Milan Kundera, Sandro Veronesi, Nikolaj Gogol, Arnold Aletrino, Max Nord, Urs Allemann, Rolf Hochhuth, John Wilmot

De Tsjechische schrijver Milan Kundera werd geboren in Brno op 1 april 1929. Zie ook alle tags voor Milan Kundera op dit blog.

Uit: De ondraaglijke lichtheid van het bestaan (Vertaald door Jana Beranová)

“Hoe kwam het dat ongesteldheid bij een hond haar vervulde met vrolijke tederheid, terwijl haar eigen ongesteldheid haar misselijk maakte? Het antwoord lijkt me gemakkelijk: de hond is nooit uit het paradijs verstoten. Karenin weet niets van een dualiteit tussen lichaa­m en ziel en weet niet wat walging betekent. Daarom voelt Tereza zich zo prettig en rustig met hem. (En daarom is het zo gevaarlijk een dier te veranderen in een machina animata en een koe in een automaat om melk te produceren: de mens verbreekt daardoor de draad die hem aan het paradijs bond, en in zijn vlucht door de leegte van de tijd kan niets hem meer stoppen of troosten.)
Uit deze warboel van denkbeelden ontkiemt de heiligschennende gedachte die ze niet van zich af kan zetten: de liefde die haar aan Karenin bindt is beter dan die tussen haar en Tomas. Beter, niet groter. Tereza wil Tomas noch zichzelf de schuld geven, ze wil niet beweren dat ze meer van elkaar zouden kunnen houden. Ze vindt eerder dat een mensenpaar zo geschapen is dat hun liefde a priori van een slechtere soort is dan (althans in het beste geval) de liefde die kan bestaan tussen een mens en een hond, het bizarre in de geschiedenis der mensheid dat door de Schepper waarschijnlijk niet was gepland.
Die liefde is onbaatzuchtig: Tereza wil niets van Karenin. Ze vraagt niet eens liefde. Nooit heeft ze zich de vragen gesteld die mensenparen kwellen: houdt hij van me? Heeft hij ooit van iemand anders meer gehouden dan van mij? Houdt hij meer van mij dan ik van hem? Misschien dat al deze vragen naar liefde, die liefde meten, doorgronden, onderzoeken, verhoren, haar tegelijkertijd in de kiem smoren. Misschien zijn we juist daarom niet in staat liefde te geven, omdat we ernaar verlangen liefde te krijgen, dat wil zeggen dat we steeds iets (liefde) van de ander willen in plaats van hem te benaderen zonder eisen en niets anders te willen dan zijn aanwezigheid. En dan nog iets: Tereza accepteerde Karenin zoals hij was, ze wilde hem niet naar haar eigen beeld veranderen, ze was het bij voorbaat eens met zijn hondenwereld, ze wilde hem die niet afnemen, ze was niet jaloers op zijn geheime avonturen. Ze voedde hem niet op om hem te herscheppen (zoals een man zijn vrouw en een vrouw haar man herscheppen wil), maar alleen om hem de elementaire taal te leren die het mogelijk maakte elkaar te begrijpen en met elkaar te leven.”

 
Milan Kundera (Brno, 1 april 1929)

Doorgaan met het lezen van “Milan Kundera, Sandro Veronesi, Nikolaj Gogol, Arnold Aletrino, Max Nord, Urs Allemann, Rolf Hochhuth, John Wilmot”

Deborah Feldman

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijfster Deborah Feldman werd geboren in 1986 in de chassidische gemeenschap van Satmar in Williamsburg, Brooklyn, New York. Haar huwelijk werd gearrangeerd toen zij 17 jaar oud was, en haar zoon werd twee jaar later geboren. Op 25-jarige leeftijd publiceerde ze de New York Times bestseller memoires, “UNORTHODOX: The Scandalous Rejection of My Hasidic Roots” en twee jaar later volgde “EXODUS a memoir of post-religious alienation and identity.” Tegenwoordig werkt zij in twee media, film en schrijven. Ze is het meest geïnteresseerd in het verkennen van de kruising tussen globalisering, religie, en de vrouwelijke identiteit. Haar werk is vertaald in het Hebreeuws en het Duits. Sinds eind 2014 woont zij met haar zoon in Berlijn.

Uit: Exodus

“There she is, just across the street, sulking on the stoop. Seven years old, skin pale almost to the point of translucence, lips pursed into a sullen pout. She stares gloomily at the silver Mary Janes on her feet, the tips of which catch the last rays of sunlight quickly fading behind the three-story brownstone.
She has been scrubbed and primped in preparation for Passover, soon to arrive. Her hair hurts where it’s been pulled too tight into a bun at the top of her head. She feels each strand stretching from its inflamed follicle, especially at the nape of her neck, where an early-spring breeze raises goose bumps on the exposed skin. Her hands are folded into the lap of her brand-new purple dress, with peonies and violets splashed wildly on the fabric, smocking at the chest, and a sash tied around the waist. There are new white tights stretched over her thin legs.
This little side street in Williamsburg, Brooklyn, usually bustling with black-clad men carrying prayer books, is momentarily silent and empty, its residents indoors making preparations for the evening. The little girl has managed to sneak away in the rush, to sit alone across from the young pear tree the neighbors planted a few years ago after carving out a square of beige dirt in the stretch of lifeless asphalt. Now it f lowers gently, bulbous white blossoms dangling precariously from its boughs.
I cross the street toward her. No cars come. The silence is magnificent, enormous. She doesn’t seem to notice me approaching, nor does she look up when I sit down next to her on the stoop. I look at her face and know instantly, with the pain of a punch to the gut, exactly how long it’s been since there was a smile on it.
I put my arm around her shoulder, ever so gently, as if she might break from the weight, and I whisper into her ear, “Everything is going to be fine.”
She turns and looks at me for the first time, her face a mask of distrust.
“It’s going to be just fine. I promise.”
Snap. The hypnotherapist wakes me by clicking her fingers together in a classic stage move.
“You did good,” she says. “Go home and try to have sex tonight. Let me know what happens. I have a feeling we’ve fixed the problem. Not completely, but enough for now.”

 
Deborah Feldman (New York, 1986)