Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

Uit: De brand in alles

“Verdomme, daar was er weer een. De zevende al. Opnieuw greep hij het tijdschrift dat hij in het laatje van het nachtkastje had aangetroffen. Op de cover prijkte het pontificaal uitgestalde onderlijf van een vrouw, compleet met schaamspleet en roetzwart schaamhaar. Een reproductie van Courbets beroemde schilderij L’Origine du Monde. Dat hij daarmee al zes muggen had doodgemept vond hij ronduit grappig. Als Lise zou bellen om hem te vragen wat hij zoal had uitgespookt, kon hij haar vertellen dat hij met een kut aan plaagdierbestrijding had gedaan. Voordat hij het tijdschrift tot een slagwapen oprolde keek hij nog eens naar de afbeelding. Het schaamhaar, dat hem deed denken aan een berg vergruisde steenkool, was inmiddels besproeid met een mengsel van muggen- en mensenbloed.
Tjak, daar daalde nummer zeven ten grave in de spelonk boven het perineum.
Op de muur boven het bed prijkten nu drie geplette muggen en wat bloedvegen. Naast de kast bevonden zich eveneens sporen van de slachting. De kamer werd er niet fraaier op. Drieveertig bij viervijftig mat hij, zo had Kiezel eerder vastgesteld. Een kwestie van beroepsdeformatie, altijd willen weten hoe groot een ruimte is. Hij had met zijn rolmaat onder het bed (tussen de stofnesten!) moeten kruipen en met behulp van de oplichtende display van zijn smartphone het correcte getal afgelezen. Exact dezelfde afmetingen die zijn vroegere kamer in het huis van zijn ouders had. Toen gebruikte hij een zaklamp om iets te kunnen zien in het duister. Iets: in zijn kindertijd was dat zijn postzegelverzameling, die hij in bed, terwijl hij geacht werd te slapen, bekeek. Later, toen Robert bij hem woonde, waren het boeken geweest, die hij fluisterend voorlas aan zijn blinde vriend.”

 
Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

Doorgaan met het lezen van “Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Mary Coleridge, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Theodor Körner, Euripides”

Ellen Warmond

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Warmond (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen) werd geboren in Rotterdam op 23 september 1930. Zij groeide op in Rotterdam en doorliep daar de hbs. Zij volgde vanaf 1946 een balletopleiding en danste tot 1953 in het Rotterdams Ballet Ensemble. Omdat ze daarvan niet kon leven, was ze daarnaast secretaresse op een handelskantoor. Men had daar weinig affiniteit met poëzie en om haar dichtwerk te verbergen koos ze het pseudoniem Ellen Warmond. In 1953 debuteerde zij met een aantal gedichten in het literair tijdschrift Maatstaf. Van 1955 tot 1983 werkte zij bij het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag, de stad waarheen zij in 1968 verhuisde. Zij was de rechterhand van hoofdconservator Gerrit Borgers en werkte ook nog enkele jaren onder diens opvolger Anton Korteweg. Ze schreef naast haar dichtwerk ook veel secundaire literatuur. Zij werkte mee aan de eerste dertien Schrijversprentenboeken die door het Letterkundig Museum in samenwerking met uitgeverij De Bezige Bij werden gepubliceerd. Ellen Warmond heeft een groot aantal dichtbundels op haar naam staan, maar schreef ook een roman (Paspoort voor niemandsland, 1961) en verhalen (Eeuwig duurt het langst, 1961, en Van kwaad tot erger, 1968). Ellen Warmond ontving voor haar werk meerdere prijzen, waaronder de Anna Bijns Prijs voor haar gehele oeuvre.

 

Changement de décor

Zodra de dag áls een dreigbrief
in mijn kamer wordt geschoven
worden de rode zegels van de droom
door snelle messen zonlicht losgebroken

huizen slaan traag hun bittere ogen op
en sterren vallen doodsbleek uit hun banen

terwijl de zwijgende schildwachten
nachtdroom en dagdroom haastig
elkaar hun plaatsen afstaan
legt het vuurpeloton van de twaalf
nieuwe uren bedaard op mij aan.

