Jules Deelder 70 jaar, Thomas Kohnstamm, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Laurence Sterne

70 Jaar Jules Deelder

De Nederlandse dichter en schrijver Jules Deelder werd geboren op 24 november 1944 te Rotterdam, in de wijk Overschie. Jules Deelder viert vandaag zijn 70e verjaardag. Zie ook alle tags voor Jules Deelder op dit blog.

Stadsgezicht

Tegenwoordigheid van geest
en realisme in ’t kwadraat
vieren onverstoorbaar feest
in een opgebroken straat

Hoog en spijkerhard de hemel
met een blikkerende zon of
zwart en laag in wilde wemel
langs skeletten van beton

Doorheen geloken luxaflexen
tórenhoog de wooncomplexen
stapelen den einder dicht

Posthistorisch vergezicht-
Rotterdam gehakt uit marmer
kant’lend in het tegenlicht

 

Wonderland

Bij het pompstation
bleken acht van de negen
pompen super te leveren
en maar één normaal

Op m’n vraag of het geen
tijd werd de bordjes te ver-
hangen keek de pompbediende
mij niet begrijpend aan

Toen ik later in een
etalage op een bord las
dat men bij aanschaf van
vijf batterijen één

staaflantaarn cadeau gaf
begreep ik dat ik
in de omgekeerde wereld
was beland.

 

Quo Vadis?

Op de A20 staat
een man met baard

Ik stop en vraag
waarheen hij vaart?

Ten hemel luidt
daarop zijn antwoord

Ik ga niet verder
dan Rotterdam

O prima dan pak ik
daar de metro…

 
Jules Deelder (Rotterdam, 24 november 1944)

Continue reading “Jules Deelder 70 jaar, Thomas Kohnstamm, Einar Kárason, Ahmadou Kourouma, Wen Yiduo, Laurence Sterne”

Wanda Reisel

De Nederlandse schrijfster Wanda Reisel werd geboren in Willemstad (Curaçao) op 24 november 1955. Reisel groeide op in Amsterdam in een anarcho-liberaal artsengezin met zes kinderen (vader internist, moeder verpleegster). Na het gymnasium (1968-1974) studeerde Reisel korte tijd geschiedenis, na anderhalf jaar schreef ze zich in voor de regieopleiding van de Theaterschool in Amsterdam. Zij wist van vroeg af aan dat ze schrijver wilde worden. Deze opleiding voltooide ze in 1981. Sindsdien heeft ze een tiental toneelstukken geschreven, gebundeld onder de titel “Tien Stuks”. Reisel debuteerde in 1986 als prozaschrijver met “Jacobi’s tocht” (twee novellen). Haar eerste roman “Het blauwe uur” verscheen in 1988. Ze werd in 1997 bij een breder publiek bekend dankzij de nominatie van “Baby Storm” voor de Libris literatuurprijs. Ook haar volgende roman, “Een man een man” (2000), stond op de shortlist van de Libris literatuurprijs, in 2001. De roman “Witte Liefde” werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In januari 2008 werd haar de Anna Bijns Prijs voor “Witte liefde” toegekend. Haar toneelstuk ”Poeskafee” werd in maart 2010 door het RO Theater in de regie van Gerardjan Rijnders opgevoerd. Naast proza en toneel schrijft Reisel ook film- en televisiescenario’s.

Uit: Witte liefde

“Het is heerlijk om begeerd te worden, ogen te zien die jouw zoeken, jouw blik indrinken, verstandhouding eisen. Een minnaar te hebben die het liefst met jou een auto, een garderobe, een bijkeuken in wil verdwijnen. Een begenadigde positie, die je boven het sterfelijke uit doet toornen. De keerzijde ervan is een ondraaglijke zuigelingenhonger als deze toestand er niet is. Dit verlangen kan rampen aanrichten. Als de liefde haar zin niet krijgt, gelden de wetten van het oerwoud. En erger.”
(…)

