A Song for New Year’s Eve (William Cullen Bryant)

Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!

 

 
Lingerzijde en de Speeltoren in Edam door Oene Romkes de Jongh, rond 1650

 

A Song for New Year’s Eve

Stay yet, my friends, a moment stay—
Stay till the good old year,
So long companion of our way,
Shakes hands, and leaves us here.
Oh stay, oh stay,
One little hour, and then away.

The year, whose hopes were high and strong,
Has now no hopes to wake;
Yet one hour more of jest and song
For his familiar sake.
Oh stay, oh stay,
One mirthful hour, and then away.

The kindly year, his liberal hands
Have lavished all his store.
And shall we turn from where he stands,
Because he gives no more?
Oh stay, oh stay,
One grateful hour, and then away.

Days brightly came and calmly went,
While yet he was our guest;
How cheerfully the week was spent!
How sweet the seventh day’s rest!
Oh stay, oh stay,
One golden hour, and then away.

Dear friends were with us, some who sleep
Beneath the coffin-lid:
What pleasant memories we keep
Of all they said and did!
Oh stay, oh stay,
One tender hour, and then away.

 

 
William Cullen Bryant (3 november 1794 – 12 juni 1878)
De kerk in Cummington, Massachusetts. William Cullen Bryant werd geboren in Cummington.

 

Zie voor de schrijvers van de 31e december ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

Showen en trippen

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren
te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die onwillig is
je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant.

Er is zielsveel geluk nodig deze jurk dronken en klaarwakker naar een show
te brengen, blind een deur te vinden waardoor je het toneel verlaat.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk iets te slikken, een ballonvaart
te maken en op het mozaïek van je land neer te kijken als een slome astronaut.

Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken.
Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.

 

Welkom in Nederland

Iemand zei geschiedenis zoekt naar evenwicht.
De tellingen hebben ons overtuigd:
mensen en mogendheden in ongelijke mate.
Nu lopen de cijfers langs de wegen van Europa
vol speeksel, vol tranen, vol dringende verwachtingen.
En waar zou jij op hopen als je verhaal, je land,
je stad, je monument, je berg, je dorp, je eer,
je school, je huis, je deken, je matras,
je nachtrust dagelijks aan stukken werd gerukt?
Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.
En onze harten slaan de tijd, beng, beng,
om het logeermatras te kloppen.

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Doorgaan met het lezen van “Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert, Paula Dehmel”

Nicolas Born, Dieter Noll, Dal Stivens, Connie Willis, Giovanni Pascoli, Marie d’Agoult

De Duitse dichter en schrijver Nicolas Born werd geboren op 31 december 1937 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Nicolas Born op dit blog.

Im Innern der Gedichte

Du kannst nicht davon leben
mit der Wirklichkeit zu konkurrieren
noch kannst du von der Wirklichkeit leben
aber du kannst einen Eingriff überleben
und alles zurück kriegen
und durch Das Leben gehen
durch schnell verfallende Bilder
das warst du
du und Das Werdende Leben
Personen keuchend unter ihren Grabsteinen
Mit einer ungeheuren Anstrengung
von dir und allen Vorfahren
blendest du dich aus
Land und Wasser sind geblieben
der Himmel ist geblieben
und du bist geblieben
du hast dich auf nichts einzurichten
kleine Sonnen erleuchten deine Demokratie Und
du wählst das Leben und den Tod
du hast viele Schöne Stimmen
du bist Viele
deine Haut ist deine Haut Und endlich
nichts als Haut
du bist der Unternehmer des Lebens
der Veranstalter weißer Erscheinungen
du bist der RaumMensch im Freien
der Autor des Laufs der Geschichte
du bist imstande Zeit zu drucken wie Bücher
du wiegst und siebst und liebst Und im Wind
wehen die Ruinen der Diktatmaschinen
die Unvernunft steht in voller Blüte
du bist die Blüte und die Unvernunft
du bist Tag und Nacht bei Tag und Nacht
du bist der Mörder
kreisend in der eigenen Blutbahn
du bist Vater und Sohn
du bist der ausgeschlachtete Indianer
und der registrierte Indianer
du bist alle Farben und Rassen
du bist die Witwen und Waisen
du bist die Rebellion der Gefangenen
du bist Geheul ohne Aufenthalt
Messerwürfe Schüsse
du bist der phantastische Sportler der TraumMeilen
der Bildersturm im Haupt der Demokratie
du bist der Sprengmeister aller Ketten
du bist die geheim leuchtende Parole
die Banderole
die Avantgarde der FreiKüchen
du bist Mensch Und
Tier wenn es den Tod fühlt
du bist allein und du bist Alle
du bist dein Tod und du bist der Große Wunsch
du bist der Plan den du ausbreitest Und
du bist dein Tod

