Coen Peppelenbos, Cynthia Mc Leod, Oek de Jong, Matthieu Gosztola, Charles Frazier, Gabriel Loidolt

De Nederlandse dichter en schrijver Coen Peppelenbos werd geboren in Raalte op 4 oktober 1964. Zie ook alle tags voor Coen Peppelenbos op dit blog.

Louis Couperus spreekt Gronings

Vriend Jaap voerde mij pepermuntjes
tijdens de rijtoer naar Paterswolde
opdat mijn Hollands-hoge stem
die avond, met affectie,
ritmisch huppelende dactyli zou zingen.

Ja, de boerse noordelingen, inboorlingen
met begrensde spreekstemmen staan versteld
van klankbevleugelde woordreeksen.

In hare drom’n, hare vizioen’n
lat’n zien en doen smacht’n

O vriend Jaap, dank voor de witte rozen,
dat ik nog eens in je tent kom overzomeren
te Terschelling, om de omelet te proeven
die je zo goed weet te bereiden.

 

Dijklichamen

De lijken liggen op Deltahoogte.
Het nageslacht trok het land in,
was de golven voor.

De namen op de stenen zijn
bijna verdwenen in zoutbeslag en regen
die familie Toxopeus wist wat sterven was.
Deze botten houden de dijk op orde
kraakbeen en knekelwering.

Ze liggen daar maar open en bloot,
missen de schaduw van de kerk
als schapen in de zomer de bomen.
Pak het zand vast, dijklichamen
en houd de zondvloed tegen.

 
Coen Peppelenbos (Raalte, 4 oktober 1964)

Doorgaan met het lezen van “Coen Peppelenbos, Cynthia Mc Leod, Oek de Jong, Matthieu Gosztola, Charles Frazier, Gabriel Loidolt”

Roy Alton Blount Jr., Herbert Kranz, Hugh McCrae, Jacky Collins, André Salmon, Juliette Adam, Eugène Pottier

De Amerikaanse schrijver, journalist, musicus en acteur Roy Alton Blount Jr. werd geboren op 4 oktober 1941 in Indianapolis, Indiana. Zie ook alle tags voor Roy Alton Blount Jr. op dit blogen ook mijn blog van 4 oktober 2010

Uit: Alphabet Juice

“Maybe many of them were trying to break away from the alphabet, but I wasn’t. To me, letters have always been a robust medium of sublimation. I don’t remember what I was like before I learned my ABC’s, but for as long as I can remember I have made them with my fingers and felt them in my bones. Where are we, at the moment? We’re in the midst of a bunch of letters, and if you’re like me, you feel like a pig in mud.
What a great word mud is. And muddle, and muffle, and mumble . . .
You know the expression “Mum’s the word.” The word mum is a representation of lips pressed together. Since it’s not merely a sound, mmmm, but a word, to say it we have to move our lips. For the separator we choose that utterly unintellectual (though it’s what we say when trying to think) vowel sound uh, which thrusts at the heart of push and shove and grunt and love.
The great majority of languages start the word for “mother” with an m sound. The word mammal comes from the mammary gland. Which comes from baby talk: mama. To sound like a grownup, we refine mama into mother; the Romans made it mater, from which: matter. And matrix. Our word for the kind of animal we are, and our word for the stuff that everything is made of, and our word for a big cult movie all derive from baby talk.
What are we saying when we say mmmm? We are saying yummy. In the pronunciation of which we move our lips the way nursing babies move theirs. The fact that we can spell something that fundamental, and connect it however tenuously to mellifluous and manna and milk and me (see M), strikes me as marvelous. You know the expression “a magic spell”—
Here the scholar cries, Aha! (See H.)”

