Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl, James Shirley

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

Uit: Border State (Vertaald door Madli Puhvel)

WHAT WAS IT YOU SAID AGAIN? “YOU HAVE A STRANGE LOOK IN your eyes-like a bystander observing the world. You’re not French, are you?”
Yes, I think that those were your first words, Angelo, as you emerged from that vacuously bright sunshine, like an image appearing on white photographic paper when it’s immersed in developing solution. I have waited in the hellish glow of a darkroom and watched over a shoulder as a special pair of hands performed witchcraft above the murky liquid. The point at which the picture first emerged, that brink of development, fascinated me even more than the shoulder and the hands … That, by the way, was so long ago, in another century, in a forgotten country. But they must have been familiar with Daguerre’s discovery. I remember the developing tank quite clearly. I’ll tell you about that century and country eventually, and about the hands that lost their seductiveness with time. Everything in sequence! There is so much to tell you. That is, to write you, because I promised to write you. I promised to put everything down gradually, from beginning to end, if I can find a beginning and an end.
You are a stranger I may never again meet. You have come from the other side of the world and know nothing of what I am about to tell you. I could lie, could fabricate whatever my heart desired!
It was at random you talked to me in that town. No, not quite at random: you chose me because you were sent to question me, and now you have no choice. I never tried telling anyone all this before because people always think they know everything. They prejudge. You won’t prejudge, Angelo.
I don’t know whether you even exist. Pardon my poor French, by the way. I only dare to write you because I know you too are not French. You’re nobody special, no one in particular. That’s the only reason I dare turn to you. You in turn must think it is I who appeared from nowhere, from the bottom of the ocean, or the other side of the moon, from Bosnia-Herzegovina, or from an apartment filled with the suffocating stench of an indoor privy, in a small town beside a river in Eastern Europe, from behind a stack of firewood.”

 
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Doorgaan met het lezen van “Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl, James Shirley”

Eginald Schlattner, Warren Murphy, Miroslav Holub, Johannes Poethen, Francis Yard, Anton Constandse, Muus Jacobse, J. B. Priestley

De Duitstalige, Roemeense, schrijver en pastor Eginald Schlattner werd geboren in Arad op 13 september 1933. Zie ook alle tags voor Eginald Schlattner op dit blog en ook mijn blog van 13 september 2010.

Uit: Rote Handschuhe

“Woher wissen Sie das? Sie stehen ja mit dem Rücken zur Tür.”
“Ich hab’s gehört mit meine Ohren. Du aber, was hast ausgefressen?”
“Nichts, gar nichts!”
“Tja”, sagt er, “das glaubt jeder von sich selber, daß er ist unschuldig wie ein Mädchen, bevor sie in den Beichtstuhl kriecht. Auch ein Spion wie ich tut so glauben.”
Spion! Bis zur Stunde ein Fabelwesen in Romanen und Filmen, dem unsereiner nie Gefahr lief, leibhaftig zu begegnen. Nun steht er vor mir, zwar unansehnlich und bar jeder Glorie oder Dämonie, aber wirklich und wahr.
Ich beteuere: “Nichts habe ich mir zuschulden kommen lassen! Rein gar nichts. Wenngleich ich ein Siebenbürger Sachse bin, bin ich doch für den Sozialismus.” Und sage noch vieles, die Worte überschlagen sich, als wollte ich im Nu Realitäten schaffen.
“So ist es, bei der Securitate sein’s alle kommunistischer als der Papst. Hier wirft jeder seine Vergangenheit ab wie die Eidechs ihren Schwanz, wenn man drauf tut treten.”
Außerdem sei ich krank, leide an einer Art Entzündung der Seele. Zwangsideen überfielen mich wie Fieberschübe. “Dies hier ist pures Gift für mich, nicht zum Aushalten! Enge und düstere Räume haben die Ärzte ausdrücklich verboten…”
“Keiner tut es hier aushalten”, sagt Rosmarin, “es ist Gift für jeden. Auch mir haben die Ärzte verboten, eingesperrt zu gehn. Und seit damals tut meine Seele verbrennen im Feuer.”
“Viel Bewegung auf weiten Wiesen”, ich starre auf die weiße Wand, “das hat man mir empfohlen. Wiesen mit Gänseblümchen und Himmelschlüssel, mit Tannenwäldern, Höhenrauschen. Ja keine Konfliktsituationen. Und überhaupt, im Grunde genommen hab ich das Leben satt.”
“Dann bist hier gerade richtig.”
Er fragt, wie es mir beim Verhör ergangen sei. “Was wollten’s wissen?”
“Nichts. Nichts Besonderes. Herumgeredet haben sie. Das heißt nur zwei von ihnen, die anderen sind dagehockt wie Ölgötzen. Zuletzt haben sie mich nach einem gefragt, mit dem ich nie was zu tun gehabt habe.”

