Koning (Nachoem Wijnberg)

Bij Koningsdag

 

 
Koningsdag in Eindhoven, 2015

 

Koning

(Waar is de vorige koning?’

Vandaag is hij bij mij weggegaan, zei de koningin.

Hoeveel koningen waren er voor hem, of was hij de eerste die niemand
durfde na te doen?

Hij zei dat hij mij alles had zien doen wat andere vrouwen ook doen.

Liet de vorige koning met een dier spelen als met een bal die niet op de
grond mag vallen?

Ik vroeg hem of hij mij iets wilde zien doen wat geen andere vrouw doet.)

Deze bewegingen moeten ook een koningin hebben:

de armen uitstrekken, een verre sprong maken, kort blijven liggen.

Wat voor dier kan dit doen zodat zij het niet hoeft te doen

(een dier dat niet kan springen kan gegooid worden)

als van wat de koning zou kunnen leven zonder haar te zien?

 

 
Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)

 

Zie voor de schrijvers van de 27e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Astrid Roemer, Hovhannes Shiraz, August Wilson, Edwin Morgan, Jules Lemaître, Cecil Day Lewis, Fethullah Gülen

De Surinaamse dichteres en schrijfster Astrid Roemer werd in Paramaribo geboren op 27 april 1947. Zie ook alle tags voor Astrid Roemer op dit blog.

Uit:Een graat in mijn bloed

“En de daklozen zopen zich impotent aan goedkoop bier en hun vrouwen naaiden elkaar op door het voortdurend te hebben over die ene vrouw en dat ene meisje, die de honger niet aankonden en zich aldus verkochten aan de heren van de herenhuizen. Want de stad was een bordeel en de heren kregen nergens anders het gevoel dat ze lééfden!
Maar: de massa van mensen is toegenomen in aantal en soort; de massa-communicatiemiddelen brengen triviaal vermaak en iedereen die aan de zelfkant van de samenleving sukkelde is rijker geworden en aldus geëmancipeerd tot burger.
En de stad is moederlijk geworden: zij ijvert met haast instinctmatige gedrevenheid voor het zuiver houden van haar kroost, het schoonhouden van haar wegen, muren, buurten, scholen, kantoren, discotheken en voor het zuiverhouden van haar zorgvoorzieningen. En wij: de mensen met de zoekende ogen en met de doorlopend kauwende kaken; wij – waarvan de vrouwen altijd zwanger en in bevalling zijn; wij met onze horden schreeuwende grijpgrage kinderen; wij, die zonen baren die niets anders aan het hoofd hebben dan walkmans en maagden – wij dringen door. Want: de steden hebben zich door ons laten ontmaagden. Een stad met allure laat zich onvoorwaardelijk nemen door iedereen die haar voor het eerst bezoekt.
Niemand hoeft naar haar te lonken; niemand hoeft te betalen.
De stad gaat trillend plat – zodra zij de levensadem voelt van vrouw en man: piepjong & stokoud, homo & hetero, gelukkig & bedroefd, valide & invalide, autochtoon & allochtoon, met een enorm besteedbaar inkomen & met niets dan een zwerversrantsoen. En de steden zwellen aan: zwanger van iedereen, want ze laten zich nooit meer maken en breken door de heren van de herenhuizen alleen!”

 
Astrid Roemer (Paramaribo, 27 april 1947)

Doorgaan met het lezen van “Astrid Roemer, Hovhannes Shiraz, August Wilson, Edwin Morgan, Jules Lemaître, Cecil Day Lewis, Fethullah Gülen”

André Schinkel

De Duitse dichter, schrijver en archeoloog André Schinkel werd geboren op 27 april 1972 in Eilenburg. Na een opleiding tot een veeboer met een gymnasiumdiploma en een afgebroken opleiding tot milieu-ingenieur studeerde Schinkel aan de Maarten Luther-Universiteit in Halle-Wittenberg Duitse literatuur, kunstgeschiedenis en prehistorische archeologie. Gedurende deze tijd verschenen zijn eerste boeken, waarvoor hij werd bekroond met de George Kaiser stimuleringsprijs 1998 van de deelstaat Saksen-Anhalt 1998. Hij is momenteel werkzaam als schrijver, docent en redacteur. plaats van de ogen – Sinds 2005 is hij redacteur van het literaire tijdschrift “oda – Ort der Augen”. Daarnaast bezetten houdt hij zich op wetenschappelijk gebied bezig met toenaderingen tussen literatuur en archeologie en met specifieke problemen van de neolithisatie van Centraal Europa. In 2006 ontving hij, op voordracht van de belangrijkste prijswinnaar Wolf Biermann, de stimuleringsprijs van de Ringelnatz Stiftung en in 2012 de Walter Bauer Prijs. Hij was stadsschrijver in Halle, Ranis en Jena. Hij nam over de hele wereld deel aan ontmoetingen met schrijvers en aan poëzie festivals in Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Armenië en Italië. Zijn teksten zijn vertaald in zestien talen, waaronder Bosnisch, Servisch, Kroatisch, Bulgaars, Armeens, Engels en Oud Egyptisch.