 
Nicolas Born (31 december 1937 – 7 december 1979)
Cover

Doorgaan met het lezen van “Nicolas Born, Dieter Noll, Dal Stivens, Connie Willis, Giovanni Pascoli, Marie d’Agoult”

Irina Korschunow, Nicholas Sparks, Gottfried August Bürger, Alexander Smith, Horacio Quiroga, Stephan Krawczyk

De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Zie ook alle tags voor Irina Korschunow op dit blog. 

Uit: Langsamer Abschied

„Nun also soll Pierre begraben werden, draußen auf dem Einbeeker Heidefriedhof, mit kirchlichem Segen, und selbst als schon die Glocken läuteten, wusste ich noch nicht, ob es richtig war, was ich tat. »Für mich bitte kein Tamtam, nur die grüne Wiese und eine Gitarre mit Yesterday«, hatte er gelegentlich verlauten lassen, früher vor dem Unfall, als Sterben noch irgendwo im Abstrakten hing, nicht seine Sache. Doch dann, gegen Ende des großen Schweigens, hatte er angefangen, die Finger ineinander zu verschränken, erst sporadisch, allmählich häufiger, ein ehernes Bild, Pierre, der Leidensmann, bleich und erstarrt, die gefalteten Hände auf der Bettdecke.
Vielleicht nur eine leere Geste oder der Versuch, sich an sich selbst festzuhalten. Schwester Guda indessen, verantwortlich für das morgendliche Ritual, Säubern, Salben, Lagern und was der Körper sonst noch benötigte, um den Tag zu überstehen, bezeichnete es als Beten, »der Herr Professor betet wieder«, naheliegend für eine in die Jahre gekommene christliche Pflegerin, und keine Frage, dass sie unmittelbar nach seinem letzten Atemzug für eine kirchliche Beerdigung zu kämpfen begonnen hatte, mit dem Argument der gefalteten Hände, und vielleicht sei er im Verlauf seiner Heimsuchung ja längst wieder bei Gott angelangt, »darauf lassen Sie uns hoffen, Frau Nora«.

 
Irina Korschunow (31 december 1925 – 31 december 2013)

Doorgaan met het lezen van “Irina Korschunow, Nicholas Sparks, Gottfried August Bürger, Alexander Smith, Horacio Quiroga, Stephan Krawczyk”

Peter Buwalda, Paul Bowles, Theodor Fontane, Peter Lund, Joshua Clover, Rudyard Kipling

De Nederlandse schrijver, journalist en redacteur Peter Buwalda werd geboren in Blerick op 30 december 1971. Zie ook alle tags voor Peter Buwalda op dit blog.

