Das Gewitter (Nikolaus Lenau)

 

Dolce far niente

 

 
Het onweer bij de Handeck door Alexandre Calame, 1839

 

 

Das Gewitter

Noch immer lag ein tiefes Schweigen
Rings auf den Höhn; doch plötzlich fuhr
Der Wind nun auf zum wilden Reigen,
Die sausende Gewitterspur.

Am Himmel eilt mit dumpfem Klange
Herauf der finstre Wolkenzug:
So nimmt der Zorn im heißen Drange
Den nächtlichen Gedankenflug.

Der Himmel donnert seinen Hader;
Auf seiner dunklen Stirne glüht
Der Blitz hervor, die Zornesader,
Die Schrecken auf die Erde sprüht.

Der Regen stürzt in lauten Güssen;
Mit Bäumen, die der Sturm zerbrach,
Erbraust der Strom zu meinen Füßen; –
Doch schweigt der Donner allgemach.

Der Sturm lässt seine Flügel sinken,
Der Regen säuselt milde Ruh;
Da sah ich froh ein Hüttlein winken
Und eilte seiner Pforte zu.

 

 
Nikolaus Lenau (13 augustus 1802 – 22 augustus 1850)
Portret door Friedrich Amerling

 

 

Zie voor de schrijvers van de 31e augustus ook mijn blog van 31 augustus 2013.

Éric Zemmour

 

De Franse schrijver en journalist Éric Zemmour werd geboren op 31 augustus 1958 in Montreuil-sous-Bois, vlakbij Parijs. Zie ook alle tags voor Éric Zemmour op dit blog.

Uit  Le Suicide français

“La France est l’homme malade de l’Europe. Les économistes évaluent sa perte de compétitivité. Les essayistes les dissertent sur son déclin. Les diplomates et les soldats se plaignent en silence de son déclassement stratégique. Les psychologues s’alarment de son pessimisme. Les sondeurs mesurent son désespoir. Les belles âmes dénoncent son repli sur soi. Les jeunes diplômes s’exilent. Les étrangers les plus francophiles s’inquiètent de la dégradation de son école, de sa culture, de sa langue, de ses paysages, de sa cuisine même.
La France fait peur; la France se fait peur. La France est de moins en moins aimable; la France ne s’aime plus. La douce France vive a la France amère; malheureux comme Dieu en France?
Les Français ne reconnaissent plus la France. La Liberté est devenu. l’anomie, I ’Egalité, l’égalitarisme, la Fraternité, la guerre de tous contre tons. « Tout a toujours mal marché », disait, fataliste, l’historien jacques Bainville. « (I ‘était mieux avant lui rétorque, nostalgique, l’écho populaire.
Pourtant, rien n’a changé. Le pays est en paix depuis soixante-dix ans; la V“ République fonctionne depuis cinquante ans ; les medias informent, les politiques s’affrontent, les acteurs et les chanteurs distraient, les grandes tables régalent, le petit noir est servi chaud au zinc des bistrots; les jambes (les Parisiennes font tourner les têtes..
La France ressemble à ces immeubles anciens, a la façade intacte, car elle est classée monument historique, mais ou les intérieurs ont été mis sens dessus dessous pour se conformer aux gouts modernes et all souci des promoteurs dc rentabiliser le moindre espace.
De loin, rien n’a changé, la rue a fière allure; mais de près, tout est dévasté : rien n’est plus « dans son jus comme disent Ies spécialistes. Tout est intact; seule l’âme  du lieu s’est envolée. Le président de la République préside, mais i1 n’est plus un mi ; les politiques parlent. mais ils ne sont plus entendus. Les medias ne sont plus écoutés. Les intellectuels, les artistes, les grands patrons, les éditorialistes, les économistes. les magistrats, Ies hauts fonctionnaires, Ies élus sont suspectés. Les mots eux-mêmes sont faisandés: on fait Eglise quand on n’y m plus; on «fait famille quand on divorce ; on « fait France », quand on ne se sent plus français.”

 

 
Éric Zemmour (Montreuil-sous-Bois, 31 augustus 1958)

Charles Reznikoff, Jiři Orten, François Cheng, Libuše Moníková, Gisela von Arnim, Mary Wollstonecraft Shelley, Adam Kuckhoff, Michael Speier

 

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook mijn blog van 30 augustus 2010 en alle tags voor Charles Reznikoff op dit blog.

 

Heart and Clock

Now the sky begins to turn upon its hub—
the sun; each leaf revolves upon its stem;
now the plague of watches and of clocks nicks away
the day—
ten thousand steps
tread upon the dawn;
ten thousand wheels
cross and criss-cross the day
and leave their ruts across its brightness
the clocks
drip
in every room—
our lives are leaking from the places,
and the day’s brightness dwindles into stars.

