Hans van Willigenburg, Sky Gilbert, Friederike Mayröcker, Sandra Cisneros

 

De Nederlandse dichter, schrijver en journalist Hans van Willigenburg werd geboren in Utrecht op 20 december 1963. Zie ook alle tags voor Hans van Willigenburg op dit blog.

 

Kantoorklimaat

Het weg boksen van vragen
is mijn voornaamste bezigheid.

Men kan mij uitgeput aantreffen
luid lachend tijdens een bedrijfslunch.

Soms ben ik duizelend door al dat boksen
en laat mijn dekking zakken.

Dat is het moment waarop een rotvraag
mij recht in mijn smoel treft en ik wankel tussen de bureaus.

Al snel zeggen de intimi
dat ik weer rechtop moet gaan lopen.

Ik geef ze gelijk,
maar zie op tegen een nieuwe ronde boksen.

Als ik eenmaal op bed lig praten de intimi op mij in
terwijl ik innerlijke tranen van geluk pleng omdat ik voel

hoe mijn armspieren vergeten een vuist te ballen.

 

 

Gedicht met ernstig politieke afloop

Zeg me niet afscheid te moeten nemen van klinkende volzinnen.
In mij drommen stampen de legers samen om ze te schrijven.
Zij willen van de punt erachter een galmend kanonschot maken.
Van de weg ernaartoe een glorieuze veldslag.
En het zal je niet verbazen: ikzelf wil dat ook.
Dat er slachtoffers gaan vallen, zwakkeren zullen creperen?
Klopt!
Waar volzinnen geschreven worden, vloeit nou eenmaal bloed.
Het bloed, je raadt het al, dat zo onmisbaar is om ze te schrijven.
En dat gierend gaat kolken als je een geslaagde volzin leest.
O, lees! Blijf ze lezen!
O, schrijf! Blijf ze schrijven!
Hoe ver weg is een regering die volzinnen verbiedt?

 

 
Hans van Willigenburg (Utrecht, 20 december 1963)

Continue reading “Hans van Willigenburg, Sky Gilbert, Friederike Mayröcker, Sandra Cisneros”

Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg, Aziz Nesin, Hortense Calisher, Jürg Laederach, Peter May

 

De Zwitserse schrijver en filosoof Alain de Botton werd geboren in Zürich op 20 december 1969. Zie ook alle tags voor Alain de Botton op dit blog.

Uit: Het nieuws (Vertaald door Harry Pallemans)

“1.
Er zit geen handleiding bij, want het zou de gewoonste, gemakkelijkste, natuurlijkste, meest alledaagse activiteit ter wereld moeten zijn, zoals ademen of met je ogen knipperen.
Na een tussentijd, meestal niet langer dan een nacht (en vaak veel korter; in een erg rusteloze stemming halen we misschien tien minuten of een kwartier), onderbreken we wat we doen om te kijken of er nieuws is. We zetten ons leven in de wacht om de volgende dosis essentiele informatie te ontvangen over alle belangrijke prestaties, rampen, misdaden, epidemieen en romantische verwikkelingen die de mensheid waar ook op aarde ten deel zijn gevallen sinds de vorige keer dat we even keken.
Wat hier volgt is een poging om deze vertrouwde, wereldwijde gewoonte een stuk vreemder en aanzienlijk riskanter te laten lijken dan momenteel het geval is.

2.
Het nieuws stelt zich ten doel ons voor te schotelen wat als de ongebruikelijkste en belangrijkste gebeurtenissen op de planeet worden gezien: een sneeuwbui in de tropen; een liefdesbaby van de president; een Siamese tweeling. Maar het mag dan fanatiek op het afwijkende jagen, het enige waar het de blik vooral behendig niet op richt, is zichzelf en de overheersende positie die het in ons leven heeft verworven. ‘Helft mensheid dagelijks in ban van nieuws’ is een kop die we niet gauw geplaatst zullen zien door organisaties die verder juist zo gespitst zijn op het bijzondere en opmerkelijke, het corrupte en het schokkende.”

 

 
Alain de Botton (Zürich, 20 december 1969)

Continue reading “Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg, Aziz Nesin, Hortense Calisher, Jürg Laederach, Peter May”

Ferdinand Avenarius, Gernot Wolfgruber, Vaino Linna, John Fletcher, Mendele Mojcher Sforim

 

De Duitse dichter en activist Ferdinand Avenarius werd geboren in Berlijn op 20 december 1856. Zie ook alle tags voor Ferdinand Avenarius op dit blog.

 

Als noch des Sommers blaue Himmel lachten

Als noch des Sommers blaue Himmel lachten,
Die Rosendüfte durch die Fluren drangen,
In jedem Hauche Blütenknospen sprangen
Und hundert Blicke tausend Wunder brachten,

Als Lieder dann im Herzen froh erwachten
Und mit den Vögeln um die Wette sangen, –
Durchzog sie doch so manches leise Bangen,
Wenn an den Herbst sie, an den Winter dachten.

Heut ging ich einsam auf beschneiten Wegen,
Da sah mir, schelmisch unterm Busch verborgen,
Ein Gänseblümchen aus dem Schnee entgegen,

Und ich empfand – und ohne Zukunftssorgen –
Andächtig wie ein einem Heiligtume
Zum ersten Mal die Schönheit einer Blume.

 

 

Seht ihr sie dort auf den verschneiten Dächern

Seht ihr sie dort auf den verschneiten Dächern,
Die biedern Krähen in den ernsten Fräcken,
Wie sie entrüstet diesen kleinen Gecken,
Den Spatzen drohen, diesen täglich frechern?

Nicht jeder Zeit demütigt Stolz den Schwächern,
Nicht immer glückt’s, durch Großmut Scham zu wecken,
Besonders aber, gibt es was zu schmecken,
So leidet der Gerechte von den Schächern!