Uit:Van en over alles en iedereen. Portretten en polemieken van Joost Zwagerman

“Uitgangspunt van de afdeling ‘Collega’s van God’ is de paradox, die volgens Zwagerman zou bestaan tussen een regulier geloof, zoals bijvoorbeeld de katholieke kerk dit uitdraagt, en de hoogstpersoonlijke invulling van het religieus besef van een kunstenaar. Collectieve dogmatiek tegenover hyperindividuele devotie. Het zijn juist de laatste geloofsbetuigingen, waar Zwagerman zijn hoop op vestigt om te komen tot een beter begrip van ‘Wie of Wat Hij dan wel wezen mag’.
Collega’s van God in navolging van Gerard Reve, die met zijn volstrekt eigenzinnige belijdenis van het katholieke geloof wel eens zo genoemd is; in tegenstelling tot de ‘lugubere combinatie van blijheid, bekeringsdrift en door bijbel en dogma ingegeven onverzoenlijkheid’, aldus Zwagerman, gaat het bij deze kunstenaars om geheel unieke Godsbeelden, die hen tot Scheppers van een eigen metafysica maakt. Een verre van gemakzuchtige thematiek dunkt mij. Maar te veel nadruk op deze in de inleiding uiteengezette ‘link’ is onterecht.
Zwagermans boek staat vol met vlugge, hapklare en toch zo nu en dan diepgaande stukjes. Zijn stijl is zeker niet van humor verstoken, alhoewel hij soms doordraaft. (Hij presteert het om Prince’ geilheid te illustreren met een kleine twintig koosnaampjes voor de muzikant, waaronder ‘hoerige relnicht’, ‘porno Prince’, ‘demonischdevote allesneuker’ en ‘eunuchachtige geilneef’.) Vorig jaar in een interview met Vooys, vertelde Zwagerman dat hij bezig was met de voorbereiding van Collega’s van God. Hij noemde zichzelf een gezegend criticus, daar hij, in tegenstelling tot een full-time recensent, slechts incidenteel een artikel schrijft en dan ook nog over werk waarvoor hij geheel warm loopt. Of dit nu pop of filosofie is maakt weinig uit, zoals blijkt uit de essays in de bundel. Van alle personen die hij portretteert, is Zwagerman gecharmeerd zo niet idolaat.
Opvallend zijn natuurlijk de keuzes die hij maakt: Madonna naast Arthur Schopenhauer, low culture naast high culture.Het is een tweedeling die verder door te voeren is. Toen ik ‘Collega’s van God’ las, kreeg ik de indruk, dat Zwagerman twee typen essays had geschreven. Het tweede type is sterk toegespitst op het werk van de geportretteerde, waarbij zijdelings wat biografische informatie wordt verstrekt. Dit geldt voor de artikelen over J.D. Salinger, Schopenhauer en Reve; de volksschrijver incluis alle drie vertegenwoordigers van high culture. Wat Zwagerman kwijt wil over de schrijverslevens van bovengenoemden, staat in dienst van zijn meestal interessante beschouwingen van het talig universum dat zij schiepen. De bijzondere levenshouding die op een bijzondere wijze uit het werk spreekt, maakt hen intrigerend voor Zwagerman. Dit weet hij op zijn beurt intrigerend te maken voor de lezer.”

 
Peter Buwalda (Blerick, 30 december 1971)

Doorgaan met het lezen van “Peter Buwalda, Paul Bowles, Theodor Fontane, Peter Lund, Joshua Clover, Rudyard Kipling”

