Roberto Bolaño, Harper Lee, Karl Kraus, Nezahualcóyotl, Ğabdulla Tuqay

De Chileense dichter en schrijver Roberto Bolaño werd geboren op 28 april 1953 in Santiago de Chile. Zie ook alle tags voor Roberto Bolaño op dit blog.

Uit: 2666 (Vertaald door Natasha Wimmer)

“Reading these two novels only reinforced the opinion he’d already formed of Archimboldi. In 1983, at the age of twenty-two, he undertook the task of translating D’Arsonval. No one asked him to do it. At the time, there was no French publishing house interested in publishing the German author with the funny name. Essentially Pelletier set out to translate the book because he liked it, and because he enjoyed the work, although it also occurred to him that he could submit the translation, prefaced with a study of the Archimboldian oeuvre, as his thesis, and — why not? — as the foundation of his future dissertation.
He completed the final draft of the translation in 1984, and a Paris publishing house, after some inconclusive and contradictory readings, accepted it and published Archimboldi. Though the novel seemed destined from the start not to sell more than a thousand copies, the first printing of three thousand was exhausted after a couple of contradictory, positive, even effusive reviews, opening the door for second, third, and fourth printings.
By then Pelletier had read fifteen books by the German writer, translated two others, and was regarded almost universally as the preeminent authority on Benno von Archimboldi across the length and breadth of France.
Then Pelletier could think back on the day when he first read Archimboldi, and he saw himself, young and poor, living in a chambre de bonne, sharing the sink where he washed his face and brushed his teeth with fifteen other people who lived in the same dark garret, shitting in a horrible and notably unhygienic bathroom that was more like a latrine or cesspit, also shared with the fifteen residents of the garret, some of whom had already returned to the provinces, their respective university degrees in hand, or had moved to slightly more comfortable places in Paris itself, or were still there — just a few of them — vegetating or slowly dying of revulsion.”

 
Roberto Bolaño (28 april 1953 – 15 juli 2003)

Doorgaan met het lezen van “Roberto Bolaño, Harper Lee, Karl Kraus, Nezahualcóyotl, Ğabdulla Tuqay”

Joop Waasdorp

De Nederlandse schrijver en journalist Joop Waasdorp (pseudoniem: Frans Hals) werd geboren in Amsterdam op 28 april 1917. Na drie jaar hbs en diverse baantjes, was hij als journalist werkzaam bij Associated Press. Van 1956 tot 1963 leefde hij als emigrant in Australië, keerde daarna terug naar Nederland en pakte zijn beroep als freelance journalist weer op. Na een aantal publicaties over zijn Australische herinneringen in Podium debuteerde hij in 1965 met zijn eerste bundel “Het naakte leven”. Onmiddellijk werd zijn talent voor vertellen herkend. C. Buddingh noemde hem `de Nescio van de have-nots , en hij werd vergeleken met Elsschot. In 1970 volgde “Welkom in zee!”, Andere titels zijn “Krabben en andere verhalen” (1976), “Het kerstfeest der vissers”, “De opstapper” (1988) en “De verhalen” (1989). Waasdorp werkte ook als vertaler van boeken van George Orwell.

