Am zweiten Sonntag in der Fasten (Annette von Droste-Hülshoff)

 

Bij de tweede zondag van de vasten

 

 
De vrouw uit Kanaän aan de voeten van Christus door Jean Germain Drouais, 1784

 

 

Am zweiten Sonntag in der Fasten
Evang.: Vom Cananäischen Weibe

Liebster Jesu, nur Geduld!
Wie ein Hündlein will ich spüren
Nach den Brocken deiner Huld,
Will mich lagern an die Türen,
Ob von deinen Kindern keines
Mir ein Krüstlein reichen will,
Hungerglühend, doch in meines
Tiefen Jammers Kunde still.

Um Geduld fleh ich zu dir:
Denn ich muß in großen Peinen
Einsam liegen vor der Tür,
Wenn von deinen klaren Weinen,
Deinen lebensfrischen Gaben
Mir der Duft herüberzieht.
Ach, ein Tropfen kann mich laben,
Meine Zunge ist verglüht!

Weil ich fast in meiner Pein
Schaue wie aus Kindesaugen,
Meinen oft die Diener dein,
Daß ich mag zum Gaste taugen.
In Erbarmen ganz vermessen
Reichen sie die Schüsseln hin;
Doch ich will es nicht vergessen,
Daß ich wie ein Hündlein bin.

O, zum allergrößten Heil
Muß es mir bei dir gereichen,
Daß dir, o mein einzig Teil,
Nichts an Langmut zu vergleichen!
Denn es will mir öfters fahren
Durch die Glieder wie ein Blitz,
Deinen Kindern mich zu paaren,
Rasch erringend einen Sitz.

Kann ich dir, du Rächer groß,
Doch in Ewigkeit nicht lügen!
Und mir würd’, ein schmählich Los,
So die Diener dein zu trügen:
Weil mir weich die Augen brennen
In der ungestillten Lust,
Ich mich will ein Kindlein nennen
Mit der schuldgebrochnen Brust.

Wie ein Hündlein bin ich nur,
Und so will ich nimmer weichen,
Fest auf deiner Kinder Spur,
Ob sie mir den Bissen reichen,
Wenn die Sonne aufgegangen,
Wenn sie blutet in den Tod,
Will an ihrem Munde hangen,
So du reichst das Abendbrot.

Ist es deinen Kindern recht,
Nur ein Krüstlein mir zu spenden:
Wohl! es ist mir nichts zu schlecht,
Kömmt von übermilden Händen,
Birgt sich reiche Nahrung drinnen,
Nur in ernster Glut erstarrt.
Ach, und meinen stumpfen Sinnen
Wär’ ein Kiesel nicht zu hart!

O, es ist ein bittres Los,
Wer ein lieber Gast gewesen,
Um die eignen Sünden groß
Nun die Brocken aufzulesen!
Nicht um des Gerichtes Strenge,
Das mir noch dereinstens dräut,
Nein, im eigenen Gedränge
Innige Versunkenheit.

Daß um meiner Sehnsucht Brand
Neu die Sinne mir gegeben,
Aber nicht, so lang ein Band
Leib und Seele hält umgeben,
Darauf ruht mein einzig Hoffen.
Und so leb’ ich langsam hin;
Meine Sinne stehen offen,
Aber ihnen fehlt der Sinn.

Muß in Qual das Morgenrot,
Muß das Abendlicht mich sehen,
O, wie lieblich ist der Tod,
Und um seinen Trost zu flehen!
Darf mich dennoch nicht erkühnen,
Wie er winkt, so lockend mild;
Denn ich muß unendlich sühnen,
Und das Leben ist mein Schild.

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Heiligenbeeld bij de kapel van Burg Hülshoff

 

 

Zie voor de schrijvers van de 21e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Herman de Coninck, Chuck Palahniuk, Hans Andreus, Wystan Hugh Auden, Laure Limongi, Justus van Effen

 

De Vlaamse dichter, essayist, journalist en tijdschriftuitgever Herman de Coninck werd geboren in Mechelen op 21 februari 1944. Zie ook alle tags voor Herman de Coninck op dit blog.

 

Twee

Destijds in kinderspelletjes kon je,
bv. als je veter was losgeraakt,
gewoon ‘twee’ zeggen, en dan stond je
even buitenspel, niemand mocht je dan nog aantikken.