Miklós Bánffy

De Hongaarse schrijver en politicus Miklós Bánffy (graaf van Losoncz) werd geboren op 30 december 1873 in Kolozsvár, op dat moment gelegen in het koninkrijk Hongarije. Bánffy kwam uit een Hongaarse familie van landeigenaren in Transsylvanië, die sinds 1855 de titel van graaf droeg. Tot het familiebezit behoorde het kasteel Bánffy in Bonchida. Bánffy studeerde rechten en in 1901 werd hij een lid van het Hongaarse parlement. Van 1906-1909 was hij prefect in het graafschap Klausenburg. Hij was een van de redacteuren van het conservatieve tijdschrift “Erdélyi Lapok” en was artistiek directeur van de opera van Boedapest en het Nationaal Theater van 1912 tot 1918, waar hij een van de promotors was van de muziek van Béla Bartók. Bánffy was van14 april 1921 tot 29 december 1922 staatssecretaris in het kabinet István Bethlen. Transsylvanië was na WO I tot Roemenië gaan behoren. Om te voorkomen dat hij zijn bezittingen in Roemenië verloor koos Bánffy in 1926 voor het Roemeense staatsburgerschap en ging hij wonen in Roemenië. Naast het journalistieke werk had hij in 1913 zijn eerste werk voor het toneel gepubliceerd. In de jaren 1930 schreef hij een driedelige hedendaagse roman over de situatie in zijn eigen regio voor de WO I, het eerste deel van de trilogie verscheen in 1934 in Boedapest, het laatste in 1940. In 1940 werd het noordelijke deel van Transsylvanië weer Hongaars. In april 1943 probeerde Bánffy om de Roemeense en Hongaarse aspiraties samen te brengen om de As-mogendheden te verlaten, vanwege de wederzijdse territoriale aanspraken, maar deze onderhandelingen mislukten. Bij de verovering van Hongarije door de Sovjet-troepen in 1944 vluchtten zijn vrouw en dochter naar Boedapest, terwijl Bánffy op zijn bezit in Transsylvanië bleef, dat opnieuw bij Roemenië werd ingelijfd. Hij werd onteigend en kon in 1949 naar Hongarije emigreren.

Uit: Die Schrift in Flammen (Vertaald door Andreas Oplatka)

“Ein schöner, sonniger Nachmittag Anfang September. Das Licht ist so strahlend, dass die eine oder andere Lerche, vom Glanz trunken, immer wieder auffliegt, hinauf in den gleißenden Himmel, dort für  einige Augenblicke mit ihren kleinen Schwingen schlägt, um dann aus der Höhe Kopf voran hinunterzutauchen, über dem Boden vorbeizustreichen und abermals aufzusteigen – stets von neuem. Sie glaubt wohl, es sei immer noch Sommer.
Doch ist tatsächlich alles noch grün. Die gelben Streifen der Stoppelfelder werden von der wuchernden Vogelhirse mit grünlicher Glasur überzogen, von kleinen, zitternden, resedafarbenen Ähren bestreut, unter denen hier und dort ein verspäteter Klatschmohn sich karmesinrot emporstreckt.
Auf den sanften Hügeln den Maros entlang, die sich auf der einen Seite bis zur breiten Landstraße hin senken und rechts, auf der anderen, jenseits der Wiese, sich bauchig blähen – auch dort sind die vielen Obstbäume und der zuoberst den Grat krönende Wald grün. Noch meldet nichts den nahenden Herbst, nur die überreif weichen Früchte der Spindelbäume heften orange Tropfen in das leicht welkende Laub, und einzig die Blutbuchensträucher spielen ins Rötliche.
Die Landstraße zwischen der morastigen Wiese und den Hügelflanken ist schneeweiß vom Staub, der am Rande des Straßengrabens auch den Hasenlattich und die Melde überstreut, die Kelchblätter der Dorngewächse gefüllt und die sich flach entfaltenden Schaufeln der Disteln bedeckt hat.
Heute ist Sonntag, der Verkehr auf der Straße war zur Mittagszeit dennoch groß. Viele Wagen strebten eilig Vásárhely zu, unter ihnen auch viele ratternde Einspänner-Bauernfuhrwerke. Denn es gab heute einen großen Tag in der Stadt, ein bedeutendes Ereignis: Es fand ein Pferderennen statt. Dorthin waren alle unterwegs gewesen und ließen große Staubwolken hinter sich aufsteigen.
Nun herrscht Stille. Jetzt, am Nachmittag, fährt ein einziger Wagen, eine von drei Pferden gezogene Mietkutsche, auf dieser Straße, die von Marosvásárhely ostwärts über
den Vácmán nach Balavásár führt und nach der Abzweigung links gegen Nyárádszereda.
In der alten Droschke des Fiakers von Vásárhely sitzt, ruhig zurückgelehnt, ein junger Herr: Bálint Abády, ein schlanker Mann von mittlerem Wuchs. Er trägt einen langen, rohseidenen, bis zum Kinn zugeknöpften Staubmantel. Den Hut hat er abgelegt, einen jener breitrandigen Filzhüte, die damals nach dem Burenkrieg in Mode gekommen waren. In sein gelocktes, dunkelblondes Haar steckt der Sonnenschein rötliche Lichter. Mag er auch ein Blondkopf sein mit hellen Augen, so ist er doch ein charakteristisch östlicher Menschentyp: eine leicht zurückweichende, stark gewölbte Stirn, breite Backenknochen, sich nach oben ziehende Augenwinkel.“

