Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Bleeke levens

“In den vroegen ochtend, met een treintje, dat aansloot aan een van die groote, stormende internationale treinen zouden wij gaan.
Den avond tevoren, na het souper, werd het eenigermate duidelijk in welke verhouding de oude heer en de jonge vrouw tot elkaar stonden, de twee menschen, waarin deze kleine maatschappij het meest belangstelde. Iemand had hun vier schoenen voor een kamerdeur zier staan en den volgenden dag, toen de kamer open stond ter schoonmaak, even naar binnen gekeken. En het was maar één kamer en er was maar één ledikant! Een ander had bij den hôtelhouder geinformeerd en er was nog iemand die hen zeide te kennen en uit hetgeen zij gezamenlijk er van wisten, moest het nu blijken dat de oude heer een ‘vieux farceur’ was en de jonge vrouw zijn maîtres.
Wij, alle logeergasten, hadden de hoofden bij elkaar gestoken en bespraken het geval met een aangename geheimzinnigheid. Nog altijd had de meneer niets in het boek geschreven, maar dat zou nu toch wel moeten, dacht men. En wat hij er dan van maken zou! En zij met haar mooi engelengezichtje en schuchtere manieren! Het was een curieus geval, een verzamelpunt voor de leege nieuwsgierigheid en het wekte alle gedachten, die zulk een verhouding van een ouden verliefden rijkaard en een arm, mooi meisje, dat zich prostitueert, pleegt te wekken bij de menschen, die de wereld meer uit boeken, dan uit eigen aanzien kennen.
Den volgenden ochtend, toen wij vroeg beneden kwamen in de nog druilige gang en doffe eetzaal, zat het paar daar al te ontbijten. Zij wilden blijkbaar met denzelfden trein als wij afreizen. Er was den vorigen avond niets van bekend geweest onder de andere gasten en het geleek wel iets naar een overhaaste vlucht. Terwijl, in de stille kamer, wij te ontbijten zaten, kwamen onze blikken telkens naar het zonderlinge paar terug. Zij zagen echter nooit naar ons, maar hielden hun oogen voor zich, alsof zij wel wisten, dat zij altijd bekeken werden.
Hij had een lichtbruinen slappen hoed op, te jeugdig voor zijn leeftijd, en was overigens in dezelfde sjofele kleeding der vorige dagen. Zij zat weer met hoed en voile en een vellerig-dun, grijs stofmanteltje omhing haar schouders. Geen woord spraken ze tot elkaar.”

 
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)
Hier in het midden met zijn vader Frans Coenen Sr. (rechts) en een onbekende.

Doorgaan met het lezen van “Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer”

George Oppen

De Amerikaanse dichter George Oppen (eig. George Oppenheimer) werd geboren op 24 april 1908 in New Rochelle, New York. Oppen was een kind van een rijke Joodse familie en groeide op ten noorden van New York City. Zijn moeder stierf toen hij vier jaar oud was. Met zijn stiefmoeder had hij geen goede verstandhouding. Een huishoudelijke hulp bracht hem vaardigheden in het timmeren bij, zodat hij later in zijn leven als timmerman en schrijnwerker in zijn levensonderhoud kon voorzien. In 1917 verhuisde het gezin naar San Francisco, waar Oppen een high school bezocht die georiënteerd was op het leger. Na een ernstig auto-ongeluk dat hij als bestuurder overleefde, was hij getraumatiseerd. Dit betekende dat hij in 1925 van school moest zonder eindexamen. In 1925 begon hij zijn studie aan de Oregon State Agricultural College in Corvallis, nu Oregon State University. Daar ontmoette hij zijn toekomstige vrouw Mary Colby. Het jonge paar overtrad echter de huisregels, Maria werd weggestuurd en hij werd geschorst. In 1927 veranderde hij zijn achternaam van Oppenheimer in Oppen. Het paar trok liftend door de Verenigde Staten, trouwde en leefde van allerlei klussen. Oppen begon zijn eerste gedichten te schrijven die af en toe werden gedrukt in lokale kranten. In 1929 kreeg Oppen een kleine erfenis die een zelfstandig leven mogelijk maakte, eerst in 1930 in Californië en daarna in Frankrijk. In Frankrijk richtte hij en Louis Zukofsky het tijdschrift To Publishers op, waarin werk van Ezra Pound en William Carlos Williams werd gepubliceerd. Gedurende deze tijd publiceerde Oppen zijn eerste dichtbundel “Discrete Series”. De Oppens keerde in 1933 terug naar New York City en richtten met Williams, Zukofsky en Reznikoff de uitgeverij Objectivist Press op. Oppen werd een lid van de Communistische Partij en in 1936 hun campagnleider in Brooklyn. Bij het uitbreken van WO II werd hij vrijgesteld van militaire dienst, maar hij verliet zijn werkgever en meldde zich als vrijwilliger voor het front. Hij raakte gewond tijdens de oorlog en In 1945 werd hem het Purple Heart verleend. Oppen en zijn vrouw ging na de oorlog naar Mexico, omdat ze er zeker van waren dat ze vervolgd zouden worden omwille van hun communistische verleden. In Mexico begonnen de Oppens een klein bedrijf voor de productie van meubels, voortdurend gadegeslagen door de Mexicaanse politie en de FBI. Het paar kon niet naar huis terug te keren, omdat hun paspoorten ongeldig waren. Pas in 1958 waren ze in staat om een ​​aanvraag voor nieuwe paspoorten in te dienen. In 1960 vestigde ze zich in Brooklyn en Oppen begon weer gedichten te schrijven en te publiceren.

And Their Winter and Night in Disguise

The sea and a crescent strip of beach
Show between the service station and a deserted shack

A creek drains thru the beach
Forming a ditch
There is a discarded super-market cart in the ditch  
That beach is the edge of a nation

There is something like shouting along the highway  
A California shouting
On the long fast highway over the California mountains

Point Pedro  
Its distant life

It is impossible the world should be either good or bad  
If its colors are beautiful or if they are not beautiful  
If parts of it taste good or if no parts of it taste good  
It is as remarkable in one case as the other
                                                         As against this

We have suffered fear, we know something of fear  
And of humiliation mounting to horror

The world above the edge of the foxhole belongs to the flying bullets, leaden superbeings
For the men grovelling in the foxhole danger, danger in being drawn to them

These little dumps
The poem is about them

Our hearts are twisted  
In dead men’s pride

Dead men crowd us  
Lean over us

In the emplacements

The skull spins  
Empty of subject

The hollow ego

Flinching from the war’s huge air

Tho we are delivery boys and bartenders  

We will choke on each other

Minds may crack

But not for what is discovered

Unless that everyone knew  
And kept silent

Our minds are split
To seek the danger out

From among the miserable soldiers

 
George Oppen (24 april 1908 – 7 juli 1984)