Uit: Het naakte leven

“Vanmiddag liet zich vlak vóór mij een vrouw met puntborsten op haar matje neer. Maar omdat iedereen hier op dit eiland naakt loopt denk je daar niets bijzonders bij. Zij was vergezeld van een oudere man met een droevig gezicht onder een strohoed. Allebei droegen zij dure ringen. De vrouw probeerde een praatje te maken met een dikke man die niet ver van ons op zijn buik lag.
Dit pogen verongelukte echter omdat de dikkerd een Duits sprekende Zwitser bleek en de dame een Frans sprekende Belgische. Wel was zij vlijtig Duits aan het leren, zei ze, wat ik onzin vond. Zij had een scherpe mond en een strakke, opgehaalde gezichtshuid en bij het weggaan zette zij heel voorzichtig een peervormige hoed op, een ding uit een suikerwinkel. Ik had zo’n idee, dat die vrouw je geen snee brood voor niks zou geven.
Omdat het zachtjes begon te regenen trok ik mij met de dikke Zwitser onder een grote overhangende steen terug. Iets dat ik niet verstond vond hij een schande, waarna hij zich voorstelde en mij de hand schudde. Verder sloegen wij een opvallend bruine man en vrouw gade, die Indiaanse banden om het hoofd droegen. Het zijn natuurlijk geen Indianen, maar goed gebouwde Fransen, die s avonds in een van de hotelletjes bedienen.
Toen ben ik ook maar weggegaan, om op de stoffige, steile havenweg een uitgezakte Engelsman te ontmoeten. Hij heeft waterige ogen en mompelt de gruwelijkste dingen over het huwelijk. Voorts heb ik een op het strand gevonden, onder het vuil vrolijk gestreepte handdoek uitgewassen. Ik kon mij met mijn eigen oud vod niet meer in de openbare wasplaats vertonen. Want al loopt men hier naakt, de mensen zijn toch keurig netjes.
Vanmorgen zag ik twee eigenaardige voorwerpen in zee drijven. Omdat ik iets van een strandjutter in mij heb bleef ik zitten totdat die dingetjes aan land zouden spoelen.”

 
Joop Waasdorp (28 april 1917 – 3 september 1988)

Zia Haider Rahman

Onafhankelijk van geboortedata

De Britse schrijver Zia Haider Rahman werd in 1969 geboren op het platteland van Bangladesh in de regio Sylhet. Volgens hem zelf is zijn moedertaal Sylheti en niet het Bengaals, hoewel hij dat laatste wel verstaat. Hij verhuisde als baby naar Londen na de oorlog tussen Pakistan en Bangladesh in 1971. Zijn familie leefde als krakers in een vervallen gebouw voordat zij verhuisden naar een huis van de gemeente. Zijn vader werkte als bus conducteur en ober en zijn moeder was naaister. Rahman bezocht een scholengemeenschap. In een interview merkte hij op dat hij ‘opgroeide in armoede, in een van de naarste omstandigheden in een ontwikkelde economie. “Rahman behaalde een eerste klas graad aan Balliol College, Oxford, en studeerde verder aan het Maximilianeum en aan universiteiten in München, Cambridge en Yale. Hij werkte als investment-banker bij Goldman Sachs in New York voordat hij aan de slag ging als bedrijfsjurist en daarna als advocaat op het gebied van internationale mensenrechten en corruptie. Hij heeft ook gewerkt als anti-corruptie activist voor Transparency International. Zijn debuutroman “In het licht van wat we weten” werd uitgebracht in het voorjaar van 2014 Het boek werd door de critici goed ontvangen en vertaald in verschillende talen, waaronder Nederlands, Hebreeuws, Spaans, Frans, Duits, Bengali, en Portugees.