 
Miklós Bánffy (30 december 1873 – 5 juni 1950)

Stefan Brijs, Gilbert Adair, Paul Rudnick, William Gaddis, Carmen Sylva, Brigitte Kronauer, Vesna Lubina

De Vlaamse schrijver Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk. Zie ook alle tags voor Stefan Brijs op dit blog.

Uit: De engelenmaker

“Ten slotte had ook hij een eis gehad. Het was voor haar een volslagen verrassing geweest.
‘Wilt u hun over Jezus vertellen?’
‘Wat zegt u?’
‘Over Jezus. Uit het Nieuwe Testament.’
‘Over Jezus,’ herhaalde ze, de wenkbrauwen fronsend.
‘Over Jezus, niet over God,’ zei hij met nadruk. ‘Alleen over Jezus.’
‘Alleen over Jezus?’
‘Ja, alleen het Nieuwe Testament, niet het Oude Testament.’
Ze wist niet wat ze hoorde. Ten eerste had ze totaal niet verwacht dat de dokter gelovig was en ten tweede vroeg ze zich af hoe ze over Jezus kon vertellen zonder het ook over God te hebben. Ze had het nog eens expliciet gevraagd: ‘Dus wel over Jezus, maar niet over God?’
‘Ja.’
‘Dat kan toch niet. Dat is onmogelijk.’
‘Niets is onmogelijk, Frau Maenhout. Moeilijk misschien wel, maar onmogelijk niet.’
Ze besloot er niet verder op in te gaan. Ze was al tevreden dat ze aan Michaël, Gabriël en Rafaël godsdienst mocht geven, zij het dan met beperkingen.”

 
Stefan Brijs (Genk, 29 december 1969)

Doorgaan met het lezen van “Stefan Brijs, Gilbert Adair, Paul Rudnick, William Gaddis, Carmen Sylva, Brigitte Kronauer, Vesna Lubina”

Christian Kracht

De Zwitserse schrijver en journalist Christian Kracht werd geboren in Saanen op 29 december 1966. Kracht studeerde in Zwitserland, Duitsland, Canada en de Verenigde Staten. Hij werd geboren als zoon van een directeur van multinational-uitgever Axel Springer AG. In de jaren negentig werkte Kracht als journalist, onder meer voor Der Spiegel. Midden jaren negentig werd hij correspondent in India, ging wonen in Bangkok en schreef een serie veelgeprezen reisartikelen voor het dagblad “Welt am Sonntag”, later gebundeld in “Der Gelbe Bleistift” (2000). Van 2004 tot 2006 was hij samen met Eckhart Nickel redacteur van het litaratuurtijdschrift “Der Freund”. Krachts eerste roman, “Faserland” (1995), wordt gezien als een sleutelwerk in de Duitse golf van “popliteratuur”, die toen opgang maakte. Internationale bekendheid verwierf Kracht met zijn roman “1979” (2001). Deze toont het fragiele en decadente karakter van het Westerse waardesysteem en haar onmacht tegen Oosterse totalitaire modellen zoals de islam. Het boek trok veel aandacht, met name ook omdat het vrijwel gelijktijdig gepubliceerd werd met de aanslagen op 11 september 2001. Een toneelversie van 1979 had in 2004-2010 internationaal groot succes. Kracht handhaafde zijn naam als literator met de romans “Metan” (2007) en „Ich werde hier sein im Sonnenschein und im Schatten“ (2008). Van dit laatste boek verscheen in 2010 de Nederlandse vertaling. Voor zijn roman “Imperium” ontving Kracht in 2012 zowel de Kulturpreis van het Kanton Bern als de Wilhelm-Raabe-Preis. Kracht geldt in de Duitstalige literaire wereld als een controversiële persoon. Doorgaans presenteert hij zich als een ironische, kosmopolitische dandy en hij schrikt niet terug voor gepeperde uitspraken over de Taliban, Noord-Korea en actuele maatschappelijke ontwikkelingen, op een wijze die critici wel als ‘nieuw-rechts’ betitelen. Kracht woont tegenwoordig in Florence en Afrika.

