Marcel Proust, Erik Jan Harmens, Salvador Espriu, Hermann Burger, Gerhard L. Durlacher, Jürgen Becker, Alice Munro, Nicolás Guillén

De Franse schrijver Marcel Proust werd geboren in Auteuil op 10 juli 1871. Zie ook mijn blog van 10 juli 2010 en eveneens alle tags voor Marcel Proust op dit blog.

Uit: Op zoek naar de verloren tijd, De kant van Swann (Vertaald door Nico Lijsen)

“Heel lang ben ik vroeg naar bed gegaan. Soms, als de kaars nauwelijks gedoofd was, vielen mijn ogen zo snel dicht dat ik geen tijd meer had om te denken: ‘Nu val ik in slaap.’ En een half uur later werd ik wakker door de gedachte dat het tijd was de slaap te zoeken; ik wilde het boek wegleggen dat ik nog in mijn handen meende te hebben en het licht uitblazen; in mijn slaap was ik blijven nadenken over wat ik zojuist gelezen had, maar die overdenkingen waren langs ietwat vreemde paden gegaan; ik had de indruk dat ik het zelf was waarover het boek ging: een kerk, een strijkkwartet, de rivaliteit tussen Frans de Eerste en Karel de Vijfde.
(…)

Maar sinds kort begin ik, als ik mijn oor te luisteren leg, heel goed het snikken te horen, dat ik voor mijn vader met moeite wist te onderdrukken en dat pas uitbrak toen ik met mijn moeder alleen was. In werkelijkheid is het nooit opgehouden; en alleen doordat het leven om me heen nu stiller wordt, hoor ik het opnieuw, zoals de klokken van een klooster, die de hele dag door de geluiden van de stad zozeer overstemd worden dat men denkt dat ze zwijgen, maar die in de stilte van de avond weer beginnen te luiden.
(…)

De gewenning! Zij is een handige, maar langzame binnenhuisarchitecte die onze geest eerst wekenlang in een provisorische omgeving laat kwijnen, maar waar men toch gelukkig mee is want zonder haar en alleen uit eigen kracht zou je niet in staat zijn een huis bewoonbaar te maken.”

 
Marcel Proust (10 juli 1871 – 18 november 1922)

Continue reading “Marcel Proust, Erik Jan Harmens, Salvador Espriu, Hermann Burger, Gerhard L. Durlacher, Jürgen Becker, Alice Munro, Nicolás Guillén”

J.C. Noordstar

 

De Nederlands dichter en rechtsgeleerde J.C. Noordstar (pseudoniem van Arnold Jan Pieter Tammes) werd geboren in Groningen op 10 juli 1907 als zoon van de in die tijd bekende Cacao-fabrikant B.G. Tammes. Hij had drie broers en twee zusters, waaronder Jantina Tammes. Hij ging rechten studeren aan de RuG en werd lid van het Groninger Studenten Corps Vindicat atque Polit. Tijdens zijn studententijd woonde hij bij zijn ouders en publiceerde hij als J.C. Noordstar gedichten in het studentenweekblad van de Groninger Universiteit ‘Der clercke cronike’ (1929) en in de ‘Groninger Studenten Almanak’ (1931). J.C. Noordstar publiceerde voorts gedichten in ‘De Vrije Bladen’ (1931-1935) en in ‘Forum’ (1930). Tammes was bevriend met de dichter N.E.M. Pareau (pseudoniem van Herman Jan Scheltema). Begin jaren dertig hadden ze samen in Groningen een uitgeverijtje: Eben Haëzer. Tammes en Scheltema kwamen in hun studententijd vaak bijeen in de bodega Dik in de Guldenstraat in Groningen, met onder andere Johan van der Woude en E. Elias.Tammes stond in nauw contact met de Groningse schildersvereniging De Ploeg en publiceerde samen met Halbo C. Kool, N.E.M. Pareau en Herman Poort pamfletten, gedrukt door Hendrik Werkman. Werkman verzorgde onder andere de typografie voor zijn debuut De Zwanen (1930). Voorts was Tammes medewerker aan De Vrije Bladen (1931). Vermoedelijk publiceerde hij in de oorlogsjaren onder het pseudoniem W. Noordstar. Pas na de herdruk in 1967 van Zwanen en andere gedichten werd Noordstar bekend. Deze (uitgebreide) herdruk werd verzorgd door Rudolf Escher, componist en vriend van Noordstar. J.C. Noordstar wordt wel beschouwd als een voorloper van de Vijftigers. Noordstar was tevens hoogleraar Volkenrecht en Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam.

 

Toen ik een kleine jongen was

Toen ik een kleine jongen was
ging ik ’s avonds liggen tussen de koude lakens.
Mijn bed was groot en wijd als de wereldzee,
daar lag ik lekker als een opgerolde slak.
Maar later werd mijn lichaam groter en harder,
en wanneer ik nu mijn benen strek
dan slaat mijn hoofd tegen de planken.
O, ja wanneer je groter wordt
stoot je je hoofd tegen de beddeplank.

 

 

Laat geluk

Het kwam door d’avond en hield bij ’t raam.
Daar haalt geen nachtegaal bij onder ’t schallen
der volle borst, als blij de klinkers vallen,
kristallen nachts; haar stokte ’t hart en d’aam.

O, ’t moordend uitzien naar wie niet wil plukken
Uw bloem, die – ’t is u beloofd – geen rimpel treft,
aleer de zoete rover u verheft:
een zee die opgaat, neev’lend van verrukking.

Nu glijdt ook alles van u en sluit gij ’t oog
wilt in de poelen van uw keus verzwelgen.
’t Is ’t uur der scheiding, voorzichtig ’t raam omhoog,

want moeder sluimert licht. In broosheid slaat
uw ronde steel de wind van gekruide velden:
de roller kwijnt, ’t was wis een and’re straat…

 

 
J.C. Noordstar (10 juli 1907 – 21 augustus 1987)
Portret door Jan Wiegers