 
Eginald Schlattner (Arad, 13 september 1933)

Doorgaan met het lezen van “Eginald Schlattner, Warren Murphy, Miroslav Holub, Johannes Poethen, Francis Yard, Anton Constandse, Muus Jacobse, J. B. Priestley”

Jac. van Looy

De Nederlandse schilder en schrijve Jacobus (Jac) van Looy werd geboren in Haarlem op 13 september 1855. Van Looy was de zoon van een timmerman. Zijn ouders stierven kort na elkaar en vanaf zijn vijfde jaar groeide hij op als weesjongen in het Haarlemse Gereformeerd Burgerweeshuis aan het Groot Heiligland. In dit gebouw is nu het Frans Hals Museum gevestigd. Hij leerde voor het vak van huis- en rijtuigschilder, maar mocht vanwege zijn talent daarnaast tekenlessen volgen. Hij studeerde aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, en was bevriend met onder andere Willem Witsen. In 1884 kreeg hij de prestigieuze Prix de Rome. Daaraan verbonden was een beurs en een rijkstoelage die hem staat stelde om te reizen en ervaring op te doen. Zo reisde hij van 1885 tot 1886 naar Italië, Spanje en Marokko. Verder schreef hij ook korte verhalen. In Amsterdam huwde hij in 1892 met Titia van Gelder (1860-1940), telg uit het Zaanse geslacht van papiermakers, waarna het paar zich vestigde in Soest. In 1913 verhuisde ze weer naar Haarlem, waar ze hun verder leven bleven wonen. Van Looy maakte deel uit van de redactie van het letterkundig tijdschrift De Nieuwe Gids van de beweging der Tachtigers en werd het bekendst door zijn deels autobiografische cyclus Jaapje-Jaap-Jakob. Andere werken van hem zijn onder andere “Reizen”, “Proza”, “Nieuw proza” en “Feesten”. Daarnaast vertaalde hij werken van Shakespeare, zoals “Macbeth”, “Hamlet” en “As you like it”. Van deze vertalingen verschenen edities met fraaie illustraties van Rie Cramer. Verder schreef hij gedichten die in diverse publicaties verschenen, maar pas in 1932 door zijn weduwe werden verzameld en uitgegeven. Na de dood van zijn weduwe Titia was Van Looy’s huis aan de Kleine Houtweg 103 te Haarlem van 1949 tot 1967 een aan hem gewijd museum, waar een keuze uit zijn nalatenschap, waaronder schilderijen, tekeningen en manuscripten te zien was. Na sluiting van het museum werd de collectie, eigendom van de Stichting Jacobus van Looy (die de nalatenschap bezit en beheert) ondergebracht in het Frans Hals Museum in Haarlem. Het Teylers Museum in Haarlem heeft enkele schilderijen en een collectie van tekeningen in bezit, waaronder veel tekeningen en schetsen uit Italië, Spanje en Marokko.

