Matthias Zschokke, Harald Hartung, Mohsen Emadi, Claire Goll, Zbigniew Herbert

De Zwitserse dichter, schrijver en filmmaker Matthias Zschokke werd geboren op 29 oktober 1954 in Bern. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Matthias Zschokke op dit blog.

Uit: Die strengen Frauen von Rosa Salva

„Anfang Januar lag in seinem Kasten ein Brief. Darin die Anfrage einer Kulturstiftung, ob er Lust und Zeit habe, zusammen mit seiner Familie ein halbes Jahr in einer venezianischen Wohnung zu residieren. Für alles sei gesorgt. Eine ortsansässige Frau werde ihm die Schlüssel überreichen und sich kümmern um sämtliche praktischen Probleme, die möglicherweise auftauchen könnten.
Er hatte keine Familie. Auch Freunde waren ihm nicht mehr viele geblieben, seitdem sich herumgesprochen hatte, dass er vom Glück auf beunruhigende Weise bevorzugt würde. Er fürchtete, die Einladung nach Venedig werde als weiterer Beweis für diesen Glücksverdacht betrachtet, worauf auch noch die letzten Bekannten den Kontakt zu ihm abbrechen – »sich mit Grausen von ihm abwenden« – würden. Doch I., die Frau, mit der zusammen er in Berlin lebte, hielt das für dummes Zeug. Sie kannte keine Angst vor dem Neid der Götter. Ihr gefiel die Vorstellung, ein halbes Jahr in Venedig zu verbringen. »Etwas Besseres als den Tod findest du überall«, sagte sie. Also nahm er die Einladung an.
01.06.
Letzte Mail aus Berlin an seinen Freund in Köln, nicht was man tut, wenn man gestochen ist, will ich wissen (Essigwickel, Zitronensäure, Muttispucke, Eiweißoder Siliceapaste usw.), sondern wie ich es anstellen soll, nachts nicht umsirrt zu werden, das möchte ich ein für alle Mal erfahren: Lavendelsträuße ins Zimmer, Zitronenbäume vors Fenster, einen Katzenkadaver auf den Fenstersims, Hausfledermäuse halten, Licht brennen lassen, Fenster geschlossen halten, im Durchzug liegen, sich vor dem Schlafengehen mit Franzbranntwein einreiben, mit Lebertran? Was hält Mücken davon ab, mir um die Ohren zu sirren und mich wach zu halten? Ab morgen muss ich die Antwort kennen.“

 
Matthias Zschokke (Bern, 29 oktober 1954)

Doorgaan met het lezen van “Matthias Zschokke, Harald Hartung, Mohsen Emadi, Claire Goll, Zbigniew Herbert”

Lodewijk van Oord

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Lodewijk van Oord werd geboren in Madrid in 1977. Van Oord woont al het grootste deel van zijn leven in het buitenland. Na zijn studies in Leiden en Utrecht doceerde hij in een twaalfde-eeuws kasteel op de kliffen van Wales. Hij debuteerde met gedichten in “De Revisor” en publiceerde verhalen, essays en opiniestukken in verschillende dagbladen en literaire tijdschriften. Zijn bijdragen werden meermaals genomineerd voor literaire prijzen. Voor het verhaal ‘Thesmophoria’ won hij de Nieuw Proza Prijs 2011. In 2010 verruilde Van Oord het kasteel in Wales voor de heuvels van Swaziland, waar hij onderwijsdirecteur werd aan het Waterford Kamhlaba, de eerste en lange tijd enige multiraciale school in Afrika. Sinds 2014 woont en werkt hij in het Italiaanse dorpje Duino, nabij Triëst.

Uit: Albrecht en wij

“De gorgelende neussnuif van het nijlpaard, abrupt in de rede gevallen door getrompetter van twee olifanten, daarna een roekeloze brul uit de diepte van een leeuwenmuil. De medemens heeft een wekker, ik heb de monsterlijke klanken der natuur. Elke ochtend als ik naar de badkamer loop bedenk ik dat er beroerdere manieren zijn om wakker gemaakt te worden. In de spiegel werp ik een snelle blik op mijn driedagenbaardje, scheren lijkt me ook vandaag niet nodig. Het grootste deel van de dag zal ik thuis aan mijn keukentafel doorbrengen en werken aan de presentatie die ik aan het eind van de middag ga houden.
De dagen dat ik gehaast de grachten af fietste, van subsidiecommissie naar private mede-investeerder, van de bank naar het Filmfonds, met onder mijn snelbinders financieringsvoorstellen en project proposals, behoren gelukkig tot het verleden. Ik leef nu in een absolute jongensdroom, ben als hoofdpersoon gecast in de film waarvan ik zelf het scenario heb mogen schrijven. Inmiddels is het twee jaar geleden dat ik de stap nam waar velen van opkeken, maar die ik zelf nog altijd niet als een al te radicale overgang beschouw. Ik verruilde de geldwolven op de Herengracht voor de manenwolven in het hondenverblijf, de gieren aan het Museumplein voor hun vale soortgenoten in de monumentale roofvogelvolière. Die hele kudde aan spitsvondige, goedgebekte collega’s heb ik eigenlijk nog geen seconde gemist: als ik de mensen uit mijn vorige leven in de stad tegen het lijf loop komen ze me als wezensvreemd voor, een gevoel dat haast wel wederzijds moet zijn. Het verplichte oppervlakkige gesprekje – hoe gáát het, ja, man, goed, druk, oké – stokt over het algemeen al snel, waarna een van ons zich met een matig excuus uit de voeten maakt.
Ik open mijn gordijnen en werp een blik naar buiten. Bewolkte lucht, wiegende toppen, gevallen blad op de perken en paden. Het is droog, maar zo te zien nog fris, met een stevige wind die weleens venijnig zou kunnen zijn. Uit de mand met vuile was haal ik mijn rode lievelingsshirt en trek daaroverheen mijn gelukscolbertje aan, het rafelige suède jasje dat ik een leven geleden voor een geeltje op het Waterlooplein heb gekocht.”