 
Roy Alton Blount Jr. (Indianapolis, 4 oktober 1941)

Doorgaan met het lezen van “Roy Alton Blount Jr., Herbert Kranz, Hugh McCrae, Jacky Collins, André Salmon, Juliette Adam, Eugène Pottier”

Koos Schuur

 

De Nederlandse dichter, schrijver en vertaler Jacobus Gerardus (Koos) Schuur werd geboren in Veendam op 4 oktober1915. Zijn ouders hadden een winkel in naaimachines en fietsen en zijn grootvader had een boekhandel die later werd voortgezet door een oom. Schuur volgde de HBS in Veendam en maakte in de vijfde klas kennis met Theo Mooij, de latere dichter A. Marja. Thuis was er geen geld voor een academische studie en daarom werkte Koos Schuur vanaf 1935 als journalist bij het dagblad De Noord-Ooster in Wildervank. Schuur debuteerde in 1938 als dichter in het onafhankelijk literair tijdschrift Den Gulden Winckel. A. Marja stuurde zonder medeweten van Schuur diens gedicht Spiegelman naar De Gids, waar het werd geplaatst. Ook verscheen een gedicht van Schuur in Criterium. Via Marja leerde Schuur o.a. Max Dendermonde, Eddy Evenhuis, Ferdinand Langen, Ab Visser en Hendrik de Vries kennen. Tijdens WO II maakte Schuur deel uit van een verzetsgroep. In 1942 nam hij ontslag bij De Noord-Ooster. Nadat de verzetsgroep geïnfiltreerd was door een verrader, verhuisde Schuur in augustus 1942 naar Amsterdam, waar hij onderdook om te voorkomen dat hij als dwangarbeider in Duitsland zou moeten werken. In Amsterdam leerde hij onder andere Jan Elburg kennen. Na de oorlog werd Schuur redacteur bij De Bezige Bij en vormde hij samen met Ferdinand Langen de redactie van het tijdschrift Het Woord. Hij trouwde met de actrice Caroline Bigot, met wie hij twee zoons kreeg, Jan en Kees. In 1951 werden enkele gedichten van Schuur opgenomen in de bundel Atonaal. In datzelfde jaar emigreerde het gezin Schuur naar Australië. Over zijn beginperiode daar schreef Schuur brieven die door Jan Elburg en Salvador Hertog werden gebundeld in En de Kookaburra lacht (1953). Nadat zijn huwelijk in Australië op de klippen was gelopen, hertrouwde Schuur. In 1962 keerde hij terug naar Nederland, waar hij aanvankelijk weer bij De Bezige Bij werkte en vanaf 1967 bij de boekenclub ECI. Hij vertaalde werk van onder anderen Günter Grass, Heinrich Heine, Arthur Koestler, Ezra Pound, J.D. Salinger en Dylan Thomas. Pas in 1980 kwam weer een dichtbundel van hem uit: Waar het was. In 1990 volgde de bloemlezing Signalen, een keuze uit zijn werk vanaf 1930. Schuur trouwde in 1968 voor de derde maal. Uit het huwelijk werden nog drie kinderen geboren. De schilder Geert Schreuder maakte in 1998 onder de titel Novemberland een serie van negen schilderijen bij het gelijknamige gedicht van Koos Schuur.

 

Novemberland (Fragment)

Na de roodbruine warmte van september,
na van october ’t zwaar en donker goud,
keren de heldre dagen van november
met ijle geur van brandend turf en hout,
van rijpe appels, rottend loof. Reeds koud
worden de morgens in de kale velden
waar raven, met de ondergang vertrouwd,
de heerschappij aanvaarden; sombre helden
die zich met nog somberder roepen melden.
Op het vochtige land strijken zij neer
waar zij op paarden en op honden schelden
en zij voorspellen vorst en winterweer.

Er leiden moddersporen naar de schuren
van boerenhoeven, trage wagens gaan
en knapen branden wìtrokende vuren,
die er als bakens in den schemer staan.
Des avonds komt een opgezwollen maan
ontzaggelijk omhoog uit einderdampen
als vrucht van vreemde plant en meet zijn baan,
terwijl de verontruste paarden stampen
en koeien angstig loeien als in krampen.
Dan neemt de boer een lamp, gaat in de stal
en klopt zijn kalmte in hun bange flanken.
die heel licht siddren als een waterval.

