.
As for the character of Andria’s inhabitants, two virtues are worth mentioning: self-confidence and prudence. Convinced that every innovation in the city influences the sky’s pattern, before taking any decision they calculate the risks and advantages for themselves and for the city and for all worlds.
If you choose to believe me, good. Now I will tell how Octavia, the spider-web city, is made. There is a precipice between two steep mountains: the city is over the void, bound to the two crests with ropes and chains and catwalks. You walk on the little wooden ties, careful not to set your foot in the open spaces, or you cling to the hempen strands. Below there is nothing for hundreds and hundreds of feet: a few clouds glide past; farther down you can glimpse the chasm’s bed.
This is the foundation of the city: a net which serves as passage and as support. All the rest, instead of rising up, is hung below: rope ladders, hammocks, houses made like sacks, clothes hangers, terraces like gondolas, skins of water, gas jets, spits, baskets on strings, dumb-waiters, showers, trapezes and rings for children’s games, cable cars, chandeliers, pots with trailing plants.
Suspended over the abyss, the life of Octavia’s inhabitants is less uncertain than in other cities. They know the net will last only so long. “

 
Italo Calvino (15 oktober 1923 – 19 november 1985)

Doorgaan met het lezen van “Italo Calvino, Tessa de Loo, P.G. Wodehouse, Mario Puzo, Vergilius, Kees Beekmans”

Riekus Waskowsky

De Nederlandse dichter Hendericus Mattheus (Riekus) Waskowsky werd geboren in Rotterdam op 15 oktober 1932. Eén van zijn overgrootvaders was een Poolse vuurtorenwachter die in het midden van de negentiende eeuw aan de Nederlandse kusten terechtkwam; hij bracht de naam Waskowsky naar Nederland. Riekus kampte met een zwakke gezondheid: astmatische aanleg. Hij las al vroeg alles wat los en vast zat, Na de oorlog doorliep Riekus eerst de Mulo en vervolgens de Hogere Burger School. Hierna bezorgde zijn vader hem een baantje in de BP-raffinaderij bij de Rotterdamse haven. Na zijn werk in de fabriek bracht hij anderhalf jaar door in militaire dienst, en pas daarna begaf hij zich naar Amsterdam om sociale psychologie te studeren. In dit vak behaalde hij midden jaren vijftig zijn kandidaatsexamen, daarnaast volgde hij colleges in politieke wetenschappen en filosofie. In 1964 werden er voor het eerst gedichten gepubliceerd in een ‘officieel’ literair tijdschrift, “Vandaag”. Waskowsky’s naam als dichter raakte langzaam gevestigd. In 1968 kreeg hij de Alice van Nahuys-prijs voor zijn debuut “Tant pis pour le clown”. In 1968 verscheen zijn tweede bundel “Slechts de namen der grote drinkers leven voort” opnieuw waren de kritieken overwegend positief. Behalve met het schrijven van eigen werk hield hij zich ook bezig met het vertalen van het werk van anderen. Uit het Spaans vertaalde hij onder andere gedichten van Pablo Neruda. Hij vertaalde ook “Zwart kwaad” van Evelyn Waugh. Riekus Waskowsky was onder meer bevriend met Jules Deelder, aan wie hij het gedicht Op de sien opdroeg, en met Gerrit Komrij en J.P. Guépin.

Archeoloog

Hij is niet gelukkig nu langzaam
na jaren voorbereiding zijn handen
de bedolven stad bevrijden.

Kranten en vakbladen
zullen over zijn vondsten juichen –
maar hij is niet gelukkig.

Oude vormen van wanhoop, de resten van het leven
dat hij aarzelend blootlegt, vullen zijn hart.

1200 jaar voor Christus sterft hij dan
bij de verwoesting van Mycene.

 

‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen…’

Het is dezelfde verwarring, Trutje – na alle
opwinding en rook heb ik mij uitgestrekt op

de vloer – ondanks de vrienden in lachkick.
‘Hoe voel je je nou?’ vragen ze en ‘Mm’ zeg ik

met moeite en dan springt een aankomend magier
op (kompleet met blikken kruis en plastic

doodshoofd) en buldert: ‘Luister, o aarde
luister, de laatste geheimen zijn nu ontsluierd’.