“Bob is hier in huis taboe geworden, ik moet zorgen dat zijn naam niet valt. Alles wat met hem te maken heeft is onrein, een boek dat hij ons cadeau heeft gedaan, een beeldje. Een dichtbundel heeft Rudi weggesmeten. Witte liefde kan niet anders dan een keer vuil worden. Ik heb Bob naar de verste uithoeken verbannen, of nee, ik heb hem verstopt, op de zolder van mijn hoofd, waar niemand komt. Daar zit hij met zijn rug naar me toe in het schemerdonker en gelukkig kan ik daardoor niet zien of hij verdrietig is. Nu hij taboe is mag ik hem niet meer aanraken, niet meer aan hem denken, moet hij uit mijn geheugen slijten door zich weg te laten gummen, maar echt lukken wil dat niet. Nog niet. De tijd zal het beeld wel doen stilliggen als een gevallen herfstblad, zijn stem zal alleen nog gevoileerd klinken tegen de achterwand van mijn schedel.
Deze grote liefde hebben we samen moeten laten sterven, als een doodziek kind.”
(…)

“De tijd zal zijn beeld wel doen stilliggen als een gevallen herfstblad, zijn stem zal alleen nog gevoileerd klinken tegen de achterwand van mijn schedel. Deze grote liefde hebben we samen moeten laten sterven, als een dood kind.”

 
Wanda Reisel (Willemstad, 24 november 1955)

Marlon James

De Jamaicaanse schrijver Marlon James werd geboren op 24 november 1970 in Kingston, Jamaica, Zijn ouders werkten allebei voor de Jamaicaanse politie: zijn moeder(van wie James zijn eerste proza ​​boek, een verzameling verhalen van O. Henry kreeg werd detective en zijn vader (van wie hij de liefde voor Shakespeare en Coleridge erfde) werd advocaat. James studeerde in 1991 aan de Universiteit van West-Indië, waar hij colleges taal en literatuur volgde. Hij behaalde een master’s degree in creatief schrijven aan de Wilkes University (2006). James doceerde sinds 2007 Engels en creatief schrijven aan Macalester College. Zijn eerste roman, “The Book of Night Women” (2009), gaat over de opstand van een slavenvrouw op een Jamaicaanse plantage in het begin van de 19e eeuw. James’s tweede roman, “John Crow’s Devil” (2010), vertelt het verhaal van een bijbelse strijd in een afgelegen Jamaicaanse dorp in 1957. Zijn meest recente roman uit 2014 “A Brief History of Seven Killings” onderzoekt enkele decennia van de Jamaicaanse geschiedenis en de politieke instabiliteit vanuit het perspectief van vele vertellers. Het won de fictie categorie van de 2015 OCM Bocas Prijs voor Caribische literatuur.

Uit: John Crow’s Devil

“No living thing flew over the village of Gibbeah, neither fowl, nor dove, nor crow. Yet few looked above, terrified should an omen come in a shriek or flutter. Nothing flew but dust. It slipped through window blades, door cracks, and the lifting clay of rooftops. Dust coated house and ground, shed and tree, machine and vehicle with a blanket of gray. Dust hid blood, but not remembrance.
Apostle York took three days to decide. He had locked himself in the office as his man waited by the door. Clarence touched his face often without thought, running his fingers over scratches hardened by clotted blood. The Apostle’s man was still in church clothes: his one black suit and gray shirt with tan buttons that matched his skin, save for his lips, which would have been pink had they not been beaten purple three days ago. Clarence shifted from one leg to the other and squeezed his knuckles to prevent trembling, but it was no use.
“Clarence,” the Apostle called from behind the door. “Pile them up. Pile them all up. Right where the roads meet. Pile them up and burn them.”
Men, women, and children, all dead, were left in the road. Those who scurried home with their lives imprisoned themselves behind doors. There were five bodies on Brillo Road; the sixth lay with a broken neck in a ditch where the bridge used to be. Clarence limped, cursing the hop and drag of his feet. At the crossroads he stopped.
“All man who can hear me!” he shouted. “Time now to do the Lord’s work. The Apostle callin you.”
Faces gathered at windows but doors remained shut. Some would look at Clarence, but most studied the sky. Clarence looked above once and squeezed his knuckles again. A dove had flown straight into his face, splitting his bottom lip and almost scratching out his left eye. He felt as if more would come at that very moment, but the Apostle had given him strength.”

 
Marlon James (Kingston, 24 november 1970)