Dit is mijn land: onder pastellen luchten
liggen de akkers eindeloos en triest;
de wind neemt aanloop tot al wijder vluchten
en, spelend rond een eenzaam huis, verliest
hij telkens even aarzlend zich en briest
in een verlaten boom. De blaadren schuilen
en kantlen zich. Maar hij, al wilder, kiest
de zwaksten uit en jaagt over de vuile
akkers hun gele vlekken in de kuilen,
de rook van brandend loof verzamelend.
Des nachts komt hij wild in een schoorsteen huilen
tot hij verveeld verdervlucht, stamelend.

 

 
Koos Schuur (4 oktober 1915 – 1 december 1995)

In Memoriam Ward Ruyslinck

 

In Memoriam Ward Ruyslinck

 

De Belgische schrijver Ward Ruyslinck is gisteren op 85-jarige leeftijd overleden. Ward Ruyslinck (pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser) werd geboren in Berchem op 17 juni 1929. Zie ook alle tags voor Ward Ruyslinck op dit blog.

Uit: Wierook en tranen

“Zij bad, rustig en ingetogen, geheel vervuld van een groot vertrouwen dat ik niet kende. Zij bad tot het witte wolkje, tot het kaarslicht dat in alle kapelletjes en kerken ter wereld eeuwigdurend brandde, tot de verre onbereikbare God van Vera, die beschikte over leven en dood. Ik wist zo bitter weinig van hem af en daarom begreep ik misschien ook niet om welke reden Hij me Vera ontnomen had, waarom Hij dit alles gedoogde, deze oorlog, deze tranen, dit nutteloze leed, dit voortdurend afscheid nemen van wie men liefhad. Of ik het nu begreep of niet, dat deed er niets toe, één ding had ik nu herhaaldelijk kunnen vaststellen: dat Hij een god was die de mensen meer verdriet dan blijdschap gaf. En wanneer de ene mens de andere verdriet gaf, werden ze gewoonlijk elkaars vijanden, maar niemand wilde de vijand van God worden. De mensen waren beducht voor Hem, ze lieten Hem gewoon zijn gang gaan, ze aanvaardden dit bijna als iets vanzelfsprekends en soms waren ze er Hem ook nog dankbaar voor.”
(…)

 
Daan Brouwers (Waldo) en Katelijne Verbeke (Vera) in de film uit 1977

 

“Gaan wij dan naar een klooster?…” “Neen,” antwoordde ze, “maar later, als ik oud genoeg ben, ga ik in het klooster leven, voorgoed, voor altijd. Ik word kloosterzuster. Vind ge dat niet heerlijk, Waldo?” Een schok voer door mij heen en ik bleef stilstaan. Hoe kon ze zoiets zeggen? Was ze dan waarlijk vergeten wat ze me gisteren nog had voorgespiegeld, over het huis in de duinen? Een groot ongenoegen kwam over mij, mijn wimpers begonnen te trillen en op dat ogenblik vergaf ik haar dit niet, deze ontrouw, deze smadelijke verbreking van een plechtige belofte. “Ik dacht,” zei ik ontdaan, “dat we een huis zouden bouwen in de duinen en daar blijven wonen totdat we dood gingen?” Ze knipperde met haar ogen en haar mond viel weer eventjes open, zoals ik haar dat gisteren had zien doen, toen ik haar op het plein ontmoette. “Totdat we doodgaan? Heb ik dat gezegd? Neen, o neen, totdat de oorlog gedaan is. Ge hebt me klaarblijkelijk verkeerd verstaan. Zodra de oorlog gedaan is, word ik kloosterzuster. Waarom kijkt ge zo…zo…? Vindt ge dat niet fijn?” “Neen,” zei ik uit het diepst van mijn hart.’

 

 
Ward Ruyslinck (17 juni 1929 – 3 oktober 2014)