Uit: Jaapje

‘Je moet het zelf zeggen.’
‘Heb je gehoord dat je het zèlf moet zeggen,’ zei het weeshuismeisje tot haar broertje, dat meeliep aan haar hand en daardoor telkens in een drafje gaan moest.
‘Ja,’ zei benauwd het joggie, bijna stikkend in de kaziné, die hem over pet-en-al was omgebonden.
‘Jij alleen màg het zeggen, heeft Doòr gezegd, en loop nou een beetje an, het is er anders zoo vol.’
Hij struikelde tegen een hobbeligen steen en hing even schuin aan de hand van zijn zusje. Ze tilde hem met een rukje ter been en zei:
‘Kijk nou toch uit, Jaapie!’
Het hart zat het kereltje vlak voor zijn keel. Het was hem geweest of hij de ‘poesjes’ rook, die van Door’s ‘boa’ afhingen en zoo koud langs je wangen aaiden; hij voelde haar blozend weêr over zich gebukt, zooals zij Zondag na kerktijd het dubbeltje hem gaf voor zijn Sinterklaas en vóor ze naar haar dienst ging, gezegd had: hij mocht het zelf zeggen wat hij er voor koopen wou. Koos had het nou in haar zak, met z’n andre centen, maar wat je van je groote zuster gekregen had, dat was van jou, van niemand anders, geen ander mocht er an kommen, Marijtje Verkruisen mocht er wel ankommen, Marijtje wel.
In het dooi-modderige duister boven de straat die de kinderen beliepen, blikkerde soms het licht van een tochtige lantaren. Maar in Jaapjes hoofd bloosde het heel hoog. Hij was voor het eerst in de week zoo laat op straat en hij wist hier de weg en hoe je moest komen bij Bies, waar je vier pepermuntballen kreeg voor een cent, uit een glas dat hij schudde eerst en dan er zijn hand in stak. Jaapje zag het schijnsel uit de steeg al dichterbij. Daar was je dadelijk bij Bies, waar je kriekjes ook krijgen kon en kantkoek ook, maar kriekjes waren naar en kantkoek ook. Hij wist ook verderop de weg nog wel; wanneer je doorliep kwam je bij de appelvrouw die ‘zoete veentjes’ had en liep je verder nog dan kwam je aan een straat, daar liep je van Damme voorbij, als je naar groovader ging. Maar dan had je nooit meer dan éen cent, dan was het Zondag en nou mocht je even met je zusje uit, om te gaan koopen wat je zelf mocht zeggen, omdat het ‘kijk-avond’ was. Jaapje liep in een buitensporige verwachting. Misschien was er morgen wat in zijn schoen, hij mocht zijn schoen onder zijn krib zetten, niet in het poortje tusschen de kribben, had Koos gezegd. Verleeën jaar was er een krui’noot in geweest en die was heelemaal nat. Maar nou had ie twalef centen en daar kon je wat voor doen, zei Koos. Wat hij er voor doen zou, wist Jaapje niet; hij had van Sint-Nicolaaswinkels niet veel begrip, hij wist wel dat Sint-Nicolaas reed en dat hij uit Spanje kwam, maar toen ze daar passies met z’n allen om het hekje van de kachel dansten en zongen: ‘Sint Niklaas, goed heilig man, trek je beste tabbert an, rij er mee naar Amsterdam,’ en ‘gooi wat, strooi wat!’ had Jaapje het wel geweten, dat als moeder van de tafel opstond en er krui’noten om te grabbelen over de deur kwamen vliegen, dat ‘de moeder’ dat deed. Jaapje wist dat heel goed, maar veel meer wist Jaapje niet.”

 
Jac. van Looy (13 september 1855 – 24 februari 1930)
”t Dresdener petje’. Zelfportret, 1911

Marie von Ebner-Eschenbach

De Oostenrijkse schrijfster, Marie Freifrau von Ebner-Eschenbach werd geboren op slot Zdislavice bij Kroměří¸ in Moravië op 13 september 1830.Ebner-Eschenbach was de dochter van Franz Baron Dubský, vanaf 1843 graaf Dubský, en zijn tweede vrouw baronesse Marie von Vockel, die kort na haar geboorte stierf. Ze groeide afwisselend op in Wenen en op het familieslot n haar geboortedorp, waar ze als kind veel las en zich ontwikkelde in haar vaders bibliotheek. Van een gouvernante leerde ze meerdere talen spreken. In 1848 huwde ze de natuurkundige Moritz von Ebner-Eschenbach, die haar stimuleerde om te gaan schrijven.Na eerste pogingen op het gebied van de lyriek en drama, wijdde ze zich geheel aan de verhalende literatuur. Ze schreef vooral romans en verhalen waarin sociale conflicten aan de orde komen, die ze in een conservatief-patriarchale zin probeert op te lossen. Karakteristiek voor haar werk is de roman “Bozena” (1876), die handelt over de tegenstelling tussen stad en land, rijke burgerij en verarmde adel. Haar sympathie gaat uit naar de adel. Snel rijk geworden handelaren en fabrikanten worden door haar als hebzuchtig, harteloos en eerzuchtig uitgebeeld. Van haar vertellingen is “Krambambuli” het meest bekend, dat meermaals verfilmd werd. Tegenwoordig worden met name ook haar memoires, “Kinderjahre” (1906), literair goed gewaardeerd. Ook schreef ze bundels met aforismen.Ebner-Eschenbach was een fervent verzamelaarster van bijzondere horloges. In had in 1879 in opleiding tot horlogemaakster voltooid, iets ongewoons voor een vrouw in die tijd. Haar collectie bevindt zich thans in het klokkenmuseum in Wenen. Ze werd onderscheiden met het Keizerlijk-Koninklijk Oostenrijks-Hongaars Ereteken voor Kunst en Wetenschap. In 1916 overleed ze te Wenen, 85 jaar oud. Haar lichaam werd bijgezet in een familie-mausoleum bij het familieslot in Troubky-Zdislavice.

