John Birmingham, Diana Ozon, Vladimir Sorokin, Michael Roes, Cees Buddingh’, Joachim Ringelnatz

De Australische schrijver John Birmingham werd geboren op 7 augustus 1964 in Liverpool, Engeland. Zie ook mijn blog van 7 augustus 2010 en eveneens alle tags voor John Birmingham op dit blog.

Uit: Stalin’s Hammer

“Harry dug a thumb into the man’s biceps to emphasize just who was controlling this negotiation.
“You won’t get a chance to tell anybody anything until you get to a safe house, and I’m not taking you anywhere until I know whether it’s worth it. Quite frankly, comrade, there’s a very good chance I’m going to get my arse shot off tonight.
It’s a fine-looking arse too. I spend a lot of time keeping it in trim and my girlfriend will be jolly fucking upset if some filthy Smedlov shoots a big bloody hole in it. So before we go anywhere, before you begin the first day of your new life as a pampered turncoat on some beach in bloody Australia, you’re going to tell me everything you know. Just. In. Case.”
The businessman grinned, or at least tried to. It was a weak, unconvincing effort. His eyes shifted left and right, and he jumped a little as the fire-exit door suddenly opened.
“Still looks clear out here, guv,” reported St. Clair.
“Thanks, Viv.”
“Don’t thank me, Your bloody Highness. Just make sure they pay my invoice promptly when I send it for this little bit of freelancing. Seven-day terms.”
“Your check is in the mail.”
Harry laid his gaze back on the quivering Sobeskaia, allowing the Russian to see the smile in his eyes die when he turned away from his old friend.
“Is complicated, and much difficulty,” blurted Sobeskaia.
“Much I do not know, much I have to tell. This is not place and, really, we must go now. I can tell all, later.”
“Aggregate it for me, Comrade Huff Po.”

 
John Birmingham (Liverpool, 7 augustus 1964)

Continue reading “John Birmingham, Diana Ozon, Vladimir Sorokin, Michael Roes, Cees Buddingh’, Joachim Ringelnatz”

Othon III de Grandson

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Franstalige dichter en ridder Othon III de Grandson werd geboren tussen 1340 en 1350. Hij was een achterneef van Othon I. de held van de kruistochten, die werd begraven in 1328 in de kathedraal Notre Dame van Lausanne. Hij stond bekend vanwege zijn moed tijdens de Honderdjarige Oorlog en werd benoemd tot kapitein aan het Engelse hof. Hij stond ook bekend als dichter: zijn balladen en klaagzangen met “elegisch” karakter wekten de interesse van Chaucer, schrijver van de Canterbury Tales, en de charmante Franco-Venetiaanse Christine de Pisan. Vervolgens kwam hij onder de hoede Amadeus VII van Savoye.Helaas stierf Amadeus aan een infectie,opgedaan na de val van een paard, iets dat echter op dat moment als vergiftiging werd geïnterpreteerd. Een arts beschuldigde, na gemarteld te zijn, Othon van moord op zijn beschermer. Voor Gandson bleef maar een ​​uitweg over: vluchten naar Engeland en de bescherming van de koning zoeken. Tijdens zijn tijd in ballingschap schreef hij de mooiste verhalen waar het hele middeleeuwse Europa enthousiast over was. Toch keerde hij enige tijd later naar het Waadtland terug om bij de baronnen die zijn goederen in beslag genomen hadden gerechtigheid te eisen. Om zijn goederen terug te krijgen begint hij in 1397 een duel tegen een van zijn buren, Gérard d’Estavayer, die een slechte reputatie had. Zijn tegenstander was echter veel jonger dan hij zelf en Othon kon zich niet goed verdedigen en werd gedood in dit duel.
Valentijnsdag, het feest van de verliefden werd in die tijd vooral in de Angelsaksische landen gevierd en Othon III was een van de eerste die deze gewoonte in de Latijnse wereld invoerde, maar vooral aan het hof van Savoye. Bijna 30% van zijn werken zijn gewijd aan dit onderwerp. Het vermelden waard zijn: “La Complaincte de Saint Valentin”, “La Complaincte amoureuse de Sainct Valentin Gransson”, “Le Souhait de Saint Valentin” en “Le Songe de Saint Valentin”. Charles d’Orléans, die ook over dit onderwerp schreef, maakte zijn werd bekend aan het Franse hof.

 

Balade amoureuse IV

Il a passé des ans sept et demi
Que je vous ai pour ma dame choisie,
Et aujourd’hui derechef vous choisis
Four une fois et pour toute ma vie.
Et sais si bien que de vous me dois mie
Etre choisi comme pour votre per ‘.
Mais s’il vous plaît, belle, bonne et plaisant
Choisissez-moi comme votre servant
Qui loyaument -‘ vous veut servir et plaire.
Et si merci vous requiers trop avant
Pardonnez-moi, besoin me le fait faire.

Besoin me fait quérir votre merci
Mais de l’avoir humblement je vous prie.
Car je sais bien plusieurs y ont failli
Qui mieux que moi l’avaient desservie.
Et non pourtant, belle, quoi que je die ‘
Chaque homme doit son meilleur désirer.
De l’autrui fait n’ai-je rien à parler.
Fors que du mien qui m’est le plus pesant.
Pour ce viens-je devers vous à garant
Car d’autre part ne me veux ni dois taire
Et si je dis trop en moi complaignant
Pardonnez-moi, besoin me le fait faire.

Votre beauté trépasse si parmi
Le cœur de moi, belle, je vous affie,
Qu’il ne lui chaut * ni de moi ni de lui
Fors que de vous, où il a s’étudie.
Tout ce qu’on voit devant mes yeux oublie
Mais nuit et jour lui faut imaginer
De vous servir, obéir et doubter *
Plus que celles toutes qui sont vivant ‘.
Si merci n’ai dont je suis désirant,
Tant le désir que je ne m’en puis taire.
C’est malgré moi que je vous en dis tant ;
Pardonnez-moi, besoin me le fait faire.

 

 
Othon III de Grandson (1340-1350 – 7 augustus 1397)
Cover