 

 

Warmte, een woonplaats

Liefde en het besef
van liefde daartussen bouwen
mensen een warmende woonplaats

en sprekende zeggen ze: liefste
open je ogen nu langzaam en eet
ik heb het licht voor je aangesneden
of: open je ogen niet drink nu het donker
ik heb de nacht voor je omgekocht

want liefde en het besef
van liefde daaraan ontsteken
ogen en stemmen hun licht
daarin ontbloeien de lippen
daaruit ontstaat het gedicht.

 

 
Ellen Warmond (23 september 1930 – 28 juni 2011)

Olga Kirsch

 

De Zuid-Afrikaanse / Israëlische dichteres Olga Kirsch werd geboren in Koppies in de Oranje Vrijstaat op 23 september 1924. Haar vader was geëmigreerd uit Litouwen en, hoewel hij zelf Jiddische sprak leerde hij zijn dochter Engels te spreken. Toch schreef zij in het Afrikaans en publiceerde acht bundels poëzie in die taal, evenals een keuze uit haar gedichten. Kirsch emigreerde naar Israël op de leeftijd van 24 en bleef er wonen tot aan haar dood. In 1990 publiceerde ze haar eerste poëziebundel in het Engels. Ze bleef in het Engels schrijven en was actief betrokken bij de Israëlische Vereniging van Schrijvers in het Engels. Hoewel zij naam had gemaakt als dichteres in Zuid-Afrika slaagde zij er niet in dezelfde mate van bekendheid in Israël of de Engelssprekende wereld te bereiken. Haar poëzie werd gekenmerkt door metrum en vaak door rijm. In haar jeugd schreef ze vooral over de onmenselijkheid van racisme en van haar verlangen naar Sion. Toen zij ouder werd stonden meer persoonlijke thema’s centraal. Ze schreef een reeks sonnetten gewijd aan haar man, de wiskundige Joseph Gillis. In haar werk rouwde zij ook om haar moeder, en haar geliefde kleindochter, die op negen jarige leeftijd overleed. Tijdens haar schrijven zijn er gedichten rond het thema van de natuur, en de vernietiging van de natuur. Als volleerd taalkundige vertaalde zij zelf haar poëzie uit het Afrikaans in het Engels en Hebreeuws. Olga Kirsch en Joseph Gillis hadden twee dochters.

 

Iets het gesterf in my met jou vertrek

Iets het gesterf in my met jou vertrek;
iets wat ekstaties was, en bly spontaan,
onverantwoordelik soos ’n lentewaan,
het drup-drup uit my wese weggelek

Iets het gewyk … Og, dat ek kon ontwaak
uit hierdie sware trans, en weer geluk
ervaar, oorstelpend groot, of wurg en sluk
van smart! Maar ek bly koud, onaangeraak.

Dan sal ek maar berus, al is ek stomp –
gevoelloos van verlange. Want ek wag
dat alles wat my ontwyk het, en ontsag-

lik veel wat jy moet aanvul, soos ’n blom
in my sal oopvou op die blye dag
as jy vanuit die vertes huis-toe kom.

 

Die Wandelende Jood

O dogter van Babel, jy wat
verwoes sal word, gelukkig
is hy wat jou sal vergeld
wat jy ons aangedoen het

God het sy volk veroordeel tot die vuur,
masjiengeweer, gaskamers en die graf.
Hy het hul saamgeskaar in kerk en skuur
en met die witkalk en die vlam bestraf.

En enkeles het uit die puin herrys,
krank en geknak, met oë wat die dood
se starre niksheid dra en weer gereis
deur vreemde lande na die moederskoot.
Die eeue-oue pelgrimstog hervat
met skuifelende voete en geboë
skouers. Maar aan die einde van die pad
het een hul weggewys met trae oë.

Sal God in toorn die poorte stukkend slaan
dat my moeë mense mag binnegaan?

 

 
Olga Kirsch (23 september 1924 – 5 juni 1997)