Uit: Bozena

“Leopold Heißenstein war der reichste und einer der geachtetsten Bürger des mährischen Landstädtchens Weinberg. Ob auch einer der beliebtesten, das stand dahin und machte die geringste seiner Sorgen aus. Witzbolde unter den Eingeborenen meinten, ein Mann von Geist und Geschmack sei er jedenfalls, das bringe schon sein Geschäft mit sich – das ansehnliche Weingeschäft nämlich, das sich seit Generationen in seiner Familie forterbte, und das er zu unerhörter Blüte gebracht hatte.
Wie Leopold der einzige Sohn seines Vaters gewesen war, so wurde auch ihm nur ein männlicher Sprosse, aber ein prächtiger Junge beschert, der den Ruhm des alten Hauses glorreich fortzusetzen versprach.
Ein Töchterchen, das seine Frau ihm in den späteren Jahren der Ehe gebar, betrachtete Heißenstein als ziemlich unwillkommene Zugabe zu seinem Glücke: «Denn», pflegte er zu sagen, «der Sohn trägt Geld in das Haus, die Tochter trägt Geld aus dem Haus.»
Auf eine Mitgift übrigens, wenn auch auf eine sehr anständige, kommt es einem Manne wie Heißenstein nicht an, und damit fertigt er dereinst das Mädchen ab.
Die Existenz dieses Kindes, dem Vater so gleichgültig, wurde für die Mutter eine Quelle unsäglicher Freude; der letzten, welche die kränkliche Frau auf Erden genießen sollte. Der Sohn war ihrer Sorgfalt, sobald dies nur halbwegs anging, entzogen und nach Wien in eine Erziehungsanstalt gebracht worden. Heißenstein, hatte geglaubt, ihn nicht früh genug aus der Kinderstube und den Händen der «Weibsleute»befreien zu können. Wie recht er daran getan, das wurde ihm täglich durch den unheilvollen Einfluß bestätigt, den die abgöttische Liebe der Mutter auf die kleine Rosa ausübte. Die Unarten des Kindes erfüllten ihn mit einer Art von spöttischer Befriedigung. Ihm selbst war die Unerbittlichkeit, mit welcher er Mutter und Sohn einander entfremdete, manchmal grausam erschienen – jetzt fand er sie auf das glänzendste gerechtfertigt.
Daß die arme Frau sich eben mit allen Kräften ihres entschwindenden Lebens an das einzige klammerte, das man ihr ließ, daran dachte er nicht. Er war nicht gewohnt, auf die Empfindungen andrer Rücksicht zu nehmen, am wenigsten auf die seiner stillen Lebensgefährtin. Was er tat, war wohlgetan, und der Eindruck, den es hervorbrachte, gleichgültig. In sicherer Ruhe schritt er dahin, seiner selbst gewiß, nichts fürchtend, nichts bereuend. Und so, in der Fülle der Zufriedenheit, traf ihn der schwerste Schlag, der ihn treffen konnte: er verlor seinen Sohn. Der Knabe wurde so rasch hinweggerafft, daß seine Eltern, die bei der ersten Nachricht seiner Erkrankung herbeigeeilt kamen, ihn nicht mehr am Leben trafen.”

 
Marie von Ebner-Eschenbach (13 september 1830 – 12 maart 1916)
Portret door Karl von Blaas, 1873