Uit:In the Light of What We Know

“In the early hours of one September morning in 2008, there appeared on the doorstep of our home in South Kensington a brown-skinned man, haggard and gaunt, the ridges of his cheekbones set above an unkempt beard. He was in his late forties or early fifties, I thought, and stood at six foot or so, about an inch shorter than me. He wore a Berghaus jacket whose Velcro straps hung about unclasped and whose sleeves stopped short of his wrists, revealing a strip of paler skin above his right hand where he might once have worn a watch. His weathered hiking boots were fastened with unmatching laces, and from the bulging pockets of his cargo pants the edges of unidentifiable objects peeked out. He wore a small backpack, and a canvas duffel bag rested on one end against the doorway.
The man appeared to be in a state of some agitation, speaking, as he was, not incoherently but with a strident earnestness and evidently without regard for introductions, as if he were resuming a broken conversation. Moments passed without my interruption as I struggled to place something in his aspect that seemed familiar, but what seized me suddenly was a German name I had not heard in nearly two decades.
At the time, the details of those moments did not impress themselves individually upon my consciousness; only later, when I started to put things down on paper, did they give themselves up to the effort of recollection. My professional life has been spent in finance, a business concerned with fine points, such as the small movement in exchange rates on which the fate of millions of dollars or pounds or yen could hang. But I think it is fair to say that whatever professional success I have had – whatever professional success I had – owes less to an eye for detail, which is common enough in the financial sector, than it does to a grasp of the broad picture in which wide patterns emerge and altogether new business opportunities become visible. Yet in taking on the task of reporting my conversations with Zafar, of collating and presenting all the material he provided, including volumes of rich and extensive notebooks, and of following up with my own research where necessary, it is the matter of representing details that has most occupied me; the details, to be precise, of his story, which is – to risk putting it in such dramatic terms as Zafar would deprecate – the story of the breaking of nations, war in the twenty-first century, marriage into the English aristocracy and the mathematics of love.”

 
Zia Haider Rahman (Sylhet, 1969)

Gerhard Henschel

De Duitse schrijver en vertaler Gerhard Henschel werd geboren op 28 april 1962 in Hannover. Henschel groeide op in Hanover, Koblenz, Vallendar en Meppen. Hij studeerde Duits, sociologie en filosofie in Bielefeld, Berlijn en Keulen. Zijn eerste teksten verschenen in de late jaren tachtig in het tijdschrift Der Alltag en vervolgens in de satirische tijdschriften Kowalski und Titanic, Merkur, konkret en in tal van dag- en weekbladen. Van 1993 tot 1995 behoorde hij tot de redactie vanTitanic. Sinds 1992 publiceerde Henschel romans, verhalen en culturele en historische non-fictie, maar ook satires, polemieken en grotesken. Verscheidene van zijn boeken schreef hij samen met auteurs, die kan worden gerekend tot de Neue Frankfurter Schule of daar losjes mee verbonden zijn. In 1999, begon Henschel samen met Rayk Wieland in Hamburg met de voorstellingenreeks “Toter Salon”. In 2002 verscheen Henschels briefroman “Die Liebenden“ ,waarin hij aan de hand van schriftelijke documenten uit de nalatenschap het levensverhaal van zijn ouders vertelt. Alleen de namen zijn veranderd. In zijn 2004 „Kindheitsroman“ beschrijft Henschel het leven van deze familie vanuit het perspectief van de zoon Martin. In 2009 , 2010 en verschenen de voortzettingen „Jugendroman“, „Liebesroman“ en “Abenteuerroman”. Van een andere soort zijn de satirische romans „Der Barbier von Bebra“ (1996) en „Der Müllah von Bullerbü“ (2000), die Henschel samen met Wiglaf Droste schreef. Daarin laten de auteurs publieke figuren optreden in belachelijke situaties. In 1996 leidde dit tot een oproep tot boycot van het Duitse parlementslid Vera Lengsfeld van Bündnis 90 / Die Grünen. Haar oproep leidde tot een lange discussie over de grenzen van de satire en de vrijheid van de pers. In 2005 verscheen de roman „Der dreizehnte Beatle“. Een Beatles-fan maakt daarin een reis door de tijd om de eerste ontmoeting tussen John Lennon en Yoko Ono te voorkomen. Op Ideeën van Eckhard Henscheid baseren de non-fictie „Kulturgeschichte der Mißverständnisse“ und „Jahrhundert der Obszönität“ waaraan Henschel heeft deelgenomen als schrijver. De bloemlezing “Menetekel” (2010), bevat essays over verschillende verschijningsvormen van een cultuurpessimistische kijk op de wereld. In pamfletten zoals Menschlich viel Fieses“ (1992), „Das Blöken der Lämmer“ (1994) en „Gossenreport“ (2006) gaat Henschel in op politieke kitsch en de macht van de Bild-Zeitung, die hij als ernstig” cultureel probleem” beschrijft. Een satirisch artikel dat Henschel in een krant schreef over dit onderwerp leidde zelfs tot een aanklacht van de Bild-Zeitung. Samen met Kathrin Passig heeft Henschel verscheidene boeken vertaald uit het Engels, met inbegrip het eerste deel van de autobiografie van Bob Dylan (“Chronicles. Volume One”),

