Irvine Welsh, Ignace Schretlen, Ko de Laat, Kay Ryan, Josef Škvorecký, Esther Verhoef, Christian Schloyer

De Schotse schrijver Irvine Welsh werd geboren op 27 september 1958 in Leith, Edinburgh. Zie ook mijn blog van 27 september 2010 en eveneens alle tags voor Irvine Welsh op dit blog.

Uit: Skagboys

“We head oot and dive oantae a 16, bound fir Johnny’s pad at Tolcross. It’s a blindin hot day so we sit doonstairs at the back for a better view ay the passin fanny. Back top deck wi Begbie, tae intimidate wideos, back bottom wi Sick Boy tae leer at lassies. Life has its simple codes.
– This is gaunny be so much fun, Sick Boy says, and rubs his hands thegither. – Drugs are always fun. Do you believe in cosmic forces, destiny n aw that shite?
– Nup.
– Me neither, but bear one thing in mind: today was a ‘T’ day.
– What … ? ah ask, then it dawns on us. – Yir dictionary thingy.
– All will be revealed, he nods, then starts talking about heroin.
Smack’s the only thing ah huvnae done, ah’ve never even smoked or snorted it. And ah must confess that ah’m fuckin shitein it. Ah wis brought up tae believe that one joint ay hash would kill me. And, of course, it wis bullshit. Then one line ay speed. Then one tab ay acid; aw lies, spread by people hell-bent on self-extermination through booze and fags.
But heroin.
It’s crossing a line.
But as the boy said, anything once. And Sick Boy doesnae seem concerned, so ah bullshit tae keep ma front up. – Aye, ah cannae wait tae dae some horse.
– What? Sick Boy looks at me in horror as the bus growls up the hill. – What the fuck are you talking aboot, Renton? Horse? Dinnae say that in front ay yir dealer mate or he’ll laugh in yir face. Call it skag, for Papa John-Paul’s sake, he snaps, then stares oot at a short-skirted lassie meandering wi seductive intent up Lothian Road. – She’s a peach … far too carefree in bearing and expression tae be a baboon …
– Right … ah feebly respond.”

 
Irvine Welsh (Edinburg, 27 september 1958)

Doorgaan met het lezen van “Irvine Welsh, Ignace Schretlen, Ko de Laat, Kay Ryan, Josef Škvorecký, Esther Verhoef, Christian Schloyer”

Constantijn Huygens-prijs 2016 voor Atte Jongstra

 

Constantijn Huygens-prijs 2016 voor Atte Jongstra

Aan de Nederlandse schrijver Atte Jongstra is de Constantijn Huygens-prijs toegekend. Hij krijgt de prijs voor zijn hele oeuvre, maakte de Jan Campert-Stichting maandag bekend. De Nederlandse schrijver en essayist Atte Jongstra werd geboren in Terwispel op 13 augustus 1956. Zie ook alle tags voor Atte Jomgstra op dit blog.

Uit: Klinkende ikken

 “Je zou er na vijftig jaar toch eens aan gewend moeten zijn, maar de naam van mijn familie komt me nog steeds belachelijk voor. Ik krijg een heel vreemd gevoel als ik onder een krantenstuk of op de omslag van een boek de naam Jongstra zie staan. Ik heb geprobeerd eroverheen te komen door de hoofdpersoon van een roman (De tegenhanger, 2003) mijn naam te geven.Het hielp niet. Heette ik maar Van der Linde, Oosterbaan, Roorda van Eysingha of gewoon De Leeuw.
Ik las eens een stuk in een oude krant waarin iemand voorkwam die werd aangeduid met ‘Veldwachter Jongstra’. Natuurlijk, dacht ik. Alle veldwachters heten Jongstra en daarom moeten alle Jongstra’s veldwachters zijn. Wat kunnen mensen met zo’n achterlijke naam anders worden dan veldwachter? Mijn grootvader en zijn broer waren het allebei. Mijn vader was weliswaar onderwijzer, maar in ons dorp was dat tevens een soort hulpagent, een nevenfunctie die hij met verve vervulde.
Ik heb altijd gedacht dat er maar heel weinig mensen Jongstra heten. Dat was in mijn ijdele dagen. Van De Jong, Jongsma, Jongema heb je er heel veel, maar Jongstra – nee.
Ik zat eens op een veiling en had al enkele pakketten boeken gekocht. Bij een ander gewenst lot verloor ik bij het bieden.
‘Welke naam mag ik noteren?’ vroeg de veilingmeester.
‘Jongstra,’ riep de gelukkige koper.
Ik stond verbijsterd op: ‘Dat kan niet, zo heet ik!’
Klaterend applaus.
Zoiets doet je voelen dat je Jongstra heet.
Het is verschrikkelijk een naam als de mijne te moeten dragen, terwijl ik denk dat iemand als Harry Mulisch altijd verrukt is geweest van zijn naam.
Het beeld van een boekwinkel met in de etalage “DeWerken van Atte Jongstra” is eenvoudigweg lachwekkend. “Verzamelde gedichten van Atte Jongstra”? Ondenkbaar. Wie wil zulke gedichten lezen? Met pseudoniemen goochelen heb ik heus gedaan, ik ben echter altijd weer bij Jongstra teruggekomen. Macht der gewoonte? De kracht van dat ene, ellendige feit dat ik Jongstra heet? Ik kon er hoe dan ook niet tegenop.
Deze naam is dus de mijne. Daar komt mijn miserabel uiterlijk nog eens bij. Wat heb ik als jongen in de schooltoiletten vaak voor de spiegel gestaan en bittere tranen gestort. Een rooie kop. Een onaangenaam gezicht, glimmend (niet droog). Mijn haar als in een helm op het hoofd, als een dicht bos veren; ik zou later nog eens het scheldwoord ‘helmcasuaris’ toegeslingerd krijgen. Ik smeerde er vet in, maar het wou zich niet neerleggen. Absurd, nooit zoiets bij anderen gezien. Dan ging ik naar huis om er onmiddellijk in een spiegeltje te kijken.”

 
Atte Jongstra (Terwispel, 13 augustus 1956)