Voor jou had dat moeten blijven gelden.
Dat je ‘twee’ zei, ‘ik ben even
mijn man kwijt’, en dat die laatste tien jaar
dan niet hoefden mee te tellen.

Of dat je, in plaats van te sterven,
gewoon verstoppertje speelde
en dat we je nog steeds
niet hadden gevonden.

 

 

Wraak

Ik sta geregistreerd. Geboorte, plaats, tijd.
Ik sta voor zowat één kilo papier:
geboorteakte militie, verhuizen van daar naar hier,
politieke sympathieën, vakbondsaangehorigheid.

Daarom ben ik op zoek naar een plek op de
grens van drie naties.
Daar wil ik dan sterven.
Want ik wil met mijn dood op z’n minst het
plezier bederven
van een stuk of twintig administraties.

 

 

Huurcontract

Misschien rust op dit huwelijk geen levenslange zegen,
maar wel het soort zekerheid
van een te hernieuwen huurcontract
drie-zes-negen.
We zijn binnen voor de regen
van melancholie.

Misschien is dat minder passionant
dan vroeger, als je klaarkomt vraag ik ‘wablieft’
en grappen in die trant.
Maar ik heb je meer dan vroeger lief:
er is zoveel mee ‘jou’ nu dat ik ken,
zoals ik ook voor jou meer ikken ben.

En allemaal samen hebben we dat zootje van zes.
(Zoontje bedoel ik, maar de schrijffout mag blijven staan.)
Vaak kan ik niet slapen
van het denken eraan.

En dan denk ik: net een heus gezin.
En ik tast naar jouw hand.
En jij slaapt evenmin.

 

 
Herman de Coninck (21 februari 1944 – 22 mei 1997)

Continue reading “Herman de Coninck, Chuck Palahniuk, Hans Andreus, Wystan Hugh Auden, Laure Limongi, Justus van Effen”

Ha Jin, Anaïs Nin, Raymond Queneau, David Foster Wallace, Ingomar von Kieseritzky, Ishigaki Rin, José Zorrilla y Moral

 

De Chinees-Amerikaanse schrijver Ha Jin werd geboren op 21 februari 1956 in Jinzhou, China. Zie ook alle tags voor Ha Jin op dit blog.

Uit: War Trash

„At graduation the next fall, I was assigned to the 180th Division of the People’s Liberation Army, a unit noted for its battle achievements in the war against the Japanese invaders and in the civil war. I was happy because I started as a junior officer at its headquarters garrisoned in Chengdu City, where my mother was living. My father had passed away three years before, and my assignment would enable me to take care of my mother. Besides, I had just become engaged to a girl, a student of fine arts at Szechuan Teachers College, majoring in choreography. Her name was Tao Julan, and she lived in the same city. We planned to get married the next year, preferably in the fall after she graduated. In every direction I turned, life seemed to smile upon me. It was as if all the shadows were lifting. The Communists had brought order to our country and hope to the common people. I had never been so cheerful.
Three times a week I had to attend political study sessions. We read and discussed documents issued by the Central Committee and writings by Stalin and Chairman Mao, such as The History of the Communist Party of the Soviet Union, On the People’s Democratic Dictatorship, and On the Protracted War. Because about half of our division was composed of men from the Nationalist army, including hundreds of officers, the study sessions felt like a formality and didn’t bother me much. The commissar of the Eighteenth Army Group, Hu Yaobang, who thirty years later became the Secretary of the Chinese Communist Party, even declared at a meeting that our division would never leave Szechuan and that from now on we must devote ourselves to rebuilding our country. I felt grateful to the Communists, who seemed finally to have brought peace to our war-battered land.
Then the situation changed. Three weeks before the Spring Festival of 1951, we received orders to move to Hebei, a barren province adjacent to Manchuria, where we would prepare to enter Korea. This came as a surprise, because we were a poorly equipped division and the Korean War had been so far away that we hadn’t expected to participate. I wanted to have a photograph taken with my fiance before I departed, but I couldn’t find the time, so we just exchanged snapshots. She promised to care for my mother while I was gone. My mother wept, telling me to obey orders and fight bravely, and saying, “I won’t close my eyes without seeing you back, my son.” I promised her that I would return, although in the back of my mind lingered the fear that I might fall on a battlefield.”