Uit: Kindheitsroman

“Licht ausmachen, Handflächen neben die Augen legen und durchs Fenster schräg nach oben kucken, in den fallenden Schnee: Dann hatte man das Gefühl, man würde fliegen, zwischen den Schneeflocken durch.
Das hatte Renate mir beigebracht.
Ich und du, Müllers Kuh.
Renate hatte vorne einen braunen Leberfleck am Hals. Daran war sie immer zu erkennen.
Da war ein Weg, wo Mama sich mit anderen Müttern unterhielt, die auch alle Kinderkarren dabeihatten. Die Sonne schien, und über eine Mauer hingen Zweige runter mit roten Beeren.
Ich hatte Krümel aus dem Graubrot im Netz gepult. Wegen dem Loch im Brot kriegte ich zuhause keine Bombongs.
Komm, Herr Jesus, sei unser Gast, und segne, was du uns be- scheret hast.
Meins war das Lätzchen mit den Marienkäfern. Ein Löffel für Oma, ein Löffel für Opa, bis unten im Teller die schwarzen körnerpickenden Hühner auftauchten. Mein Löffelstiel war zur Seite gebogen.
Ein Löffel für Martin. Das war ich selbst. Martin Schlosser.
»Nicht träumen!«
Nach dem Essen leckte Mama einen Lätzchenzipfel an und wischte mir damit den Mund ab.
Bim, bam, beier, die Katz mag keine Eier.
Volker hatte Murmeln mit farbigen verdrehten Schlieren innendrin.
Wenn Papa gute Laune hatte, ließ er mich kopfüber an der Decke langspazieren oder kitzelte mich durch: »Prr-prr-prr-prr-prr!«
Papa roch nach Pfeife, und ihm wuchsen graue Haare aus der Nase.
Auf Papas Knien: So fahren die Damen, so fahren die Damen – so reiten die Herren, so reiten die Herren – und so reitet der Bauersmann, der nicht besser reiten kann. Da fiel ich immer fast runter.
Leute, die uns besuchten, kriegten vom Wohnzimmer aus die
Festung Ehrenbreitstein gezeigt und die Striche an der Kinderzimmertür: wie groß ich wann gewesen war.
Die Jalousie war grün.
Bei der roten Autokiste im Kinderzimmer war das Lenkrad ab.“

 
Gerhard Henschel (Hannover, 28 april 1962)