 

 

Winter Sketches

I
Now that black ground and bushes~
saplings, trees,
each twig and limb-are suddenly white with snow,
and earth becomes brighter than the sky,

that intricate shrub
of nerves, veins, arteries-
myself-uncurls
its knotted leaves
to the shining air.

Upon this wooded hillside,
pied with snow, I hear
only the melting snow
drop from the twigs.

 

II
Subway

In steel clouds
to the sound of thunder
like the ancient gods:
our sky, cement;
the earth, cement;
our trees, steel;
instead of sunshine,
a light that has no twilight,
neither morning nor evening,
only noon.

Coming up the subway stairs, I thought the moon
only another street-light —
a little crooked.

 

 
Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)
De coverfoto is uit 1932/33. In de kinderwagen zijn nichtje Camilla.

Bewaren

Continue reading “Charles Reznikoff, Jiři Orten, François Cheng, Libuše Moníková, Gisela von Arnim, Mary Wollstonecraft Shelley, Adam Kuckhoff, Michael Speier”

Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, John Edward Williams, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn, Lukas Hartmann, Hermann Löns

 

De Nederlandse schrijver en wetenschapper Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Hugo Brandt Cortius op dit blog.

Uit: Vestdijks nieuwe lichaamsdeel (Over De Ziener)

“Al eerder hebben lichaamsdelen een grote rol gespeeld in romans van Simon Vestdijk. En dan bedoel ik niet die menselijke organen die in al zijn boeken hun smeulende functie verrichten. Het menselijk gebit bijvoorbeeld, werd uitputtend behandeld in ‘Ivoren Wachters’, een boek dat geen tandarts ongelezen mag laten. Het mooist is het lichaamsdeel verwerkt in ‘De vijf roeiers’ waarin de menselijke hand het grondmotief is. Niet alleen wemelt het van de handen en handjes, maar ieder van de vijf roeiers wordt precies getypeerd door één vinger. En nu is de beurt dan aan het oog.
In een Noordelijk stadje, waarin we Weulnerdam kunnen herkennen, wordt, zoals we weten, veel gescharreld in portieken, gangetjes en op dijkhellingen. De hoofdpersoon Le Roy, de ziener, heeft een vrijetijdsbesteding gevonden in het begluren van deze vrijpartijen. Hij is dus een voyeur, maar geen gewone. Het is niet duidelijk of hij een lichamelijke bevrediging vindt in zijn kijkpraktijken. Bovendien aanvaardt hij stoïcijns de aframmelingen die hij zo nu en dan van zijn slachtoffers ontvangt, ook al is hij zeker geen masochist. Het meest afwijkende van deze voyeur is wel dat hij in staat is over zichzelf na te denken en er zo toe komt de consequenties uit zijn voyeursschap te trekken. Er zijn nu eenmaal geen Parijse etablissementen in zijn woonplaats zodat hij verzucht ‘in Holland moet je zelf voor die dingen zorgen’. Zo zien we hem dan ook in het eerste hoofdstuk een krankzinnig ingewikkelde intrige op touw zetten, die er toe moet leiden dat een dorpeling die door zijn toedoen in de stad een teleurstelling ondervindt, bij zijn meisje troost zal gaan zoeken. Alles is prachtig voorbereid en Le Roy kan zich de gang van zaken precies voorstellen. Maar zijn fout is dat hij dat ook doet en als ‘ziener’ al bij voorbaat geniet van het op hem af komen van de bedrogene. Le Roy begrijpt dat hij te ver is gegaan en dat de werkelijke uitvoering geen zin meer heeft, de brief die alles op gang moest brengen wordt verscheurd, de expositie is voltooid, en Le Roy begint zijn meester-intrige waaraan de rest van het boek is gewijd.
Hij verspreidt het gerucht dat een ongetrouwde lerares die bij zijn moeder kamers heeft gehuurd een verhouding heeft met een leerling. Dit is niet zo, maar leerling en lerares besluiten, o vreugde van Le Roy, het stadje te tonen hoe verkeerd hun verdenkingen wel zijn en zetten moedig hun ontmoetingen voort. En als het dan tegen het eind van het boek tot een gevoelsuitstorting komt (een magische liefdesvervulling door enkele aanraking, zoals Vestdijk ons dat de laatste tijd meer laat zien) verwondert het geen lezer, die de beuk opmerkte, waarin Le Roy zo goed kon klimmen en die bovendien de omslagtekening niet veronachtzaamde, waar een oog in een boom zit, dan verwondert het geen lezer dat De Ziener van deze scène getuige is.”