 

 
Ha Jin (Jinzhou, 21 februari 1956)

Continue reading “Ha Jin, Anaïs Nin, Raymond Queneau, David Foster Wallace, Ingomar von Kieseritzky, Ishigaki Rin, José Zorrilla y Moral”

Tom van Deel

De Nederlandse dichter en literatuurcriticus Tom van Deel werd geboren in Apeldoorn op 21 februari 1945. In 1967 publiceerde bij onder de pseudoniemen G. en Gerrit Vogel gedichten in Pharetra, studentenblad van de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij was van 1969 tot 2008 recensent van het dagblad Trouw.In de beginjaren was hij daarnaast leraar op een middelbare school. Van Deel geeft nu les in moderne Nederlandse literatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Hij debuteerde in 1969 met de dichtbundel “Strafwerk”, in 1971 gevolgd door “Recht onder de merels”. Zijn boekbesprekingen bundelde hij in “Recensies” (1980). In 1987 ontving hij de Jan Campertprijs voor de bundel “Achter de waterval“ (1986). Van Deels interesse voor de combinatie beeldende kunst en poëzie blijkt uit de bundel “Gedichten kijken” (1987), een bloemlezing beeldgedichten, en “Ik heb het Rood van ’t Joodse bruidje lief” (1988), gedichten over beeldende kunst. In 1992 verscheen zijn verzameling essays over dit onderwerp: “Als ik tekenen kon”. Van Deel verzorgde veel tekstuitgaven van nagelaten werk van Simon Vestdijk. Over de poëzie van Vestdijk publiceerde hij “Veel lied’ren zijn gezongen” (1987).

 

Dit moment

Er is niets voor te stellen mooier dan
een vrouw die in het strijkend avondlicht
een tuin inloopt, het waait, het blad van
de kastanje gaat tekeer, ze zoekt naar
bloemen, snoeiend, alles als weleer.
Daar bukt ze, rustig buiten elke tijd,
verbonden met haar wereld, ook de mijne.
Ik zie het aan in dit moment en wens
dat ondanks ons verstrijken het beklijft.

 

Fabel

Vlinder ziet een speld staan
vindt hem mooi want streng
niet doelloos doch standvastig.
Zij wil hem aan zich binden
dit eenzaam puntig wezen
en zegt me zoete aandrang
‘doe ik mijn vleugels dicht
bekijk mij dan van voren
ben ik een speld op poten.’
Bang om zich te bezeren
aan zoiets kleurig breekbaars
met ogen fijn dooraderd
volhardt de speld in staren
blijft stijf gesloten staan
‘als ik hier niet vandaan raak
grijpt het ons beiden aan.’

 

 
Tom van Deel (Apeldoorn, 21 februari 1945)

Jonathan Safran Foer

 

De Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer werd geboren in Washington D.C. op 21 februari 1977. Foer is de middelste zoon uit een Joodse familie; zijn oudere broer, Franklin, is een voormalig redacteur van The New Republic en zijn jongere broer, Joshua, is de oprichter van Atlas Obscura. Foer bezocht de Georgetown Day School en reisde in 1994 naar Israël met andere Noord-Amerikaanse joodse tieners, gesponsord door de Bronfman youth fellowships. In 1995, als eerstejaarsstudent aan Princeton University, nam hij deel aan een inleidende cursus met schrijfster Joyce Carol Oates. Zijn eerste roman, “Everything is Illuminated” (Alles is verlicht), werd uitgegeven in 2002. Het verscheen al snel in de internationale bestsellerslijsten en won verschillende literaire prijzen, waaronder de National Jewish Book Award en de Guardian First Book Award. Een eerdere versie van het boek (The Very Rigid Search, The New Yorker, 18 juni 2001) werd verfilmd door Liev Schreiber in 2005. Foers tweede roman, “Extremely Loud and Incredibly Close” (Extreem luid & ongelooflijk dichtbij) werd uitgegeven in 2005. Foers derde boek,” Eating Animals” (Dieren eten) werd gepubliceerd in 2009. Het is geen roman zoals zijn overige boeken, maar een non-fictie-boek. Toen Foer op het punt stond vader te worden, begon hij zich af te vragen waar het voedsel vandaan komt dat hij zelf at en dat ook zijn zoon zou gaan eten. Zijn vragen brachten een zoektocht naar antwoorden met zich mee. Na zijn onderzoek heeft hij besloten om vegetariër te worden.