 
Lodewijk van Oord (Madrid, 1977)

Dominick Dunne

De Amerikaanse schrijver, journalist en filmproducent Dominick Dunne werd geboren 29 oktober 1925 in Hartford, Connecticut. Dunne was een van de zes kinderen uit een rijke familie. Zijn vader Edwin Richard Dunne was chef-arts in een kliniek en een bekend cardioloog. Een van zijn broers was de schrijver John Gregory Dunne. Na zijn studie aan de Universiteit van Williams, diende hij als een soldaat in WO II. Na een professionele start bij de televisie produceerde hij een aantal films: 1970 The Boys in the Band, 1971 The Panic in Needle Park met Al Pacino 1972 Play As It Lays en 1973 Ash Wednesday, met Elizabeth Taylor en Henry Fonda. Alcoholisme en drugsgebruik maakten een einde aan zijn carrière als filmproducent. Een persoonlijk drama gaf de impuls voor zijn tweede carrière: In 1982 werd zijn 22-jarige dochter, de actrice Dominique Dunne, gewurgd door haar minnaar. Tina Brown, toen hoofdredacteur van Vanity Fair, stelde hem voor om voor het tijdschrift over het proces te berichten. Hij schreef de reportage “Justice: A Father’s Account of the Trial of His Daughter’s Killer”. De ervaringen rondom de dood van zijn dochter verwerkte hij in deroman “People Like Us”, waarin een vader probeert de moordenaar van zijn dochter te vermoorden en daarom wordt veroordeeld. Dunne rapporteerde o.a. ook over de berechting van Claus von Bulow, tegen de broers Lyle en Erik Menendez en 1994 over de moordzaak van OJ Simpson. In zijn rapport maakte hij van zijn overtuiging dat Simpson schuldig was, geen geheim. Vanwege zijn meedogenloze rapportages werd Dunne vaak vergeleken met Truman Capote. In 1990 verscheen de roman “An inconvenient Woman”, in 1993 „A Season in Purgatory“, en in 1997 „Another City, Not My Own“.

Uit: Another City, Not My Own

“Yes, yes, it’s true. The conscientious reporter sets aside his personal views when reporting events and tries to emulate the detachment of a camera lens, all opinions held in harness, but the man with whom this narrative deals did not adhere to this dictum, at least when it came to the subject of murder, a subject with which he had had a personal involvement in the past. Consequently, his reportage was rebuked in certain quarters of both the journalistic and the legal professions, which was a matter of indifference to him. He never hesitated to speak up and point out, in print or on television, that his reportage on matters of murder was cheered by much larger numbers in other quarters. “Walk down Madison Avenue with me and see for yourself how often I am stopped by total strangers,” he said in reply to a hate letter he received from an enraged man who wrote that he had vilified O.J. Simpson “through the pages of your pretentious magazine for two and a half years.”
His name, as it appeared in print or when he was introduced on television, was Augustus Bailey, but he was known to his friends, and even to those who disliked him intensely, because of the way he had written about them, as Gus, or Gus Bailey. His name appeared frequently in the newspapers. His lectures were sold out. He was asked to deliver eulogies at important funerals or to introduce speakers at public events in hotel ballrooms. He knew the kind of people who said “We’ll send our plane” when they invited him for weekends in distant places.
From the beginning, you have to understand this about Gus Bailey: He knew what was going to happen before it happened. His premonitions had far less to do with fact than with his inner feelings, on which he had learned to rely greatly in the last half dozen years of his life. He said over the telephone to his younger son, Zander, the son who was lost in a mountain-climbing mishap during the double murder trial of Orenthal James Simpson, “I don’t know why, but I keep having this feeling that something untoward is going to happen to me.”


Dominick Dunne (29 oktober 1925 – 26 augustus 2009)