Mondgartenlied

Wir gehen fort, es lockt die Ferne,
In die Weite unsrer Träume hin:
Wir sind: Beschwichtigte, die Sterne
Drehn sich, blau, im Wasserfirn.

Der Bülbül singt, die Nachtzikade fiedelt,
Und die Sprosser zirpen laut –
Der Mond geht auf und: spiegelt
Sich im Schimmer deiner Haut.

Auf dem Wasser glühn die Farben,
Und du lockst mich sanft ins Schwarz;
In den Teichen rolln die Barben, –
Und der Brillenvogel macht Rabatz.

 

Lied im Herbst

Herbstlich wird’s, die Blätter plumpsen
Durch das Gitterwerk der Zweige.
Das Licht verharrt, die Stürme rumsen
Wieder los; und Früchte neigen

Sich – ein letztes Blühn der Rosen
Fängt nun an in den Rabatten
Und die Erinn’rung an die losen
Feste, die wir sommers hatten.

Ach, vorbei ist, wenn der Herbst
Kommt, jenes Leben – fröstelnd suchen
Wir uns falb in unsern Seelen fest.
Und finden nichts und wollen nun gern fluchen:

Jeder Zweifel, der dir einst ins Herz
Klomm, nagelt dich nun an den Dingen fest.
Und ich, ich sehe ganz verscherzt
Aus, einer Zweifelmasse grauer Rest.

 
André Schinkel (Eilenburg, 27 april 1972)

Didier Daeninckx

De Franse schrijver Didier Daeninckx werd geboren in Saint-Denis op 27 april 1949. Zijn moeder was actief in de communistische partij en werkte evenals zijn vader een tijd in de Hotchkiss autofabriek. Na de scheiding van zijn ouders ging Daeninckx bij zijn moeder in Aubervilliers wonen, waar hij zich in 1963 aansloot bij de Jonge Communisten. Hij bezocht de technische school Le Corbusier, maar verliet de school toen hij zestien was. Vanaf 1966 werkte hij eerst in een drukkerij, vervolgens twaalf jaar als cultureel leider en tenslotte als lokaal journalist. Het was tijdens een periode van werkloosheid in 1977 dat hij zijn eerste roman schreef: “Mort au premier tour”, waarin men het neurotische karakter van inspecteur Cadin ziet opduiken. Het boek werd eerst door tien uitgevers geweigerd en werd uiteindelijk pas gepubliceerd in 1982 door Éditions du Masque, maar bleef toen volledig onopgemerkt. De tweede roman “Meurtres pour mémoire” (1984) verscheen in de Série noire opende de deuren van de roem. Daeninckx stelt in zijn oeuvre bepaalde onderwerpen aan de kaak en neemt een duidelijk standpunt in. Hij richt zich met name op politieke en sociale zaken. Dat gaat zowel om dossiers uit het heden als vergeten gebeurtenissen uit het verleden, zoals het Algerijnse bloedbad in Parijs op 17 oktober 1961 in “Meurtres pour mémoire”. Didier Daeninckx gebruikt hiervoor vaak detectiveromans, waarbij hij de sociale realiteit duidelijk naar voren laat komen.