Uit:Everything Is Illuminated

“My legal name is Alexander Perchov. But all of my many friends dub me Alex, because that is a more flaccid-to-utter version of my legal name. Mother dubs me Alexi-stop-spleening-me!, because I am always spleening her. If you want to know why I am always spleening her, it is because I am always elsewhere with friends, and disseminating so much currency, and performing so many things that can spleen a mother. Father used to dub me Shapka, for the fur hat I would don even in the summer month. He ceased dubbing me that because I ordered him to cease dubbing me that. It sounded boyish to me, and I have always thought of myself as very potent and generative. I have many many girls, believe me, and they all have a different name for me. One dubs me Baby, not because I am a baby, but because she attends to me. Another dubs me All Night. Do you want to know why? I have a girl who dubs me Currency, because I disseminate so much currency around her. She licks my chops for it. I have a miniature brother who dubs me Alli. I do not dig this name very much, but I dig him very much, so OK, I permit him to dub me Alli. As for his name, it is Little Igor, but Father dubs him Clumsy One, because he is always promenading into things. It was only four days previous that he made his eye blue from a mismanagement with a brick wall. If you’re wondering what my bitch’s name is, it is Sammy Davis, Junior, Junior. She has this name because Sammy Davis, Junior was Grandfather’s beloved singer, and the bitch is his, not mine, because I am not the one who thinks he is blind.
As for me, I was sired in 1977, the same year as the hero of this story. In truth, my life has been very ordinary. As I mentioned before, I do many good things with myself and others, but they are ordinary things. I dig American movies. I dig Negroes, particularly Michael Jackson. I dig to disseminate very much currency at famous nightclubs in Odessa. Lamborghini Countaches are excellent, and so are cappuccinos. Many girls want to be carnal with me in many good arrangements, notwithstanding the Inebriated Kangaroo, the Gorky Tickle, and the Unyielding Zookeeper. If you want to know why so many girls want to be with me, it is because I am a very premium person to be with. I am homely, and also severely funny, and these are winning things. But nonetheless, I know many people who dig rapid cars and famous discotheques. There are so many who perform the Sputnik Bosom Dalliance—which is always terminated with a slimy underface—that I cannot tally them on all of my hands. There are even many people named Alex. (Three in my house alone!) That is why I was so effervescent to go to Lutsk and translate for Jonathan Safran Foer. It would be unordinary.”

 

 
Jonathan Safran Foer (Washington, 21 februari 1977)

Aleksej Kroetsjonych

 

De Russische schrijver en dichter Aleksej Jelisejevitsj Kroetsjonych werd geboren op 21 februari 1886 in Olevsk.Kroetsjonych raakte kort voor de Eerste Wereldoorlog als spoorwegarbeider in Tblisi, door deelname aan literaire disputen, verzeild in avant-gardistische kringen. Hij verwierf naam als meest radicale dichter onder de Russische futuristen en geldt als de belangrijkste theoreticus onder hen. In 1913 introduceerde hij in zijn artikel “De nieuwe wegen van het woord” het begrip ‘zaoem’, waarin hij stelt dat de taal zich boven of achter het verstand bevindt en niet rationeel maar alleen maar intuïtief te begrijpen valt. Belangrijk is het woord als zodanig, als vormelement. Waar dichters vroeger uitgingen van gedachten en deze in woorden probeerden uit te drukken, is voor Kroetsjonych niet de gedachte maar het woord zelf primair. Als Adam geeft hij aan alle dingen een nieuwe naam. Zo vindt hij een lelie prachtig, maar het woord ‘lelie’ beduimeld en ‘verkracht’; daarom noemt hij een lelie liever ‘heoejie’, waarmee volgens hem de oorspronkelijke schoonheid wordt hersteld. Een nieuwe taal zorgt volgens Kroetsjonych voor een nieuwe perceptie van de werkelijkheid. Kroetsjenychs poëzie volgt een eigen transrationele taal.

 

Despair

to dig from under the earth
to steal from the finger
to jump above the head
          sitting walk
          standing run
where to bury the ring
          hang in the noose
          swinging quietly

 

 

Rus’

in labor and in swinishness slovenlying
you grow up and become stronger my dear
like the proverbial girl who saved herself
burying her lower half in mud to the waist

crawl forward on knees in darkness and may
your voluntary neighbor light the way ahead

 

Vertaald door Alex Cigale

 

 
Aleksej Kroetsjonych (21 februari 1886 – 17 juni 1968)