Ivan Toergenjev, Erika Mann, Jan Decker, Anne Sexton, Velemir Chlebnikov

 

De Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev werd geboren op 9 november 1818 in Orjol, in de Oekraïne. Zie ook mijn blog van 9 november 2010 en eveneens alle tags voor Ivan Toergenjev op dit blog.

Uit: Vaders en zonen (vertaald door Karel van het Reve)

‘Aristocratisme, liberalisme, vooruitgang, principes’ zei Bazarov ondertussen, ‘wat een vreemde, overbodige en nutteloze woorden allemaal! De Rus kan ze missen als kiespijn.’
‘Wat kan hij dan niet missen volgens u? Als ik u zo hoor bevinden wij ons buiten de samenleving, buiten haar wetten. Neem me niet kwalijk, de logica der geschiedenis eist…’
‘Wat moeten we met die logica? Zonder logica komen we er ook best.’
‘Hoe dan?’
‘Heel eenvoudig. U hebt toch hoop ik ook geen logica nodig om een stuk brood in uw mond te steken als u honger hebt. Wat hebben we aan die abstracties!’
Pavel Petrovitsj maakte een afwerend gebaar.
‘Nu begrijp ik het niet meer. U beledigt het Russische volk. Ik begrijp niet hoe men geen princiepen, geen regels erkennen kan! Op grond waarvan handelt u dan?’
‘Ik heb u toch al gezegd, oom, dat wij geen autoriteiten erkennen,’ mengde Arkadi zich in het gesprek.
‘Wij handelen op grond van wat wij nuttig achten,’ zei Bazarov.
‘Op het ogenblik is het nuttig alles te loochenen ¬¬¬¬− en daarom loochenen wij.’
‘U loochent alles?’
‘Alles.’
‘Wat? Niet alleen de kunst, de poëzie… maar ook… ik waag het niet uit te spreken…’
‘Alles,’ herhaalde Bazarov doodkalm.
Pavel Petrovitsj keek hem strak aan. Hij had dit niet verwacht, en Arkadi kreeg zelfs een kleur van plezier.
‘Maar neemt u me niet kwalijk,’ begon Nikolaj Petrovitsj. ‘U loochent alles, of, nauwkeuriger uitgedrukt, u breekt alles af… Maar er moet toch ook gebouwd worden.’
‘Dat is onze zaak niet… Eerst moet er schoon schip gemaakt worden.’

 

 
Ivan Toergenjev (9 november 1818 – 3 september 1883)
Portret door Aleksej Harlamov, 1876

Continue reading “Ivan Toergenjev, Erika Mann, Jan Decker, Anne Sexton, Velemir Chlebnikov”

Roger McGough, Mohammed Iqbal, Karin Kiwus, Imre Kertész, Raymond Devos, Carl Sagan

 

De Engelse dichter en schrijver Roger Joseph McGough werd geboren op 9 november 1937 in Litherland, Lancashire. Zie ook alle tags voorRoger McGough op dit blog enook mijn blog van 9 november 2010.

 

Goodbat Nightman

God bless all policemen
and fighters of crime,
May thieves go to jail
for a very long time.

They’ve had a hard day
helping clean up the town,
Now they hang from the mantelpiece
both upside down.

A glass of warm blood
and then straight up the stairs,
Batman and Robin
are saying their prayers.

* * *

They’ve locked all the doors
and they’ve put out the bat,
Put on their batjamas
(They like doing that)

They’ve filled their batwater-bottles
made their batbeds,
With two springy battresses
for sleepy batheads.

They’re closing red eyes
and they’re counting black sheep,
Batman and Robin
are falling asleep.

 

 
Roger McGough (Litherland, 9 november 1937)

Continue reading “Roger McGough, Mohammed Iqbal, Karin Kiwus, Imre Kertész, Raymond Devos, Carl Sagan”

Jens Christian Grøndahl

 

De Deense schrijver Jens Christian Grøndahl werd geboren in Lyngby op 9 november 1959. Grøndahl studeerde filosofie van 1977 tot 1979. Zijn eerste boek, het realistisch geschreven “Kvinden i midten”, verscheen in 1985. Daarna volgden met regelmatige intervallen een vijftiental andere romans. Hij schreef daarnaast echter ook essays, toneelstukken en teksten voor de radio. Liefde, en de relaties van moderne koppels, vormen de leidende thema’s in zijn werk, dat in binnen- en buitenland werd genomineerd voor, en bekroond met verschillende literaire prijzen. Zo ontving hij onder meer De Gyldne Laurbær voor zijn roman “Lucca” (in 1999) en stond hij met zijn boek “An altered light” in 2006 op de shortlist voor de International IMPAC Dublin Literary Award.

Uit:An Altered Light (Vertaald door Anne Born)

“The tree trunks move in time with the rhythm of her rubber soles on the wet path, where the air is still cool after the night rain. The woodland floor is white with anemones; in one place, growing close to the roots of an ancient tree, they make her think of an old, wrinkled hand. She could go on and on without getting tired, without meeting anyone or thinking of anything in particular, and without coming to the edge of the woods. As if the town did not begin just behind the trees, the leafy suburb with its peaceful roads and its houses hidden behind close-trimmed hedges. She doesn’t want to think about anything, and almost succeeds; her body is no more than a porous, pulsating machine. The sun breaks through the clouds as she runs back, its light diffused on the gravel drive and the magnolia in front of the kitchen window. His car is no longer parked beside hers, he must have left while she was in the woods.
He hadn’t stirred when she rose, and she’d already been in bed when he came home late last night. She lay with her back turned, eyes closed, as he undressed, taking care not to wake her. She leans against one of the pillars of the garage and stretches, before emptying the mailbox and letting herself into the house. She puts the mail on the kitchen table. The little light on the coffeemaker is on; she switches it off. Not so long ago, she would have felt a stab of irritation or a touch of tenderness, depending on her mood. He always forgets to turn off that machine. She puts the kettle on, sprinkles tea leaves into the pot, and goes over to the kitchen window. She observes the magnolia blossoms, already starting to open. They’ll have to talk about it, of course, but neither of them seems able to find the right words, the right moment.”

 

 
Jens Christian Grøndahl (Lyngby, 9 november 1959)