Uit: Die Toten

„Es war der nasseste Mai seit ]ahrzehnten in Tokio; das schlierige Grau des bewölkten Himmels hatte sich seit Tagen in ein tiefes, tiefes Indigo verfärbt, kaum jemand vermochte sich jemals an derartig katastrophale Wassermengen zu erinnern; kein Hut, kein Mantel, kein Kimono, keine Uniform saß noch, wie sie sollte; Buchseiten, Dokumente, Bildrollen, Landkarten begannen sich zu wölben; dort war ein widerspenstiger Schmetterling im Flug von Regenschauern hinab auf den Asphalt gedrückt worden – Asphalt, in dessen Vertiefungen
voller Wasser sich abends die hellbunten Leuchtschilder und Lampions der Restaurants beharrlich spiegelten; künstliches Licht, zerbrochen und portioniert von arrhythmisch prasselnden, ewigen Schauern.
Ein junger, gutaussehender Offizier hatte diese oder jene Verfehlung begangen, weshalb er sich nun im Wohnzimmer eines ganz und gar unscheinbaren Hauses im Westen der Stadt bestrafen wollte. Die Linse der Filmkamera wurde an ein entsprechendes Loch in der Wand des Nebenzimmers geführt, dessen Ränder man mit Tuchstreifen wattiert hatte, damit das Surren des Apparats nicht die empfindliche Szenerie störe:
Der Offizier kniete sich hin, öffnete die weiße Jacke links und rechts, fand prüfend mit nahezu unmerklich zitternden, gleichwohl präzise suchenden Fingerspitzen die korrekte Stelle, verneigte sich und tastete nach dem vor ihm auf einem Sandelholzblock liegenden, hauchscharfen tantö. Er hielt inne, horchte, hoffte darauf, noch einmal das Geräusch des fallenden Regens zu hören, aber es ratterte lediglich leise und maschinell hinter der Wand.
Gleich nachdem die hellgeschlilfene Spitze des Dolchs die Bauchbinde und die darunterliegende feine weiße Bauchhaut angeritzt hatte, deren sanfte Wölbung von nur wenigen schwarzen Schamhaaren umspielt wurde, glitt die Klinge schon durchs weiche Gewebe in die Eingeweide des Mannes hinein – und eine Blutfontäne spritzte seitwärts zur unendlich zart getuschten kakejiku, zur Bildrolle hin. Es sah aus, als sei das kirschrote Blut mittels eines Pinsels, den ein Künstler mit einer einzigen, peitschenhaften Bewegung aus dem Handgelenk ausgeschüttelt hatte, absichtlich quer über die kakejiku geklatscht worden, die dort in erlesener Einfachheit im Alkoven hing.“

 
Christian Kracht (Saanen, 29 december 1966)

Liu Xiaobo, Burkhard Spinnen, Shen Congwen, Engelbert Obernosterer, Conrad Busken Huet, Manuel Puig, Hildegard Knef, C. Louis Leipoldt, Guy Debord

De Chinese dichter en mensenrechtenactivist Liu Xiaobo werd geboren in Changchun op 28 december 1955. Zie ook alle tags voor Liu Xiaobo op dit blog.

