Een nieuwe dag (Alexis de Roode)

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 

 
Winterlandschap door Salomon van Ruysdael, jaren 1650

 

Een nieuwe dag

Kyrie eleison
Kyrie eleison
deze treurigheid gaat nooit meer weg.

Het is nieuwjaarsdag
en de wereld is wit, wit,
maar met sneeuw heeft het niks te maken,
het is meer een verbleken
nu de seizoenen ongescheiden zijn geworden.

Het is nieuwjaarsdag
en de plannen zijn goed,
maar de wereld is slecht,
we zijn trouwens allemaal klootzakken
(zo mijn vader sprak in vervlogen dagen)

We wagen het erop, jazeker.
Er gaan hier vele dagen om
waarin niets doordringt van de droefheid
die niet beperkt tot mensen is.
Ik wil gaan zoals het oude liedje ging:
naar een hoogmis en geboren worden
in een orgelpijp.
En dan maar stijgen als een dolle.

Maar ik mag niet zomaar weg.
Er loopt een vrouw door mijn huis
op zeer dunne vogelbenen,
een baltsende vogel die op leven wacht,
niet voor mij,
slechts voor het Ware en het Goede,
daarvoor strekt ze zich
en neigt.

Het Goede en het Ware.
Kyrie eleison.

Deze treurigheid gaat nooit meer weg,
nooit meer.

 

 
Alexis de Roode (Hulst, 8 oktober 1970)
De Willibrordus-basiliek in Hulst.

 

Zie voor de schrijvers van de 1e januari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Adonis, Jonas T. Bengtsson, Chantal van Gastel, Juan Gabriel Vásquez, Paul Hamilton Hayne

De Syrische schrijver Adonis (pseudoniem van Ali Ahmad Sa’id) werd geboren op 1 januari 1930 in Qassabin in het noorden van Syrië.

Celebrating Childhood

Even the wind wants
to become a cart
pulled by butterflies.

I remember madness
leaning for the first time
on the mind’s pillow.
I was talking to my body then
and my body was an idea
I wrote in red.

Red is the sun’s most beautiful throne
and all the other colors
worship on red rugs.

Night is another candle.
In every branch, an arm,
a message carried in space
echoed by the body of the wind.

The sun insists on dressing itself in fog
when it meets me:
Am I being scolded by the light?

Oh, my past days—
they used to walk in their sleep
and I used to lean on them.

Love and dreams are two parentheses.
Between them I place my body
and discover the world.

Many times
I saw the air fly with two grass feet
and the road dance with feet made of air.

My wishes are flowers
staining my days.

I was wounded early,
and early I learned
that wounds made me.

I still follow the child
who still walks inside me.

Now he stands at a staircase made of light
searching for a corner to rest in
and to read the face of night again.

If the moon were a house,
my feet would refuse to touch its doorstep.

They are taken by dust
carrying me to the air of seasons.

I walk,
one hand in the air,
the other caressing tresses
that I imagine.

A star is also
a pebble in the field of space.

He alone
who is joined to the horizon
can build new roads.

A moon, an old man,
his seat is night
and light is his walking stick.

What shall I say to the body I abandoned
in the rubble of the house
in which I was born?
No one can narrate my childhood
except those stars that flicker above it
and that leave footprints
on the evening’s path.

My childhood is still
being born in the palms of a light
whose name I do not know
and who names me.

Out of that river he made a mirror
and asked it about his sorrow.
He made rain out of his grief
and imitated the clouds.

Your childhood is a village.
You will never cross its boundaries
no matter how far you go.

His days are lakes,
his memories floating bodies.

You who are descending
from the mountains of the past,
how can you climb them again,
and why?

Time is a door
I cannot open.
My magic is worn,
my chants asleep.

I was born in a village,
small and secretive like a womb.
I never left it.
I love the ocean not the shores.

 

Vertaald door Khaled Mattawa

 
Adonis (Qassabin, 1 januari 1930)

Doorgaan met het lezen van “Adonis, Jonas T. Bengtsson, Chantal van Gastel, Juan Gabriel Vásquez, Paul Hamilton Hayne”

J.D. Salinger, E. M. Forster, Douglas Kennedy, Rascha Peper, Carry van Bruggen

De Amerikaanse schrijver Jerome David Salinger werd in New York geboren op 1 januari 1919. Zie ook alle tags voor J. D. Salinger op dit blog.

Uit:The Catcher in the Rye

“They went mad. They were exactly the same morons that laugh like hyenas in the movies at stuff that isn’t funny. I swear to God, if I were a piano player or an actor or something and all those dopes thought I was terrific, I’d hate it. I wouldn’t even want them to clap for me. People always clap for the wrong things. If I were a piano player, I’d play it in the goddam closet. Anyway, when he was finished, and everybody was clapping their heads off, old Ernie turned around on his stool and gave this very phony, humble bow. Like as if he was a helluva humble guy, besides being a terrific piano player. It was very phony–I mean him being such a big snob and all. In a funny way, though, I felt sort of sorry for him when he was finished. I don’t even think he knows any more when he’s playing right or not. It isn’t all his fault. I partly blame all those dopes that clap their heads off–they’d foul up anybody, if you gave them a chance. Anyway, it made me feel depressed and lousy again, and I damn near got my coat back and went back to the hotel, but it was too early and I didn’t feel much like being all alone.
They finally got me this stinking table, right up against a wall and behind a goddam post, where you couldn’t see anything. It was one of those tiny little tables that if the people at the next table don’t get up to let you by–and they never do, the bastards–you practically have to climb into your chair. I ordered a Scotch and soda, which is my favorite drink, next to frozen Daiquiris. If you were only around six years old, you could get liquor at Ernie’s, the place was so dark and all, and besides, nobody cared how old you were.
You could even be a dope fiend and nobody’d care.
I was surrounded by jerks. I’m not kidding. At this other tiny table, right to my left, practically on top of me, there was this funny-looking guy and this funny-looking girl.
They were around my age, or maybe just a little older. It was funny. You could see they were being careful as hell not to drink up the minimum too fast. I listened to their conversation for a while, because I didn’t have anything else to do. He was telling her about some pro football game he’d seen that afternoon. He gave her every single goddam play in the whole game–I’m not kidding. He was the most boring guy I ever listened to.”