 

 

 
Hugo Brandt Corstius (29 augustus 1935– 28 februari 2014)

Bewaren

Continue reading “Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, John Edward Williams, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn, Lukas Hartmann, Hermann Löns”

Edward Carpenter, Herbert Meier, Jacques Kruithof, Djamel Amrani, Valery Larbaud

 

De Engelse dichter, schrijver en activist Edward Carpenter werd geboren op 29 augustus 1844 in Hove, in de buurt van Brighton. Zie ook alle tags voor Edward Carpenter op dit blog en ook mijn blog van 29 augustus 2010

 

All Night Long

All night long in love, in the darkness, passing through your lips, my love—
Breathing the same breath, being folded in the same sleep, losing sense of Me and Thee,
Into empyreal regions, beloved of the gods, united, we ascend together.

Then in the morning on the high hill-side in the sun, looking down upon the spires of the larches and Scotch firs,
Mortal, we tread again the earthy floor.

O Earth, the floor of heaven—
O Sun, shining aloft in the sky so pure—
O children of the sun, ye flowers and streams, and little mortals walking the earth for a time—
And we too gazing for a time, for a time, for a time, into each other’s eyes.

 

April

O APRIL, month of Nymphs and Fauns and Cupids,
Month of the Sungod’s kisses, Earth’s sweet passion,
Of fanciful winds and showers;
Apollo, glorious over hill and dale
Ethereally striding; grasses springing
Rapt to his feet, buds bursting, flowers out-breathing
Their liberated hearts in love to him.

(The little black-cap garrulous on the willow
Perching so prim, the crested chaffinch warbling,
And primrose and celandine, anemone and daisy,
Starring the tender herb which lambs already nibble.)

Month of all-gathering warmth,
Of breathless moments, hotter and hotter growing-
Smiles turned to fire, kisses to fierce earnest-
Of sultry swoons, pauses, and strange suspense
(Clouds and daemonic thunder through the blue vault threateningly rolling):
Then the delirious up-break- the great fountains of the deep, in Sex,
Loosened to pouring failing rushing waters;
Shafts of wild light; and Sky and Earth in one another’s arms
Melted, and all of Heaven spent in streams of love
Towards the Loved one.

 

 
Edward Carpenter (29 augustus 1844 – 28 juni 1929)
Hier met vriend George Merrill (links)

Continue reading “Edward Carpenter, Herbert Meier, Jacques Kruithof, Djamel Amrani, Valery Larbaud”

Friedrich Treitschke

 

De Duits-Oostenrijks dichter, librettist, theaterregisseur, vertaler en entomoloog Friedrich Treitschke werd geboren in Leipzig op 29 augustus 1776. Overeenkomstig de wens van zijn vader begon Treitschke aan een commerciële carrière en werd hij in 1793 voor een verdere opleiding naar Zwitserland gestuurd.. In Zürich sterkte zijn omgang met de predikant en dichter Georg Gessner hem in zijn voorliefde voor poëzie en theater. In 1797 keerde Treitschke terug naar Leipzig, waar hij voor het eerst actief werd als koopman. Na de dood van zijn vader in 1799 wijdde hij zich echter geheel aan het schrijven. Zijn eerste toneelstuk “Das Bauerngut” een voortzetting van een komedie van Christian Leberecht Heyne werd al in veel Duitse theaters gespeeld. In 1802 maakte Treitschke maakte op een reis naar Wenen kennis met Freiherr von Braun, de leider van het Burgtheater (toen K.-K. Hoftheater), en werd hij ingehuurd als theaterregisseur en toneelschrijver. In 1805 trouwde hij met de danseres Magdalena de Caro met wie hij een zoon en twee dochters kreeg. In 1822 werd hij econoom van het Hoftheater. Treitschke schreef een groot aantal toneelstukken, musicals en operateksten, waaronder zijn libretto voor Beethovens Fidelio van bijzonder belang is. Daarnaast heeft hij talrijke werken over muziek en theater in tijdschriften gepubliceerd en in de dagbladpers, publiceerde verschillende poëzie bloemlezingen en twee bundels met eigen gedichten (1817, 1841). Blijvende roem vergaarde Treitschke op entomologisch gebied. Hier maakte hij naam door de zorgvuldige en betrouwbare voltooiing van “De vlinders van Europa” als voortzetting van het onvoltooide werk van zijn overleden vriend Ferdinand Ochsenheimer. Begiftigd met een ongewoon scherpe blik beschreef Treitschke talrijke nieuwe soorten in bijna alle belangrijke groepen, met uitzondering van de exemplaren die reeds door Ochsenheimer behandeld waren.

 

Amor träumend
(Von Guido Berti)

Im wachen Träumen harrt der Göttersohn.
Im Schlafe nicht; er rührt die Augenlieder,
Im Schlummer nicht; es dehnt sich sein Gefieder,
Und unverseh‘n ist er, wie weit, entfloh‘n.

Das Schelmenpaar der Lippen lächelt Hohn.
Sich nahe legt’ er Pfeil und Bogen nieder.
Sein Mädchen neck’ und weck’ ihn höhnend wieder;
Es wär’ ihr Herz des Schützen Ziel und Lohn.