Uit: Meurtres pour mémoire

Elle ne pouvait quitter des yeux cet être effroyable qui allait la tuer. La main s’abattit brusquement mais Saïd, au prix d’un effort terrible se porta devant elle, la protégeant de son corps. La brutalité du choc les renversa tous deux. Le policier n’en continuait pas moins de frapper Saïd. Il finit par se lasser. Kaïrat craignait de faire le moindre geste pouvant laisser croire à leur agresseur qu’elle vivait encore. Saïd, au-dessus, faisait de même, pensait-elle, jusqu’à l’instant où elle identifia le liquide poisseux et acre qui s’étalait sur son manteau. Sa peur était douce en comparaison de l’immense douleur qui s’empara des moindres atomes de son être. Elle releva le cadavre de son ami en hurlant.
– Assassins ! Assassins !
Deux policiers s’emparèrent d’elle, la dirigèrent vets un des autobus de la R.A.T.P. réquisitionnés pour assurer le transfert des manifestants appréhendés, vers le Palais des Sports et le Parc des Expositions de la Porte de Versailles.
Seul Lounès était indemne, il tentait de disperser la foule dans les petites rues qui jalonnent les boulevards. De nombreux passants prêtaient main-forte aux C.R.S. et leur désignaient les porches, les recoins où se cachaient des hommes, des femmes rendues stupides par l’horreur.
Il était près de huit heures. Sur les quais situés en contrebas du pont de Neuilly, deux immenses colonnes formées par les habitants des bidonvilles de Nanterre, Argenteuil, Bezons, Courbcvoie, se mirent en mouvement. Des responsables du F.L.N. les encadraient et canalisaient les groupes qui ne cessaient de se joindre a eux. Ils étaient au moins six mille ; les quatre voies du pont ne semblaient pas assez larges pour assurer l’écoulement du cortège. Ils dépassèrent la pointe de l’Ile de Puteaux, sous leurs pieds, et pénétrèrent dans Neuilly. Pas un ne portait d’arme, le moindre couteau, la plus petite piètre dans la poche. Kémal et ses hommes contrôlaient les individus suspects; ils avaient expulsé une demi-douzaine de gars qui rêvaient d’en découdre. Le but de la démonstration était clair: obtenir la levée du couvre-feu imposé depuis une semaine aux seuls Français musulmans et du même coup prouver la représentativité du F.L.N. en métropole.
La voie était libre ; ils purent distinguer, au loin, l’Arc de Triomphe illuminé à l’occasion de la visite officielle du Shah d’Iran et de Farah Dibah. Comme à leur habitude, les femmes prirent la tête. On voyait même des landaus entourés d’enfants. Qui pouvait se douter que trois cents mètres plus bas. masqués par la nuit, les attendait une escouade de Gendarmes Mobiles épaulée par une centaine de Harkis. À cinquante mètres, sans sommations, les mitraillettes lâchèrent leur pluie de balles. Omar, un jeune garçon de quinze ans, tomba le premier. La fusillade se poursuivit trois quarts d’heure.”

 
Didier Daeninckx (Saint-Denis, 27 april 1949)

Robert Anker

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Anker debuteerde in 1979 als dichter met ‘Waar ik nog ben’. Voor 1979 verschenen gedichten van hem in verschillende tijdschriften, zoals De Revisor. Het debuut was nog een traditionele dichtbundel, geïnspireerd door Ankers jeugd in het West-Friese Oostwoud. Was die bundel nog naar binnen gericht, al gauw kwam de nadruk te liggen op de buitenwereld, zoals in ‘Van het balkon’ (1983), en op maatschappelijke problemen, zoals in ‘De broekbewapperde mens’ (2002). Van de natuur verschoof het perspectief naar het stadsleven. In de periode van zijn studie in Amsterdam, waar Anker sindsdien woont en werkt, schreef hij toneelteksten en gedichten. Inmiddels heeft hij ook romans, verhalen, essays over literatuur en kunst, en jeugdliteratuur op zijn naam staan. Zijn werk is bekroond met de Libris Literatuur Prijs, de F. Bordewijk-prijs (beide proza), de Jan Campert-prijs en de Herman Gorterprijs (beide poëzie). Anker was redacteur van Tirade en doceerde Nederlands. Later was hij literatuurcriticus bij Het Parool en fulltime schrijver.

Alles gefilmd

Dit zijn de schoenen van een man die als je zegt
hier zijn je schoenen zegt daar zijn mijn schoenen.

Denkt: mijn bloemen, mijn bloeien in de wereld.
Hij reist op sokken voor zijn huis heen en weer.
Hij komt weer binnen en verplaatst zijn schoenen.

Is hij die lieve man die met de kinderen praat.
Kan deze nieuwe wijk een nest tegen de wereld.
Hij zwemt zijn grenzeloze ogen in en uit.

Op een ochtend als de wereld overloopt,
dat hij dan de ramen openzet, hij neemt zijn buks
en schiet alle bloemen bij de buren alle dood.

De mensen praten, wijzen, lopen door elkaar.
Alles gefilmd door de media. De bloemen,
de emoties in de buurt, kijk, zijn schoenen.

 

Heimwee naar de zandhoek

De liefde wast de tijd
de liefde hangt de tijd te drogen
de liefde plooit de ongestreken tijd
om het lichaam van de liefde
en groeit tenslotte uit de tijd.

Wij deden onze kleren uit
en alle dingen werden nieuw aan ons
in het rusteloze licht aan de kade
klotsend klepperend met vlag en wimpel
in de ongeruste vrede aan het raam.

 

De schaatser

Soms vriest het weer zo helder
dat de schaatser die ik ben
de snaren van het ijs laat zingen
tot in de horizon van glas
aldoor beentje over door het glas

zoals ooit eerder altijd weer de metalen
zon achter de zilverbloemen op het raam
in mij doorstoot en mij hier fotografeert.

Meestal echter kom ik zelden voorbij
het rottige riet de kapotte vogels
dat het aldoor dooit in de modder
van het vreedzame bestaan.

 
Robert Anker (Oostwoud, 27 april 1946)