Maar wat weten de vrienden in godsnaam van de
vrienden? Er zijn momenten waarop er een zoete

rook van begrip in deze bouwvallige woning
kringelt… A perfect understanding – zoals toen

je knipoogde op het ogenblik dat ik mij in je
gruwelijk amuseerde… Maar het is dezelfde

verwarring – onverbiddelijk komt het moment
waarop je je afvraagt of de vrienden wel een ik

zijn (het is nooit gegeven, je kan het hoogstens
veronderstellen naar analogie van jezelf).

Toen de rook was opgetrokken, Trutje, kwamen
de tranen waarmee je terugging naar je man.

 
Riekus Waskowsky (15 oktober 1932 – 14 april 1977)

Alfred Neumann

 

De Duitse schrijver Alfred Neumann werd geboren op 15 oktober 1895 in Lautenburg als zoon van een joodse houtindustrieel en bracht zijn jeugd door in Berlijn, Rostock en Franstalig Zwitserland. Vanaf 1913 studeerde hij kunstgeschiedenis en na WO I promoveerde hij. In München werkte hij eerst als lector bij een uitgeverij, van 1918 tot 1920 als dramaturg van de Kammerspiele en als freelance schrijver. Neumann emigreerde in 1933, woonde tot 1938 in Fiesole, toen in Nice en vanaf 1941 in Los Angeles, waar hij Amerikaans staatsburger werd. In 1949 keerde hij terug naar Europa en vestigde zich in Florence. De vroege novelle “Lehrer Taussig” is nog schatplichtig aan het expressionisme, maar al gauw kwam hij in de verleiding om het beeldende ruimtegevoel van de barok stilistisch om te zetten in de taal van de kunst. Het historische onderwerp, waar hij zich op richtte bood hem altijd een gelegenheid om de diepten van de menselijke ziel te verkennen. De schelmenroman “Narrenspiegel” gaat over het avontuurlijke leven van de eeuwig failliete hertog vab Liegnitz Heinrich, die ooit het Hugenotleger aanvoerde en bijna koning van Polen werd. De roman “Der Patriot” speelt zich af voor de historische achtergrond van de moord op tsaar Paul I en werd in 1928 succesvol verfilmd met Emil Jannings in de hoofdrol. Tijdens zijn tijd in Californië schreef hij de roman “Der Pakt” over de Amerikaanse kolonel William Walker, die in de 19de eeuw tot president van Nicaragua werd gekozen, maar het land in een dictatuur veranderde.

 Uit: Strange Conquest (Der Pakt, vertaald door Ransom T. Taylor)

“They pushed through the roadblock and ran along the houses in two columns without losing a single man. They received fire, but it was irregular, inaccurate, and seemingly hesitant. Two men were lost at the next roadblock and here it became apparent that the enemy took poor aim, fired too high, and couldn’t face a frontal attack, especially when the attackers yelled. The Falange got through.
But then there was yelling behind them in their own tongue, terrible in its agony. Now they knew that one of the two who had gone down before the roadblock had not been dead, but would be soon. They wanted to go back.
“Keep going!” roared Kewen, brandishing his pistol.
They got a few paces further, then drew fire from every window, and behind them the road block closed like a cattle gate.
“Keep going!” Kewen yelled, and they snarled at him like angry dogs. He dropped his pistol, stunned by their mutiny.
They crawled into the two nearest houses on their right and left and, roaring with rage, cleaned them of five snipers each. They cleaned them out with their bayonets.
They didn’t budge from those holes. Five of them now lay outside, between the two houses, and two lay back by the roadblock. That made seven. Jonny Felice lay in the outskirts of the town. That made eight. In Tola under the rattling coconuts lay Crocker. That made nine.
Achilles Kewen was still around. He popped back and forth between the two houses, made speeches, insulted the troops, wasted his luxuriant stock of Kentucky curses on them. They didn”t budge from their holes. Every time he skipped across the street, he was fired on, and finally it got too much for him, or he lost his head. He planted himself in the middle of the street and yelled: “You yellow bastards! You yellow bastards!” He yelled it only twice. Then he ripped his mouth wide open as for a huge laugh, and only when he pitched forward did anyone see the hole in his forehead. Now there were ten gone.”

 

 
Alfred Neumann (15 oktober 1895 – 3 oktober 1952)