Nie soll die Schönheit gegen Schönheit stehen,
Nie Jugend mit der Jugend Zwietracht wagen,
Vielmehr dem Gott der Liebe sich verbinden.

Durch stille Seufzer, Demut, Opfer, Flehen,
Durch leises Wünschen, Fürchten, Hoffen, Zagen,
Kann Schwäche nur des Starken Gnade finden.

 

 

Stephans-Kirchhof

Viel‘ schlafen hier, viel sind vorangegangen.
Vom Marmor lehren’s halbverlosch‘ne Zeilen,
Dass, die einst oben, jetzt dort unten weilen,
Dass Traum und Schaum der Menschen Tun und Prangen.

Viel wandeln hier, die fest am Ird’schen hangen,
Doch wird der Tod auch diese bald ereilen.
Bald werden All’ das Bett der Eltern teilen;
Die Hülle bricht, die ihren Geist umfangen.

Auch du, o Burg, musst tranken und vergehen;
Schon beugt den Turm des Alters Lastbeschwerde;
Ob Fleisch, ob Stein, das Tote drängt zur Erde.

Nur Christi Tat und Lehre bleiben stehen.
Und hielten Grab und Kerker sie umgeben,
Die Ostern kommt, die sie erweckt zum Leben.

 


Friedrich Treitschke, (29 augustus 1776 – 4 juni 1842)
Lithografie door Josef Kriehuber uit 1830

Frances Bellerby

 

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Eirene Frances Bellerby werd geboren op 29 augustus 1899  als dochter van een Anglo-katholieke pastoor in een arme arbeidersklasse-parochie van Oost-Bristol. In 1915 verloor ze haar enige broer, gedood in actie in de Eerste Wereldoorlog. Ze werd opgeleid aan Mortimer House School, Clifton. Vanaf haar twintigste levensjaar doceerde zij Engels, Latijn, was zij huiswerkbegeleidster en had zij een baan in het Londense kantoor van de Bristol Times en Mirror. In 1929 trouwde zij met John Rotherford Bellerby, een socialistische econoom uit Cambridge. Haar pamflet “Neighbours”uit 1931 en de roman “Shadowy Brick”s uit 1932 verwijzen naar de sociale en educatieve experimenten van het echtpaar. Na een val op de kliffen in Lulworth in 1930 en met terugkerende gezondheidsproblemen bleef Frances Bellerby halfinvalide tot haar dood in 1975. Zij liet zich in 1942 definitief scheiden van haar man en begon toen serieus werk te maken van haar poëzie. Ze vestigden zich in Cornwall en later in Devo en schreef poëzie, korte verhalen, en een andere roman. Tijdens de jaren 1950 ontdekte zij dat zij leed aan borstkanker, maar zij leefde nog eens twintig jaar, echter in een slechte lichamelijke en geestelijke gezondheid. Een van de meest bekende van haar gedichten is ‘Voices’.

 

Voices 

I heard those voices today again »
Voices at women and children, down in that hollow
or blazing light into which swoops the tree-darkened lane
Belore it mounts up into the shadow again.

I tumed the bend – just as always belore
There was no one at all down there in the sunlit hollow.
Only terns in the wall. loxgloves by the hanging door
Of that blind old desolate cottage. And just as before

I noticed the leaping glitter a! light
Where the stream runs under the lane: in that mine-dark archway
Water and stones unseen as though in the gloom of night
Like glittering fish slithers and leaps the light.

I waited long at the bend at the lane.
But heard only the murmuring water under the archway.
Yet l tell you. We been to that place again and again.
And always. in summer weather. those voices are plain.
Down near that broken house. just where the tree’darkened lane
Swoops into the hollow at light before mounting to shadow again.

 

The Old Ones

In the May evening
Flowing with golden light,
Out went the old woman
To meditate;
Pottered through the orchard,
Her cat at her side –
So old the two of them,
Time they died.
But when they sat them down on the bench
Under an apple tree,
‘Here we are,’ said the old woman,
‘Where we belong to be.’
Blossom floated from the branches,
Light as snowflakes touched those two friends,
Coarsened fur and faded hair
And bent transparent hands.
So they sat, the two of them,
In some content…

The violent bats swerved to and fro,
The brightness went,
Leaving the sky as any shell
Delicate and pure;
Soundless flitted past the moths
Through the dim blossomy air.
Yet still, still, those old ones –
As if the sun still shone –
Sat there, never noticing
Another day had gone. ‘
Here we are,’ said the old woman,
‘Under the apple tree
On this sweet May evening,
Where we belong to be.’

 

 
Frances Bellerby (29 augustus 1899 – 30 juli 1975)

 

Bewaren