A Small Rat in Prison
for Little Xia

a small rat passes through the iron bars
paces back and forth on the window ledge
the peeling walls are watching him
the blood-filled mosquitoes are watching him
he even draws the moon from the sky, silver
shadow casts down
beauty, as if in flight

a very gentryman the rat tonight  
doesn’t eat nor drink nor grind his teeth
as he stares with his sly bright eyes
strolling in the moonlight

 

Daybreak
for Xia

over the tall ashen wall, between
the sound of vegetables being chopped
daybreak’s bound, severed,
dissipated by a paralysis of spirit

what is the difference
between the light and the darkness
that seems to surface through my eyes’
apertures, from my seat of rust
I can’t tell if it’s the glint of chains
in the cell, or the god of nature
behind the wall
daily dissidence
makes the arrogant
sun stunned to no end
 
daybreak a vast emptiness
you in a far place
with nights of love stored away

 

Vertaald door Jeffrey Yang

 
Liu Xiaobo (Changchun, 28 december 1955)
Hier met zijn vrouw

Doorgaan met het lezen van “Liu Xiaobo, Burkhard Spinnen, Shen Congwen, Engelbert Obernosterer, Conrad Busken Huet, Manuel Puig, Hildegard Knef, C. Louis Leipoldt, Guy Debord”

Bernard Wesseling, Marc-Édouard Nabe, Wendy Coakley-Thompson, Louis de Bourbon, Bob Flanagan, Malin Schwerdtfeger

De Nederlandse dichter en schrijver Bernard Wesseling werd geboren in Amsterdam op 27 december 1978. Zie ook alle tags voor Bernard Wesseling op dit blog.

Naar de daken

Als ik opkijk is het nacht.
De maan verschijnt, het is die uit de kindertijd:
pips maar bont gemutst. Nu dwaalt mijn blik
naar mijn werkeloze handen als gaf een herinnering af.
Had ik al gezegd dat ik geen ondragelijk geheim heb?
Soms waan ik me onderwerp van twist tussen deze of gene listige goden.
Mijn onbegrip een ode aan hun almacht,
als ik dat eens durfde geloven. Dan weer denk ik de holle lach
van de alleman te horen, maar het blijkt slechts de wereld
van de verrekijk en de uitgekiende gein van elkaar opzettelijk
verkeerd begrijpen. Niets doet minder pijn of het is doodgeboren.
Inenen wens ik mijn vod van een gemoed uitgeslagen
en ik vraag me af: wat wacht ons op het dak?
Welke overheerlijke vloek rijpt daar in de sferen?
Naar de daken ja! En dan maar wachten tot morgen de luchten
van postmodern blauw – het oude grijs – naar een trouwer blauw
verschieten en mij de staar wegnemen, in het kraaiennest
van de antenne gezeten, want op mijn plek
ben ik de vogel in de krok zijn bek en
het is begonnen te hongeren.

 

Stomme vogel

Ik had me teruggetrokken om ergens op te mediteren,
waarop weet ik niet meer. Toen hij me eindelijk belde.

Ik zei dat ik me gevangen voelde in deze kersenboomgaard
– hij zei dat het hem niks verbaasde – en er een joekel
van een boom was hier, met een net erover waar
een vogel in vastzat die zich vol had gevreten van de
kersen en nu onder het net uit wilde maar niet kon,
hoe ik ook probeerde te helpen door het net te lichten.

Ik was almaar moe. In mijn hoofd deden namen de
ronde, gezichten ook. Wat ik nodig had, ik kon er niet
opkomen. Wat ik niet nodig had, ik zag het overal.
In de smalende groene velden, in de kersen rondom
de bomen die de geur van likeur verspreidden.

Er was een betekenisloze stilte.
Hij zei: en je weet het, altijd een steen los in
de muur achterlaten voor mij.

Bernard Wesseling, Édouard Nabe, Wendy Coakley-Thompson, Louis de Bourbon, Bob Flanagan, Malin Schwerdtfeger, Romenu
Bernard Wesseling (Amsterdam, 27 december 1978)

Doorgaan met het lezen van “Bernard Wesseling, Marc-Édouard Nabe, Wendy Coakley-Thompson, Louis de Bourbon, Bob Flanagan, Malin Schwerdtfeger”