Wohl gab Natur zu höchsten Sangesehren
Den Würdgen dort die schönsten Liederkehlen,
Doch frei von Ruhmsucht waren ihre Seelen –

Nun brauchen sie den Sängermund, den hehren,
Wie heut geziemt dem weltgewandten Weisen,
Den Neid zu strafen und das Fleisch zu speisen.

 

 
Ferdinand Avenarius (20 december 1856 – 22 september 1923)

Continue reading “Ferdinand Avenarius, Gernot Wolfgruber, Vaino Linna, John Fletcher, Mendele Mojcher Sforim”

J. van Oudshoorn

 

De Nederlandse schrijver J. van Oudshoorn (pseudoniem van Jan Koos Feylbrief) werd geboren in Den Haag op 20 december 1876. Zijn vader was ambtenaar aan het Algemeen Rijksarchief. Van Oudshoorn volgde de HBS en studeerde aan de Indische Instelling te Delft. Op 1 oktober 1899 werd hij tweede klerk bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, en in februari 1905 werd hij benoemd tot tweede kanselier van de ambassade te Berlijn, waar hij in 1911 directeur-kanselier werd. Hij trouwde op 16 april 1914 met de Berlijnse mannequin Marie Elise Gertrud Teichner. Het huwelijk bleef kinderloos. Van Oudshoorn bemoeide zich weinig met het literaire leven van zijn tijd. Hij correspondeerde alleen met P.C. Boutens, Lodewijk van Deyssel en Frans Coenen, die bij verschillende uitgevers een lans voor Van Oudshoorns proza brak. Zijn enige contact met cultuur was de Berlijnse sociëteit Nederland en Oranje, die hij elke donderdagavond bezocht. Hij las weinig, maar zat ’s avonds te schrijven aan een zich gestadig uitbreidend oeuvre van romans en novellen, die een verre echo lijken van het naturalisme van Marcellus Emants en de Tachtigers, maar waarin ook invloeden van de filosofie van Hegel herkenbaar zijn. Per 1 januari 1933 werd hem in verband met overheidsbezuinigingen eervol ontslag verleend, waarbij hem tot zijn 65ste wachtgeld werd toegekend. Van Oudshoorn keerde terug naar Den Haag. In WO II verrichtte hij werkzaamheden voor het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Na de bevrijding werd zijn functioneren tijdens de oorlog onderzocht, maar hem werd geen straf opgelegd. De romans en verhalen van Van Oudshoorn zijn doortrokken van een pathologische omgevingsangst, soms uitmondend in verdwijning of moord, wat als zelfmoord moet worden geïnterpreteerd, zoals in zijn debuut “Willem Mertens’ levensspiegel” (1914) of in het in 1965 postuum verschenen “Bezwaarlijk verblijf”. Dezelfde sombere levensvisie ligt aan “Louteringen”(1916) ten grondslag, In 1925 verscheen “Tobias en de dood” (1925). In 1950 werd Van Oudshoorn ernstig ziek. Wellicht om die reden vierde men zijn 75ste verjaardag een jaar te vroeg. Een half jaar later overleed hij op 74-jarige leeftijd te Den Haag. De nalatenschap kwam uiteindelijk terecht bij de letterkundige W.A.M. de Moor. Deze verzorgde enkele uitgaven, onder meer van de nagelaten novelle Bezwaarlijk verblijf, en publiceerde in 1982 een tweedelige biografie.

Uit: Willem Mertens’ levensspiegel

“Helene had op zijn briefje niet geantwoord, zich niet in de stad vertoond en was ook ’s nachts niet meer aan zijn venster gekomen. De eerste dagen had hij afleiding gezocht en zich vrij sterk gevoeld. Ook was het weer hem gunstig geweest, zodat hij voor de kroegen buiten had kunnen zitten. Eenmaal was hij zelfs, hetgeen sinds jaren niet meer voorgekomen, naar de komedie geweest en had na afloop toevallig een paar kennissen ontmoet, met wie hij de daaropvolgende avond nog had doorgebracht. Toen kwamen zwarte eenzaamheid en sprakeloze verveling. Want de moed ontbrak hem om na zijn avondwandeling in de stilte van zijn verlaten kamer terug te keren. Hij vreesde, zonder toezicht overgelaten aan zijn hopeloos gemijmer, zich zelf te zeer en wist ook niet hoe hij de lege uren zou beleven, want lezen of brieven schrijven deed hij sinds lang niet meer. Zo zwierf hij van de ene in de andere kroeg, stompzinnig drinkend, terwijl zij hem geen ogenblik meer uit de gedachten kwam. Hij voerde in verbeelding telkens weer hetzelfde twistgesprek, waarna hij, met de vuist op tafel, ten slotte telkens zegevierde. Dan viel de tergend lege stilte te hatelijker in het vernederend bewustzijn,
dat hij in werkeloze verlatenheid de dupe werd van deze scheiding, terwijl zij in de ongedurige lichtzinnigheid van het kroegje volop gelegenheid had hem te vergeten. Hij haatte haar in het onloochenbaar besef van haar afhankelijk te zijn geworden en misgunde haar, als brutaal egoïst, de vermeende rust van eindelijk van zijn hinderlijke jaloezie en ruwe scheldwoorden bevrijd te zijn. Zo stapte hij dan een avond ten einde raad en na zich moed te hebben ingedronken, als van ouds het kroegje binnen, geenszins van plan zich weer in liefde te verzoenen, maar enkel om te trachten of hij haar wellicht opnieuw onder zijn invloed zou kunnen krijgen om zich dan over haar standvastigheid te wreken.”

 

 
J. van Oudshoorn (20 december 1876 – 31 juli 1951)