Wim Hazeu

De Nederlands schrijver, journalist, radio- en televisieprogrammamaker, uitgever, dichter en biograaf Wim Hazeu werd geboren in Delft op 28 april 1940. Hij volgde zijn middelbare schoolopleiding aan het Christelijk Lyceum Delft en studeerde Nederlands aan de School voor Taal- en Letterkunde te Den Haag. Tijdens zijn studie richtte hij in 1959 het literaire tijdschrift Kentering op en bleef redacteur van dat blad tot de opheffing in 1977. Ook was hij onder meer letterkundig medewerker van de Delftsche Courant en de Haagsche Courant. Van 1965 tot 1971 was hij werkzaam bij de NCRV in de functie van chef literaire radioprogramma’s, hoorspel- en jeugdprogramma’s. In april 1966 lanceerde hij de rubriek Literama, een veertiendaagse radiokrant over boeken en schrijvers. Drie jaar later zette hij het late-avond-kunstprogramma Voorrang op met als vaste medewerkers onder anderen Hans Andreus, Hugo Brandt Corstius en J.W. Holsbergen. Hazeu maakte ook radiodocumentaires over Oost-Europa (Tsjecho-Slowakije, Hongarije en Roemenië). In 1972 stapte hij over naar de televisie en werd hoofd van de afdeling drama, kunst en jeugdprogramma’s. Hazeu debuteerde als dichter in 1963 met de poëziebundel “Achterebbe”, in 1966 gevolgd door “Dankdag voor het gewas”. Hazeu’s poëzie is geëngageerd en ontleent veel van de thematiek aan de natuur. In “Blikschade” (1975) spelen ook autobiografische feiten een rol. Engagement en autobiografie zijn ook kenmerkend voor Hazeu’s romans: “De helm van aarde” (1970) over de Praagse Lente, “Duitse honden bijten” (1972) over het Duitsland van na WO II en “Een duif boven Parijs” (1978) over Bretons nationalisme en de Nederlandse houding tijdens WO I. Naast verscheidene romans en dichtbundels publiceerde hij omvangrijke biografieën van Marten Toonder, Gerrit Achterberg, J. Slauerhoff, M.C. Escher en Simon Vestdijk. Ook bezorgde hij de briefwisseling tussen laatstgenoemde en Henriëtte van Eyk onder de titel Wij zijn van elkaar (2007).

Uit: Simon Vestdijk en E. du Perron

“Volgens eigen zeggen en schrijven had Vestdijk maar twee vrienden: de componist Willem Pijper en de schrijver E. du Perron; indachtig wellicht de woorden van Greshoff dat vele vrienden de vriendschap dun maken. Aan de vriendschap kwam een eind door de vroege dood van beide vrienden. Vestdijk was al voor zijn vijftigste verjaardag verweesd, van ouders en vrienden. Behoefte aan nieuwe vrienden had hij niet, al kunnen zijn relaties met Henriëtte van Eyk (van liefde tot vriendschap) en met Herman Mulder (neef en componist, van vriendschap tot collegialiteit) wel gerekend worden tot die van een langdurig vriendschappelijk contact. Dat gold minder voor schrijvers en dichters als Roland Holst en Theun de Vries, met wie hij meer bij vlagen contact had. Na de oorlog schreef Vestdijk zijn romans, essays en boeken over muziek en componisten voortaan zonder het klankbord van zijn twee vrienden.
Maar wat is vriendschap? Een eigenschap van een vriend is een gewillig oor. Du Perron en Vestdijk leenden elkaar een gewillig oor. Men had respect voor elkaar, Vestdijk voor Du Perrons ongekende werkkracht, concentratievermogen en belezenheid, Du Perron voor Vestdijks originaliteit en veelzijdigheid. Waar kwam je in Nederland nog een schrijver tegen die vanuit het niets een dwingende belangstelling kon opwekken voor het werk van de tot dan toe onbekende Emily Dickinson; of een schrijver die in korte tijd, tien maanden wel te verstaan, een roman als Kind tusschen vier vrouwen kon schrijven, terwijl Du Perron langer worstelde met zijn autobiografie Het land van herkomst. Vestdijks ijver, veelzijdigheid en literaire intuïtie brachten Du Perron ertoe om hem al snel als zijn opvolger in de redactie van Forum voor te stellen. Hij genoot van Vestdijks ontdekkingsijdelheid, die zorgde voor het debuut van bijvoorbeeld Leo Vroman, Anton Koolhaas, Adriaan van der Veen en M. Vasalis. Over het laatste debuut schreef Vestdijk aan Greshoff:
‘De verzen lijken me niet ontalentvol; ik koos ze uit een grootere bezending, waar veel nog onrijp bij was.’ Na publicatie berichtte Du Perron aan Ter Braak: ‘De heer Vasalis – mij verder onbekend – vond ik ook heel aardig, zeker even aardig bv. als Van Hattum.’

 
Wim Hazeu (Delft, 28 april 1940)