 
J.D. Salinger (1 januari 1919 – 27 januari 2010)

Doorgaan met het lezen van “J.D. Salinger, E. M. Forster, Douglas Kennedy, Rascha Peper, Carry van Bruggen”

Ernest van der Kwast

De Nederlandse schrijver Ernest van der Kwast werd geboren in Bombay, India, op 1 januari 1981. Van der Kwast debuteerde in 2005 met de roman “Soms zijn dingen mooier als er mensen klappen”. Van der Kwast was ook verantwoordelijk voor de verhalenbundel “Man zoekt vrouw om hem gelukkig te maken” (2003), die hij onder het pseudoniem Yusef el Halal publiceerde met een groep collega-schrijvers (waaronder Steven Verhelst, Ronald Giphart, Ingmar Heytze en Jacob van Duijn). Zijn tweede volledige roman (“Stand-in”, 2007) verscheen eveneens onder een pseudoniem, Sieger Sloot – een bestaande acteur. Deze roman is opzettelijk geschreven in de stijl van Arnon Grunberg in de hoop hiermee de indruk te wekken dat het om een nieuw pseudoniem van deze auteur ging. De hoofdpersoon is handelaar in modeartikelen voor grote maten. De doorbraak naar het grote publiek kreeg hij in 2010 met zijn roman “Mama Tandoori”. Van der Kwast was enige tijd hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Passionate en organiseert de literaire evenementen Nur Literatur en Gooi een tomaat naar een schrijver en een roos naar de zangeres. Daarnaast presenteert hij elke maand De Unie Late Night in Rotterdam. Hij woont en werkt beurtelings in Nederland en Italië. In het najaar van 2010 was Van der Kwast met de roman Mama Tandoori genomineerd voor de NS publieksprijs. Van der Kwast schreef van februari 2011 tot en met juni 2012 satirische columns voor de website van NRC Handelsblad waarin hij zogenaamd een kopje espresso dronk met personen uit het nieuws, zoals leider Moammar Gaddafi, politicus Geert Wilders en koningin Beatrix. In mei 2012 verscheen zijn vijfde boek “Giovanna’s navel”, bestaande uit een novelle en vier korte verhalen.

Uit:Giovanna’s navel

“Het was zijn laatste lente. De warmste die de mensen zich konden herinneren. Heinrich Kienzl vond ook geen mooiere lente in zijn geheugen. Meer dan zeventig jaar kon hij teruggaan. Witte bloesem en een wandeling met zijn ouders. Hij vloog als een engel tussen hen in. Klein en licht en vrolijk.
Nu was het begin april en dertig graden. Er schoten zwaluwen door de lucht. Heinrich Kienzl was de warmte ontvlucht en had de kabelbaan naar Jenesien genomen. Het bergstation lag op duizend meter hoogte. Tijdens de vaart had hij naar de weilanden onder hem gekeken. Het grastapijt dat al overal groen was, paardenbloemen die in grote vlekken uitwaaierden. Later zouden de andere kleuren komen. Paars van klaver, blauw van gentiaan, wit van duizendblad. Heinrich Kienzl had veertig jaar lang over de weiden van Jenesien gezweefd. Hij was conducteur van de kabelbaan geweest. Het was rustig werk. Hij moest de kaartjes controleren en bediende de knoppen in de cabine. Het overgrote deel van de tijd keek hij naar buiten. Hij zag de kastanjes groeien, het land dat door de boeren werd bewerkt. Reeën die ’s ochtends vroeg terug het bos in vluchtten, de laatste vlinders van het jaar.
De werknemers van Seilbahn Jenesien kenden hem niet. Ze waren jong, begin dertig. De conducteur die zijn kaartje had gecontroleerd las een stripboek op een kruk. De kruk was er vroeger niet geweest. Verder was er niets veranderd in de cabine. Dezelfde knoppen, dezelfde zwarte telefoon die in verbinding stond met het bergstation. Ook het maximaal aantal passagiers was onveranderd. Twintig plus één. De conducteur.
Heinrich Kienzl was als twintigjarige jongen begonnen bij de kabelbaan en had als langzame man afscheid genomen. Tussen zijn eerste en zijn laatste werkdag hing een leven in de lucht. Geen groot avontuur, niet de droom van jongens die de wolken willen aanraken. Slechts enkele meters boven de grond, net iets hoger dan hij ooit tussen zijn ouders in had gevlogen. Negen minuten deed de kabelbaan erover om van het dalstation in Bozen naar het bergstation in Jenesien te zweven. Het hoogteverschil bedroeg 741 meter, de kabel was bijna tweeënhalve kilometer lang en hing aan zeven staalbetonnen pijlers. Het was iets wat hij in zijn laatste jaar als conducteur had gedaan: uitrekenen hoeveel tijd van zijn leven hij had gezweefd. Maar Heinrich Kienzl viel elke nacht midden in een vermenigvuldiging in slaap. Niemand had meer uren in de kabelbaan doorgebracht, niemand had meer gezien.”

 
Ernest van der Kwast (Bombay, 1 januari 1981)